Zelf kiezen wat, wanneer en hoe je wilt leren. Dat doen kinderen op democratische scholen. Zonder verplichte toetsen en examens. Voor de zomer bezocht ik drie democratische scholen. Eén daarvan, DOE, was intensief betrokken bij het wetsvoorstel ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’. DOE is een particuliere school, maar zou met het nieuwe wetsvoorstel een door de overheid bekostigde school kunnen worden. DOE is echter niet enthousiast over het uiteindelijke wetsvoorstel. DOE-directeur Jacqueline van Ewijk: ‘Als onderwijsvernieuwers hebben wij niets aan de wet. Het is met deze wet alleen maar moeilijker geworden om een te starten.’
‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’, dat binnenkort in de Tweede Kamer wordt behandeld, is bedoeld om het makkelijker te maken om nieuwe, bekostigde, scholen te beginnen. Om dat te bereiken wordt het begrip ‘richting’ geschrapt als eis voor schoolstichting. Artikel 23 van onze Grondwet bepaalt namelijk dat er vrijheid van richting is in het onderwijs. Maar dat begrip richting wordt in praktijk geïnterpreteerd als een levensbeschouwelijke richting, zoals katholiek of protestants.
Daardoor bevoordeelt de wet scholen die zich baseren op een erkende levensovertuiging. Het is dan ook heel moeilijker om een school die werkt volgens een nieuw pedagogisch-didactisch concept bekostigd te krijgen, zoals een democratische school.
Gestart met 500 euro
Met het nieuwe wetsvoorstel moet dat veranderen: in de toekomst kunnen scholen starten op basis van een nieuw onderwijsconcept, mits de school kan aantonen dat er behoefte is aan zo’n nieuw pedagogisch-didactisch concept.
Daar zit, wat Van Ewijk betreft, nu net het probleem. ‘Ten eerste kost het meten van de belangstelling voor een nieuwe school, verricht door het ministerie erkend bureau, al gauw zo’n tien- tot vijftienduizend euro. Dat is veel geld. Ik ben DOE gestart met 500 euro!’
Een tweede bezwaar van DOE is dat belangstellende ouders in de nieuwe wet niet verder dan zo’n vijftien kilometer van de school mogen wonen. Van Ewijk: ‘Dat werkt voor ons niet. Onze leerlingen komen soms van véél verder weg.’
‘Wij zijn niet tegen toetsen en examens, maar we willen ze voor onze leerlingen niet verplicht stellen.’
Een derde punt van kritiek is de omvang van de ‘stichtingsnorm’. Een nieuwe basisschool heeft pakweg tweehonderd leerlingen nodig om te kunnen starten en een nieuwe middelbare school minimaal 120 tot 390 leerlingen, afhankelijk van het schooltype. Van Ewijk: ‘Dat is voor ons onderwijsconcept en de kwaliteit die wij willen leveren te veel. Een aantal van zestig tot tachtig leerlingen vinden we ideaal. Dan heb je voldoende leerlingen voor een gevarieerde uitwisseling tussen die leerlingen, wat ons betreft een voorwaarde voor leren.’
Tenslotte is DOE ook niet blij met de manier waarop de Onderwijsinspectie de kwaliteit van bekostigde scholen toetst. De Inspectie eist dat scholen hun leerlingen in staat stellen een diploma te halen en bij hen genormeerde toetsen afnemen. Dat zijn toetsen waarin de prestaties van leerlingen vergeleken worden met een landelijke norm zodat scholen kunnen vaststellen wie eventueel achter loopt. Op democratische scholen bepalen leerlingen zelf of ze een toets willen doen of een diploma willen halen. Van Ewijk: ‘Wij zijn niet tegen toetsen en examens, maar we willen ze voor onze leerlingen niet verplicht stellen.’
Laat ouders bepalen
De Vallei in Driel, een bekostigde democratische school, conformeert zich wel aan de stichtingsnorm en extra eisen die de Inspectie stelt voor bekostigde scholen.
DOE zal echter op basis het wetsvoorstel zoals het er nu naar uitziet, geen beroep doen om bekostigd te worden. ‘Wij zien liever een systeem dat het bedrag dat het ministerie per jaar per leerling reserveert – momenteel circa 5.700 euro voor een basisschoolleerling en circa 7.600 euro voor een middelbare school-leerling – niet aan de school toewijst, maar dat ouders kunnen bepalen welke school het geld van hun kind krijgt,’ zegt Van Ewijk.
‘Ouders kunnen dan een passende school voor hun kind kiezen. Als wij zo’n bedrag per leerling zouden krijgen, zou ons schoolbudget vijfmaal zo groot zijn als nu. Dan zou ik zo nog tien scholen kunnen starten. Maar voor zo’n alternatieve vorm van bekostigen moet je de wet veranderen en daar is men kennelijk nog niet aan toe.’
Het ministerie van Onderwijs stelt dat de bestaande manier van het budgetten toewijzen logischer is om een aantal redenen. Door budgetten aan schoolbesturen te geven en niet aan ouders, stelt ze besturen in staat om vaste lasten – zoals personeel, materialen en gebouwenonderhoud – vooraf te kunnen inschatten en op basis daarvan te plannen. Daarnaast is het zo dat kleine scholen of scholen met veel achterstandsleerlingen méér geld krijgen. Onderwijsgeld via de ouders laten lopen, heeft als risico dat kleine scholen of scholen met veel achterstandsleerlingen te weinig geld ontvangen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.