Het is even geleden, maar in 1969 schreef Philip Roth met zijn Portnoy’s Complaint een roman die voor menigeen een bevrijding betekende. Het was een roman waarin Alexander Portnoy in de ik-vorm zijn beklag deed over zijn leven als joodse jongen en man. Die ik-vorm deed het hem: daardoor kon Portnoy helemaal ‘los’ gaan met zijn klachten en met het spuien van zijn frustraties, angsten en seksuele verlangens.
Portnoy hield niets achter: hij zette iedereen te kijk en niet in het minst zichzelf, tot in de kleinste beschamende details. ‘Portnoy’s klacht’ was zogenaamd een psychische stoornis, zoals we leren van een pagina uit het artikel ‘The Puzzled Penis’ van O. Spielvogel in het Internationale Zeitschrift für Psychoanalyse waarmee de roman opent. Het is een stoornis waarbij de patiënt onder meer sterke ethische weerstanden voelt ten aanzien van zijn polymorf perverse seksuele verlangens en fantasieën.
Hoe belangrijk ook, het ging niet alleen om de fantastische seksuele verlangens van Portnoy. Het boek ging om de vrijheid die Philip Roth zijn personage Portnoy gaf om zijn hart te luchten. Daarover heeft Zadie Smith het in haar Philip Roth-lezing ‘The I Who is Not Me’, opgenomen in haar nieuwe essaybundel Feel Free. Het verschijnen van Portnoy’s Complaint in 1969 zorgde voor een compleet oproer vanwege Portnoy’s ‘vuilbekkerij’, zijn schaamteloosheid, zijn masturbatiemanie en moederhaat. Inmiddels staat het boek op de lijst van meestgelezen romans en krijgen joodse jongens het cadeau van hun moeder. De roman is volgens Smith nu zo ‘beloved as apple pie.’

Voor Zadie Smith, schrijver van romans als White Teeth, On Beauty en Swing Time, is Portnoy’s Complaint zo belangrijk omdat zij het zelf lange tijd niet aandurfde een roman in de ik-vorm te schrijven. Pas met Swing Time in 2016, na vijf romans, durfde ze het, aangespoord door Philip Roth. Het ik van Portnoy’s Complaint is een dubbelzinnig ik: het is Roth wel en niet. Het is Roth, maar van een afstand gestuurd door de vrijheid van de romanschrijver. Voor Roth is het ‘ik’ een literair middel dat ruimte schept.
Het is ‘a new kind of “I” in the world’, schrijft Smith. Het levert ‘een echte Rothiaanse vrijheid’ op. Gevolg is wel dat elke lezer de neiging heeft het ‘ik’ van de roman gelijk te stellen aan de schrijver. Vandaar de zo vaak terechte vraag of de roman autobiografisch is. Voor Smith zorgt dat voor een heilzame verwarring. Door Swing Time in de ik-vorm te schrijven zat ze dichter op de werkelijkheid en de lezer denkt dat ook. Maar toch: ‘it’s all writing’, het is allemaal literair effect: de tactische manier waarop zij de woorden op papier heeft gezet.
Oeuvre van Zadie Smith
De ik-persoon in Smiths laatste roman Swing Time is bewust ambivalent: het is Smith wel en niet. Dat heeft alles te maken met de relatieve status die Smith toekent aan haar identiteit als mens en schrijver. Een identiteit is fictie: waar en niet waar. Als dochter van een Jamaicaanse moeder en een Engelse vader was ze een bruin meisje in een wereld die verdeeld was in zwart en wit. Dat ze niet precies wist waar ze bij hoorde zorgde ervoor dat ze alles van enige afstand ging bekijken.
Dat beantwoordde aan de drijfveer van de romanschrijver: het vermogen om zich in andere levens te verplaatsen. Het smalle pad van de benauwde identiteit heeft ze als schrijver vervangen voor de ‘wide open road’ van de vrijheid. In de ik-vorm kan ze daarop nog vrijmoediger alle soorten mensen opvoeren, in al hun ernst, idiotie, slechtheid, schoonheid en grappigheid. Voor Smith geen identiteitspolitiek. In een roman kun je dingen schrijven die je in werkelijkheid niet zou zeggen. Wat in werkelijkheid niet kan, kan wel in romanvorm. Het is de vrije ruimte van het volledige leven: ‘It’s the place where things are true and not true simultaneously.’
‘In de ik-vorm kan ze daarop nog vrijmoediger alle soorten mensen opvoeren, in al hun ernst, idiotie, slechtheid, schoonheid en grappigheid.’
Identiteit is bij Smith zo relatief omdat ze het kenmerkende van mensen niet als eerste zoekt in afkomst, kleur of status, maar veel meer in het bijzondere, afzonderlijke en karakteristieke van iemand: ‘My business concerns the intimate lives of people.’ Niet dat in haar romans niet de nodige spanningen te vinden zijn tussen individuen en groepen, huidskleuren, stereotypen en collectieven, maar Smith gaat altijd op zoek naar het individuele. In Feel Free staat een essay over de animatiefilm Anomalisa van Charlie Kaufman. Een citaat daaruit luidt: ‘Look for what is special about each individual, focus on that.’ Over haar vader zegt ze dat hij slecht was in generaliseren. Zelf heeft ze daar geen moeite mee, maar ze doet het liever niet.
Ook al is de variatie in onderwerpen van de essays groot, het ik van Smith is in alles te vinden. Ze gaan over Manhattan waar ze de helft van het jaar woont, over de inspiratie die schrijvers kunnen ontlenen aan het dansen van Fred Astaire, over optimisme en wanhoop in tijden van Brexit, over de badkamer als object van status, over Billie Holiday, de rapper Jay-Z, de science fiction-schijver J.G. Ballard, over Hanif Kureishi, de tuinen van Florence, over films en schilderijen en het verschil tussen ‘pleasure’ en ‘joy’. Het essay over de vrijheid die Philip Roth zijn personages geeft komt terug in het essay ‘Generation Why?’ over de oprichter van Facebook Mark Zuckerberg.
Hier is de Zadie Smith aan het woord die mensen heel aardig vindt, maar ze niet als ideale wezens beschouwt. De mens heeft zijn beperkingen. De Mens 1.0 moet vooral zo blijven en niet worden omgebouwd door Zuckerbergs zich stierlijk vervelende, over niets echt nadenkende 21e eeuwse Mens 2.0. Die is gereduceerd tot een zichzelf promotend wezen dat nog net op de knop ‘Like’ weet te drukken. Zuckerberg wil met Facebook ‘verbinding’ tussen mensen maken, maar de praktijk is dat die verbinding bestaat uit een constante stroom van persoonlijke trivialiteiten. Dat is vriendschap op z’n Zuckerbergs: ‘falsely jolly, fake-friendly, self-promoting, slick disingenuous.’ ‘Alles krimpt’ in de digitale wereld.

Dat het Smith nog niet helemaal gelukt is om niet in stereotypen, klasse, afkomst en kleur te denken is te zien aan het essay over de badkamer in haar ouderlijk huis. Toen ze met haar ouders nog in een sociale huurflat woonde in Noord-West Londen hadden ze geen aparte badkamer, die kregen ze pas toen ze verhuisden naar een huis met een tuin. Er was in het nieuwe huis niet alleen een badkamer, ook een extra logeerkamer en een tweede toilet. Dat waren duidelijke tekenen dat de familie Smith was opgestegen, naar lower middle class. Met subtiele ironie beschrijft Smith hoe die badkamer en dat tweede toilet worden gekoesterd als treden op de sociale ladder. ‘The Bathroom’ is een van de essays in Feel Free die men persoonlijk of familiair zou kunnen noemen, te onderscheiden van essays als over Philip Roth, dat over een literair-filosofische kwestie gaat. Smith deinst er niet voor terug om het over haar hele familie te hebben: haar moeder, haar vader, haar twee kinderen en haar twee broers, de een rapper, de ander een ‘comedian’.
In ‘The Bathroom’ worden we in een speciale noot op de hoogte gebracht van het feit dat haar moeder erg gesteld is op toiletten. In haar huis heeft ze er nu drie, waarvan een in de slaapkamer. Die preoccupatie zou teruggaan tot haar jeugd in Jamaica – toen hadden ze geen toiletten. Het is duidelijk: het familiaire essay loopt het gevaar al te knus te worden. Daar is geen sprake van in het essay ‘Find Your Beach’ over Manhattan, de plaats waar Smith de helft van het jaar woont wanneer ze aan New York University les geeft. ‘Find Your Beach’ is de tekst van een reclamebanner van veertig meter op het gebouw waar Smith op uitkijkt vanuit haar appartement. Het is voor een biermerk.

De tekst is aanleiding voor gedachten over wat ‘Manhatten’ betekent. Smith denkt over Manhatten als over de mens: het is niet ideaal, de fameuze energy die ervan uitgaat is niet altijd van de ‘pretty’ soort, maar ze kan er goed werken: ‘The work gets done.’ ‘Elke man en vrouw in deze stad is er op uit hem of haar strand te vinden en God sta je bij als je ze iets in de weg legt.’ Als ze hun strand gevonden hebben strekken ze zich erop uit en vragen: en wat nu? Maar vele schrijvers hebben er goed gewerkt, kennelijk lukte het hun om juist in die hectische stad een ‘strand’ in zichzelf te vinden. In Engeland, schrijft Smith, lukt het haar zelfs niet op het strand het strand te vinden.
Door het schrijven over persoonlijke en algemene onderwerpen, die toch direct met haar zelf te maken hebben, maakt Smith van zichzelf een schrijver die weinig geheimen lijkt te hebben. Terwijl ze juist zegt te houden van de mens als mysterie. Van haar kinderen tot de filosofie van Schopenhauer, van haar vriendinnen tot de rampzalige Brexit, van de vraag of ze over ‘black suffering’ moet schrijven tot de toiletmanie van haar moeder: Smiths ik is voortdurend bezig ook boven zichzelf uit te stijgen.
Feel Free, Essays door Zadie Smith is uitgegeven door Hamish Hamilton.
€18,50., 451 p.






Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.