De Canadese klinisch psycholoog Jordan Peterson voert een oorlog met het bestaan. Alles is bij hem een existentiële confrontatie met potentiële slechtheid. Het leven is niet makkelijk, het is lijden, ‘suffering’. Er is altijd een catastrofe ophanden. Het is alsof hij met open zenuwen door het leven gaat, er op verdacht aan alle kanten aangevallen te kunnen worden, nooit veilig.

Maar dezelfde Peterson is de man die niet van losers houdt en zegt: niet janken en zeuren, de schouders eronder: ‘Toughen up, you weasel.’ Van deze Peterson moeten we ‘rechtop staan met de schouders naar achteren om met wijd open ogen de verschrikkelijke verantwoordelijkheid van het leven te accepteren.’ Voor deze Peterson staat een loser ‘laag op de dominantie-ladder.’ En dominantie en hiërarchie zijn belangrijk in het leven, zo heeft Peterson van de evolutie geleerd.

De vraag is waar deze overbewustheid van een psycholoog voor de ellende van het bestaan, gecombineerd met die parmantige schouders die eronder moeten, vandaan komt. Deze vraag is wat op de achtergrond geraakt, doordat Peterson zelf zo op de voorgrond is komen te staan, omdat hij publiekelijk weigerde om transgenders aan te spreken met een voor hen passende aanspreekvorm. Dat werd door hem in het kader van de identiteitspolitiek en de vrije meningsuiting getrokken, en zo raakte het hek van de dam en werd Peterson geliefd bij nieuw rechtse jongeren, hoewel hij zegt daar niets mee te maken te willen hebben.

Door voortdurend te doen alsof we aan een draadje hangen tussen chaos en orde, goed en kwaad, creëert Peterson een sfeer van catastrofe die vooral jonge mannen aanspreekt.

Don’t whine

Het valt niet te ontkennen dat Peterson in zijn boek 12 Rules for Life. An Antidote to Chaos genoeg munitie aandraagt om die inlijving door nieuw rechts te rechtvaardigen. Het antwoord op de vraag waarom Peterson zo in termen van oorlog en vrede denkt is in het boek vooral te vinden in de passages die gaan over Carl Gustav Jung, de psychoanalyticus die vooral bekend is van het collectief onbewuste en de kracht van eeuwenoude mythes die nog door zouden werken tot in onze tijd. En van de grote zwevende tegenstellingen die altijd in elkaars gezelschap te vinden zijn, zoals oorlog en vrede, hemel en hel, goed en kwaad, chaos en orde. In de geest van Jung geldt voor Peterson: als er een hemel is, dan is er ook een hel. Of om het in Jungs eigen woorden te zeggen: ‘Geen boom kan tot de hemel groeien zonder dat zijn wortels tot in de hel reiken.’ In deze symbolische taal schrijft Peterson ook vaak.

Carl Gustav Jung in 1910. Fotograaf onbekend, bron: Wikimedia.

Door voortdurend te doen alsof we aan een draadje hangen tussen chaos en orde, hemel en hel, goed en kwaad, creëert Peterson een sfeer van catastrofe die jongeren, en dan vooral jonge mannen aanspreekt. Hij jaagt ze daarmee de therapeutische stuipen op het lijf: ze doen het nooit goed genoeg. Op zijn veelbekeken videocolleges is het alsof Peterson zijn gedachten op hetzelfde moment uit zijn tenen naar boven haalt, wat hem niet meteen tot een gladde spreker maakt. Maar Peterson heeft twee gezichten: het ene vertegenwoordigt de nieuwsgierige onderzoeker, die de Bijbel graag uitpluist en met God goochelt. Dat is dezelfde die zich aansluit bij de suggestieve, ongrijpbaar diepe wereld van Jung. En die zich alsnog (erg cursorisch en wat laat) verdiept in het postmodernisme van Jacques Derrida, het communisme van de Rode Khmer en in het communisme zoals beschreven door Aleksandr Solzjenitsyn. Door het postmodernisme hebben de jongeren nu geen waarden meer en zijn ten prooi aan de chaos, zegt hij. Door het communisme en marxisme denkt men nu in termen van slachtofferschap, speciaal door minderheden. Vandaar zijn oproep tot een rechte rug en dat verraderlijk suggestieve ‘niet janken’ (‘don’t whine’).

Aleksandr Solzhenitsyn Foto: Bert Verhoeff/Wikimedia.

De profeet

Het andere gezicht van Peterson laat de profeet zien die aan het einde van zijn boek het licht brengt en met een symbolisch lichtgevende pen goede adviezen geeft aangezien ‘we’re all in the dark, after all, much of the time.’ Peterson maakt daarvoor gebruik van alles, zelfs van zijn vrouw, zijn hond, zoon en dochter, orerend en retorische vragen stellend waarop iedereen het antwoord al weet: Zal ik mijn zoon aanmoedigen een ware Zoon van God te zijn? Wat doe ik met de vreemdeling? Wat zal ik doen met de gevallen ziel? Hoe zal ik mijn volk onderwijzen? (‘Deel met hen de dingen die echt belangrijk zijn’). Als een ware kanselprediker krijgt de lezer een hoge rol te spelen met deze peptalk: ‘We verdienen respect. Jij verdient respect. Jij bent belangrijk voor andere mensen, net als voor jezelf. Jij hebt een vitale rol te spelen bij het zich ontvouwen van het lot van de wereld.’ En wat valt er in te brengen tegen ‘it would be good to make the world a better place’? Wat valt er in te brengen tegen ‘jij kunt helpen de wereld een richting te geven (…) een beetje meer naar de Hemel en een beetje meer weg van de Hel’, behalve dat het van een wegwaaiende algemeenheid is? Voor dat helpen moet je wel de Hel onderzocht hebben, speciaal ‘je eigen individuele Hel.’

Peterson jaagt jongeren de therapeutische stuipen op het lijf: ze doen het nooit goed genoeg.De mens is bij Peterson tegelijk een onderkruipsel dat bekend moet zijn met zijn eigen individuele Hel, als een held naast God die van de wereld een beter oord mag maken. Voor dat laatste heeft hij de natuur en de evolutie nodig. Die zeggen dat er sinds mensenheugenis ‘dominance hierarchies’ bestaan, essentiële en permanente kenmerken van het leven waaraan het hele complexe bestaan zich heeft aangepast. Met andere woorden: het is heel gewoon om in hiërarchieën te denken, het gebeurt in de hele natuur al een half miljard jaar. ‘Dominance hierarchies are older than trees.’ Kijk naar de kreeften die elkaar voortdurend aan het onderwerpen zijn. Net als verslagen kreeften, zakt onze houding in elkaar als we verslagen zijn, ons serotinine-gehalte en ons zelfvertrouwen zakken tot nul.

Er zit volgens Peterson in ons brein een deel dat in de gaten houdt hoe onze positie in de dominantie hiërarchie er voorstaat. Onder het brein, ‘deep within you’, ver beneden je gedachten en gevoelens, zit er ook nog een rekenmeester die in de gaten houdt wat je positie in de samenleving is, op een schaal van een tot tien. Ben je een nummer één, dan ben je een ‘overwhelming succes’ en komt alles je aanwaaien, ‘desirable females’, c.q.. ‘high quality suitors’ tot ‘the highest-quality food’. Zorg niet dat je op bodem van de dominantie hierarchie terecht komt want daar is het ‘a terrible, dangerous place.’ Zorg dus dat je een geen slechte eigenschappen ontwikkelt. Eet en slaap vooral goed, anders kan het zomaar misgaan.

Therapeut voor de ratrace

Peterson creëert een zenuwenwereld van permanente alertheid op aanvallen door concurrenten, in welke levensfeer dan ook. Dat moet wel zorgen voor een angstig en schichtig bestaan. Het nemen van persoonlijke verantwoordelijkheid en het aansporen tot ‘zelfverbetering’ krijgt daardoor iets pathologisch, alsof men permanent tekort schiet in de race om de dominantie. Peterson is een therapeut voor de ratrace. Vandaar dat hij een pleidooi houdt voor masculiniteit, om die zenuwenwereld spierballen te geven. De evolutie zegt hem dat de mannelijke dominantie zijn vruchten heeft afgeworpen en nog steeds voor stabiliteit zorgt. Hij wil niet zien dat het alleen maar is omdat vrouwen lang niet de kans hebben gekregen om te laten zien hoe goed ze voor stabiliteit kunnen zorgen, dat het niet voor in ons hoofd zit. Maar inmiddels begint daar verandering in te komen. Peterson geneert zich niet om nog aan te komen met het Jungiaanse verband tussen orde en masculiniteit. Dat zou deep down in de evolutie zijn verankerd. ‘Jij’ bent immers ‘een product van een oneindig ontwikkelingsproces van het verleden.’

Peterson geneert zich niet om nog aan te komen met het Jungiaanse verband tussen orde en masculiniteit.Een beroep doen op de psychologie en mythologie van Jung is een belegen conservatieve manier om zogenaamd iets eeuwigs over de mens en zijn bestaan te zeggen, iets dat voorgoed is vastgelegd en niet meer door het leven gewijzigd kan worden. Zoals die dominante mannelijkheid of die orde waarvoor de man zou zorgen. Maar het blijft niet bij die mannelijkheid. Verwarrend wordt het wanneer Peterson gaat worstelen met de Bijbel. De ‘we’ waar hij het steeds over heeft wil het bestaan ook iets  verbeteren (‘the Improvement of Being’). Daarvoor moeten we de ‘verschrikkelijke en vaak arbitraire macht’ van God van het Oude en Nieuwe Testament even vergeten en zelf besluiten dat we doen alsof het bestaan wordt gerechtvaardigd door ‘goedheid’. Dat is een ‘declaration of existential faith’ en een die tot niet weinig in staat is. Die zorgt er voor dat je ‘je nihilisme overwint, het ressentiment en de arrogantie.’ Zo werkt het, met niets meer dan een ‘existentieel geloof’.

De combinatie van therapeutische goedwillendheid (‘Is er iets in je leven dat je recht zou willen zetten?’), profetenallures, insisteren op de ‘tragedie’ van het bestaan, de nadruk op Bijbels lijden, op mannelijkheid en ‘durf gevaarlijk te zijn’, maar hou je wel verre van losers: dat zorgt bij elkaar voor een smakeloze hutspot waardoor jongeren ingepakt kunnen worden, al is het boek daar te dik voor (409 pagina’s). En dan is er nog aan het slot de weekdierenprietpraat van zijn symbolisch ‘lichtgevende pen’ waarmee zelfgestelde vragen worden beantwoord. Vraag: ‘Wat zal ik met deze pen schrijven?’ Antwoord: ‘Schrijf op wat je in je ziel gegraveerd wilt hebben.’ Vraag: ‘Wat zal ik morgen doen?’ Het antwoord: ‘Zoveel mogelijk goed doen in de kortste tijd.’

12 Rules for Life. An Antidote to Chaos door Jordan B. Peterson is uitgegeven door Allen Lane.

Dit is Carel Peeters’ 750ste Literaire Kroniek! En het is nog lang niet de laatste. De eerste kun je hier lezen over Jeremy Rifkin.