In de zo’n honderdvijftig pagina’s tellende briefwisseling uit de jaren 1961-1963 tussen Simon Vestdijk en Willem Brakman gaat het in elke brief over Vestdijks depressie. En over de door Brakman te organiseren pillen daartegen. Maar veel inzicht in hoe die depressie zich bij Vestdijk in het dagelijks leven manifesteerde krijg je uit de brieven niet. Het gaat alleen maar over de buitenkant, niet over waar het probleem huist: de binnenkant. Vestdijk heeft zich er geen enkele keer toe kunnen zetten om uit de doeken te doen dat hij (bijvoorbeeld) dagenlang wanhopig als versteend achter zijn bureau zat en zich volstrekt leeg voelde. Of dat hij zich (zoals gebeurd is) in een donker gemaakte kamer verschanste, met een deken over zich heen op een bank lag en als een hond gromde tegen iedereen die dreigde binnen te komen.

Tijdens zijn leven had Vestdijk zo’n 30 à 40 keer een ‘endogene depressie’, te beginnen op zijn zeventiende jaar. ‘Endogeen’ omdat zijn depressies geen oorzaak of aanleiding van buiten nodig hadden: ze zaten ingebakken in Vestdijks constitutie. Ze kwamen zomaar op en konden zomaar verdwijnen, al kon dat wel een jaar of langer duren. Ze waren ondertussen wel te behandelen, maar met wisselend resultaat, in het geval van Vestdijk vooral met het antidepressivum Tofranil, maar toen was hij al 64 jaar. Voor hij in 1962 door Tofranil werd ‘gered’ probeerde hij het met een stoet andere raadselachtige middelen, zoals Atarax, Tryptizol, Largactil, Disipal, Prazine, Sarotex en Nozinan. Van depressies zoals die van 1946, 1962 en 1969 weten we uit brieven of getuigenissen van vrienden of vriendinnen als Johan van der Woude en Henriëtte van Eyk min of meer hoe ze zich hebben afgespeeld.

Bedelbrieven

De brieven aan Brakman in Gaven, giften en vergiften zijn voornamelijk ‘bedelbrieven’ om een nieuw voorraadje pillen. Om aan die ‘gaven en vergiften’ te komen had Brakman als arts zo zijn eigen wegen. Vestdijk vraagt er half schertsend om, maar wel met een urgente ondertoon omdat zijn voorraadje regelmatig aan het opraken is. Hij wil ‘farmacologisch niet naakt door het leven gaan’.

Vestdijk zou als schrijver niet hebben bestaan als hij zijn depressies niet had gehad. Hij schreef om niet depressief te worden. Hij schreef om de depressies te vlug af te zijn. Hij beschouwde zichzelf als een permanente neuroot. Hij moest dwangmatig schrijven, tot zijn vingers er stuk van werden. Al schrijvend, denkend en verbeeldend hield hij zichzelf op de been. Aan Henriëtte van Eyk, een van zijn geliefden, schreef hij: ‘Als ik deze grapjes niet had, was ik een totaal ander mens, met andere gevoeligheden, waarschijnlijk zonder speciale talenten, etc. – en ik zou nooit verliefd op jou geworden zijn en jij niet op mij! Zo draai je in een cirkel rond; zonder depressie was ik “ik” niet.’

De vader zegt tegen zijn zoon dat hij zijn ‘wil’ moet mobiliseren tegen zijn depressiviteit. Maar de jongen denkt zelf dat zijn wil wel eens ziek zou kunnen zijn

De meeste aanwijzingen voor wat Vestdijk tijdens een depressie  (‘de hel op aarde’) onderging zijn niet te vinden in de brieven, maar in het tweede hoofdstuk van de niet afgemaakte roman De persconferentie. De (duidelijk autobiografische) hoofdpersoon voelt bij een depressie ‘de meest ondraaglijke vertwijfeling’. Hij ondergaat ‘een ellendig gevoel van opgejaagdheid’. Er heeft een ‘enorm schuldgevoel’ bezit van hem genomen. Hij is radicaal ‘mensenschuw’ en heeft ‘een tergend minderwaardigheidsgevoel’. De vader zegt in het verhaal tegen zijn zoon dat hij zijn ‘wil’ moet mobiliseren tegen depressieve gevoelens. Maar de jongen zelf denkt dat zijn wil zelf wel eens ziek zou kunnen zijn.

Dat is wat er aan de hand is bij Vestdijks depressies: zijn wil doet het niet meer. Hij is leeg, er zit niets meer in hem. De mate waarin Vestdijk zijn toestand onder ogen ziet en tegelijk schertsend bagatelliseert (‘deze grapjes’) geeft aan hoe beroerd het dan met hem gesteld is. Een bepaald medicijn noemt hij ‘nog steeds een grappig stofje’, heel geschikt voor het ‘neuroseclubje’ dat hij samen met zijn vriend Nol Gregoor en Brakman vormt.

Simon Vestdijk, 1940. Foto: Nationaal Archief
Het wezen van de angst

Omdat Vestdijk in 1969 al een paar jaar getrouwd is en twee kleine kinderen heeft vindt hij niet dat hij met zijn depressie de hele dag in zijn ‘nest’ kan blijven liggen, al is dat wat hij eigenlijk wil. Zoals in 1946, toen hij volgens een van zijn vrienden, Johan van der Woude, ‘als een Oblomov in het donker in een zijkamertje boven lag, als een voddig man onder een berg vodden’. Volgens Wim Hazeu in zijn biografie van Vestdijk, was zijn toestand toen zo dat Van der Woude tegenover Henriëtte van Eyk alarm sloeg: ‘Tracht hem uit dat huis te krijgen. Neem een taxi, sleep hem mee, desnoods in z’n pyjama.’ Dat is Van Eyk toen niet gelukt omdat Ans Koster, Vestdijks huisgenoot in die tijd, haar tegen hield.

Wanneer de depressie van 1962/3 over is, raakt Vestdijk in een hyper creatieve staat die ervoor zorgt dat hij tussen maart 1963 en december 1965 de eerste versies van zes romans schrijft. En een boek over de componist Bruckner en het lange essay De zieke mens in de romanliteratuur. Iets vergelijkbaars onderging hij na zijn depressie in 1946 toen hij in slechts drie maanden de kladversie schreef van Het wezen van de angst, het boek waarop hij had willen promoveren en dat uiteindelijk bij publicatie in 1968 een kleine zevenhonderd pagina’s omvatte. Je zou denken dat iemand die zoveel last had van depressies daar wel iets persoonlijks over zou schrijven in een lang essay over de zieke mens in de literatuur en in een studie over de angst. Maar dat deed hij niet.

Vestdijk moet over de inhoud van zijn depressies niet te veel hebben willen weten en nadenken, behalve Tofranil hielp er toch niets tegen. In dezelfde geest vond Vestdijk dat een schrijver niet al te veel moest weten van zijn bedoelingen met de roman die hij aan het schrijven is.

Na de depressie van 1969 keek Vestdijk in de meest uitvoerige en openhartige brief aan Brakman terug op een periode waarin hij de dood herhaaldelijk als ‘een verlossing’ zag. Ook al had hij de beschikking over 1500 klassieke platen, tijdens zijn depressie kon hij geen muziek meer horen. Elk geluid was hem zelfs te veel. Maar op een ochtend werd hij genezen wakker: ‘een feit, een wonder. God die zijn vergissing inzag en zijn eigen schoftenstreken goedmaakte.’

Deze brieven aan Brakman, hoe weinig ze ook om het lijf hebben, maken wel duidelijk dat Vestdijks schrijverschap grotendeels bevochten is op de depressies en op de angst ervoor. Vestdijk behoort daarmee tot de categorie grote zieke schrijvers (Baudelaire, Nerval, Maupassant, Jules de Goncourt) die gezond waren zolang ze schreven. 

Gaven, giften en vergiften. Brieven door Simon Vestdijk en Willem Brakman, ingeleid en samengesteld door Nico Keuning, is uitgegeven door Querido.