Aan het woord ‘republiek’ zit een aangenaam vrijgevochten kant: zodra het woord valt denk je aan onafhankelijkheid, er niet helemaal bij horen, een eigen weg gaan. Wanneer het begrip ‘Republiek der Letteren’ opduikt kun je er daarom zeker van zijn dat die letteren een zekere afstand hebben ten aanzien van de rest van de wereld: hier wordt alles vanuit de republikeinse vrijheid bekeken met een mengsel van betrokkenheid en distantie. Het is het domein waar gedachten hun eigen gang kunnen gaan, niet gehinderd door belangen, afhankelijkheden of dienstbaarheden. ‘Nergens geniet men grotere vrijheid’ schreef iemand in het jaar 1700, terugkijkend op twee eeuwen Republiek der Letteren.

Vanaf de eerste keer dat het begrip Respublica litteraria in het jaar 1417 werd gebruikt had het te maken met bevrijding. De Venetiaanse patriciër en humanist Francesco Barbaro sprak in een brief zijn bewondering uit voor Poggio Bracciolini. Die lichtelijk corrupte en cynische apostolisch secretaris van verschillende pausen had een specialiteit. Ter verrijking van de Respublica litteraria haalde hij met de nodige list en brutaliteit in oude kloosters in Duitsland, Zwitserland en Frankrijk manuscripten van de klassieke schrijvers boven water. Zoals De Rerum Natura (De natuur van de dingen), het verloren gewaande boek van Lucretius (99 – 55 v. Chr.) waarin alles in de wereld op een materiële manier wordt beschreven, zonder er religieuze betekenissen aan te hechten. Bevrijd van de dogmatische christelijke scholastiek bepaalde dit boek, samen met de herwaardering van de klassieken, het gezicht van de Renaissance en het humanisme.

Giovanni Francesco Poggio Bracciolini. Mary Evans Picture Library/Hollandse Hoogte

Het ging in de Republiek der Letteren, als de informele internationale gemeenschap van geletterden tussen 1500 en 1760, om het koesteren van alle vormen van kennis. Alle wetenschappen, muzen en alle kunsten vielen er onder, van filologie tot astronomie, van Bijbelstudie tot botanie, van filosofie tot anatomie en geneeskunde. Het was een even virtuele als reële kennisgemeenschap van geleerden, erudieten en geletterden. Men hoefde niet van stand te zijn, het ging om de adel van de geest. In de praktijk was het wat minder, maar principe was het een ‘gemeenschap van gelijken.’

Volgens Hans Bots in De Republiek der Letteren. De Europese intellectuele wereld 1500-1760 zijn er vier perioden in de geschiedenis van de Republiek der Letteren te onderscheiden: in de vijftiende eeuw lag het accent op de humanistische belangstelling voor de klassieke Latijnse een Griekse literatuur en filosofie. In de zestiende eeuw was de aandacht door de Reformatie vooral gericht op de Bijbel en de kerkvaders. In de zeventiende eeuw beleefden de natuurwetenschappen een bloei en in de achttiende eeuw nestelde de Republiek der Letteren zich in de kleine republiekjes van de letterkundige genootschappen. Tegen het einde van de achttiende eeuw lag het accent niet meer op de steeds specialistischer wordende geleerden, maar op de schrijvers, dichters en de genootschappen van nieuwsgierige burgers. Die konden nog een beetje universeel zijn.

Voor Erasmus was de Respublica litteraria aan het eind van de vijftiende eeuw al een vertrouwd begrip. Hij beschouwde het als een wereld die zich onttrok aan het kleingeestige en lichtelijk achterlijke Christendom van de monniken. Dat wilde niets van vooruitgang en kennisvergroting weten. De klassieken verruimden zijn wereld. Erasmus werd als onafhankelijke geest in de zestiende eeuw de personificatie van de Republiek der Letteren. Hij had zo’n vijfhonderd hoog- en laagstaande vrienden, kennisen en vijanden in heel Europa. Daarmee correspondeerde hij dagelijks.

Desiderius Erasmus. Mary Evans Picture Library Ltd./Hollandse Hoogte

De Republiek der Letteren speelde zich vooral af aan de universiteiten die vanaf het laatste kwart van de zestiende eeuw ontstonden. En in de omvangrijke correspondenties die werden gevoerd door de geleerden onderling, van Rome tot Londen, van Bazel tot Leiden. Uitgeverijen, drukkerijen en boekhandels waren essentieel voor de verspreiding van kennis. En de tijdschriften die vanaf het midden van de zeventiende eeuw voor intensieve kennisuitwisseling zorgden, met Pierre Bayles Nouvelles des République des Lettres (1684) als spreekwoordelijk voorbeeld. Het is passend dat Bots Leiden als voorbeeld heeft genomen om de geest van de Republiek der Letteren te schetsen. Daar heerste vanaf het begin een republikeinse mentaliteit: er werd op een eclectische manier door Lipsius, Vossius en Scaliger filosofisch onderwijs gegeven volgens het motto: ‘Plato en Aristoteles zijn mijn vrienden, maar het is nog beter de waarheid als vriend te hebben.’

Men had daar weinig religieuze fanatiekelingen, was uit op verzoening van tegenstellingen en was eerder praktisch dan theoretisch gericht. Dat uitte zich in de aanwezigheid van een hortus botanicus, een anatomisch theater, van kabinetten met naturaliën en een sterrenwacht. Helaas werd deze vrijzinnigheid rond 1610 ruw verstoord door het theologische conflict over de genadeleer tussen de precieze Gomaristen en rekkelijke Arminianen. Dat werd door de preciezen tijdens de Synode van Dordrecht (1619) gewonnen, wat betekende dat twee rekkelijke hoogleraren, Barlaeus en Bertius, ontslagen werden. In 1632 zou Barlaeus bij de opening van het Athenaeum Illustre in Amsterdam zijn beroemde rede Mercator Sapiens houden, over de ‘denkende koopman.’

Caspar van Baerle (Barlæus). T. Matham/Wikimedia Commons

Bots geeft een mooi overzicht van de intellectuele thema’s die in de Republiek opdoken (al valt hij erg vaak in herhaling), maar ook van de polemieken, van de uitgevers, van de ‘kringen’ waar geleerden elkaar ontmoeten. En welke denkers het onderzoek en denken voortstuwden en wie er voor stagnatie zorgden. Francis Bacon, die rond 1600 objectief onderzoek en het experiment in de wetenschap introduceerde, had een enorme uitstraling. Overal ontstonden academies in zijn geest. Men moest in de Republiek lang wennen aan de nieuwe kosmologie en het heliocentrisme van Galilei. Descartes zorgde met zijn methodische twijfel voor proefondervindelijke objectiviteit en wees het denken een hele nieuwe richting.

Daar werd in de hele Europese Republiek der Letteren eindeloos over gediscussieerd, speciaal aan de Utrechtse Universiteit door de orthodoxe Voetius en de elastische Regius. Voltaire populariseerde de ideeën van Newton nadat hij in Leiden college had gelopen bij Boerhave en s’-Gravesande. Uitgevers als Johan Blaeu, Reinier Leers en Elzevier maakten met hun boeken de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tot ‘de intellectuele voorraadschuur van Europa.’ Nederland domineerde in de tweede helft van de zeventiende eeuw het intellectuele debat. De gebroeders Jacques en Pierre Dupuy, de bibliothecarissen van Bibliothèque Nationale in Parijs, correspondeerden met geleerden uit de hele wereld en ontvingen ze dagelijks gastvrij in hun kabinet om het laatste nieuws uit de Republiek der Letteren te becommentariëren.

Hoe mooi, onbekrompen geïllustreerd en veelomvattend Bots’ geschiedenis van de Republiek der Letteren ook is, het is vooral een rijk inventariserend overzicht dat minder levendig uitpakt dan had gekund. Bots stipt ontzettend veel aan, maar maakt te bescheiden gebruik van de mogelijkheden om bepaalde figuren of kwesties meer kleur te geven. Bijvoorbeeld door uit de vele briefwisselingen die hij noemt te citeren. Zoals uit de tienduizend brieven van Nicolas-Claude Fabri de Pereisc (1580-1637), door Bots ‘een van de grootste epistolaire talenten uit de zeventiende eeuw’ genoemd. Maar we krijgen geen snipper van hem te lezen.

Bots stipt ontzettend veel aan, maar maakt te bescheiden gebruik van de mogelijkheden om bepaalde figuren of kwesties meer kleur te geven.

De geschiedenis van de Republiek der Letteren is, afgezien van het beoefenen van eendrachtige wetenschap, ook een geschiedenis van langdurige conflicten, van ingrijpende intellectuele vetes. Zoals over de scheiding van kerk en staat. Of de tanende invloed van de religie op de wetenschap. De mechanisering van het bestaan. En de voor- en nadelen van vooruitgang. Bots heeft wel een paragraaf over polemieken, maar blijft daarin erg aan de buitenkant. De Querelle des Anciens et des Modernes (de strijd tussen klassieken en modernen rond 1700) wordt wel genoemd maar niet behandeld als een groot en langdurig debat over conservatisme en vooruitgang, vooruitwijzend naar de Verlichting.

Pierre Bayle komt vaak in het boek voor, maar niet dat hij werd ontslagen bij de Illustere School in Rotterdam vanwege zijn niet meer honderd procent calvinistische ideeën. Hij kreeg geen pensioen en mocht zelfs geen privélessen meer geven. Bayle veranderde de beeldvorming over de atheïsten. Bayle zei dat ze in deugdzaamheid allerminst onder deden voor gelovigen. Ook pleitte hij voor de scheiding van kerk en staat. Het conflict tussen Leibniz en Newton over de differentiaalrekening is nog pikanter dan Bots schetst. Allebei kraakten ze elkaars werk in het openbaar af, terwijl ze deden alsof het een objectieve instantie (de Royal Society) was die dat deed. Bots verwijst zo vaak naar brievenuitgaven waarin deze conflicten uitgevochten worden dat je verlangt naar citaten uit die brieven.

Pierre Bayle. Rue des Archives SAS/Hollandse Hoogte

Bots eindigt zijn geschiedenis in het 1760, het jaar dat in Nederland het Letterkundige Genootschapsleven ongeveer zijn hoogtepunt bereikte. De geleerde wereld van de Republiek der Letteren was geleidelijk aan opgedeeld in verschillende specialismen. Het verlangen nog een ‘universele geest’ te kunnen zijn moest worden opgegeven. De Republiek der Letteren bestond rond 1760 uit gegoede nieuwsgierige burgers en niet al te hoog vliegende schrijvers en dichters die zich in spectatoriale geschriften, jaarboeken en almanakken hobbyistisch uitleefden ter meerdere glorie van de beschaving. De Republiek der Letteren verburgerlijkte, maar werd van tijd tot tijd opgeschrikt door satirische dwarsliggers als Jacob Campo Weyerman.

In de twintigste eeuw heeft de specialisatie van de kennis zo’n vlucht genomen dat het algemene, universele, filosofische denken van de weeromstuit terugkeerde en een eigen leven ging leiden, ver weg van de harde wetenschappen. Nu, in de eenentwintigste eeuw, bestaat de Republiek der Letteren uit iedereen die graag denkt, leest en schrijft. Zij voelen zich net iets beter en vrijgevochten dan wie niet denkt, leest of schrijft. Een beetje hiërarchie moet er zijn.

De Republiek der Letteren. De Europese intellectuele wereld 1500-1760
Door Hans Bots en uitgegeven door Uitgeverij Vantilt.
ISBN 9789460043727, 223 p., €22,50.