Bij de titel De vrolijke wetenschap denk je al gauw aan jongens met koptelefoons op die in een wirwar van draden, stekkers en computers bezig zijn iets uit te vinden dat hen een geheel nieuwe kijk op de wereld moet geven. Maar het is de titel van het boek van Friedrich Nietzsche waarin hij na het sombere Morgenrood van 1881 de wereld met een nieuwe monterheid tegemoet treedt.
In dit boek aanvaardt Nietzsche zijn lot als een filosoof die elk jaar enkele maanden door een diep dal van depressie moet om er daarna met nieuw élan weer een tijdje bovenop te komen in Nice of Genua, als het maar zuidelijk is. Het uit kleine en grotere aforistische paragrafen bestaande boek verscheen in 1882. Vijf jaar later voegde hij er een deel aan toe waarin hij die nieuwe monterheid pas echt de ruimte geeft. Hij wilde het leven nu ‘affirmatief’ tegemoet treden, wat betekende dat hij niet langer ‘nee’ tegen het leven zei, maar ‘ja.’
God is dood
Nietzsche voelde zich door ‘een nieuw ochtendgloren beschenen’ omdat hij aan den lijve merkte wat het voor hem was gaan betekenen dat hij via ‘de dolle man’ God dood had laten verklaren in de inmiddels beruchte paragraaf 125 van De vrolijke wetenschap. ‘God is dood en wij hebben hem gedood!’, roept de dolle man naar de verbaasde omstanders op het dorpsplein. Ook al weet hij dat het tientallen decennia zal duren voor die kennis zal zijn ingedaald en verwerkt door de gelovige breinen, Nietzsche voelt zich ondertussen zelf bevrijd. ‘Wij filosofen, wij vrije geesten’, wij voelen geluk, verlichting, opmontering, bemoediging en verbazing. De horizon is weer vrij, we kunnen weer uitvaren en de gevaren onder ogen zien: ‘misschien heeft er nog nooit zo’n open zee bestaan.’
Bevrijd, maar wel tegelijk ontheemd omdat God er niet meer is. Nietzsche geloofde, als zoon van een dominee, al lange tijd niet meer in hem. En ook ontheemd omdat hij, wat hij noemt, ‘tot de eerstelingen en vroeggeborenen van de komende eeuw’ behoort. Die weten van de dood van God en het is ook al tot ze doorgedrongen. Dat staat de rest van Europa en de wereld nog te wachten. Daar komt bij dat Nietzsche zich bovendien helemaal niet thuis voelde in zijn tijd. Deze montere Nietzsche is omgeven door een ‘decadente’ tijd van, in zijn eigen woorden, ‘intense verzwakking, van vermoeidheid, van ouderdom, van kwijnende kracht’.
Een democraat was Nietzsche niet. Hij noemt zich ‘allerminst liberaal’ en gelooft niet in ‘gelijke rechten’.
Dat staat haaks op hoe Nietzsche is gaan denken over de inrichting van de wereld. De bevrijde de ‘arts van de cultuur’, die nog nooit zo’n open zee voor zich had gehad, ziet in De vrolijke wetenschap de vrijheid toch niet voor iedereen in dezelfde mate weggelegd. Een democraat was Nietzsche niet. Hij noemt zich ‘allerminst liberaal’, gelooft niet in ‘gelijke rechten’ en het spreekt hem niet aan dat er in de toekomst ‘geen heren en geen knechten’ meer zouden zijn.
Gerechtigheid en eendracht op aarde zou tot ‘de diepste middelmatiging’ leiden. In een vreemd kinderlijk toontje schrijft hij dat ‘wij’ (de ontheemden) blij zijn ‘met alle mensen die, net als wij, het gevaar, de oorlog, het avontuur liefhebben’. Dat zijn mensen die zich niet ‘tevreden’ laten stellen, niet laten ‘vangen’, ‘verzoenen’ of ‘castreren’. Zij rekenen zichzelf tot ‘de veroveraars’ die in de nieuwe ordening ook ‘een nieuwe slavernij’ voorzien. Want, bij elke ‘versterking van en verhoging van het type “mens” hoort ook een nieuw soort slavernij – nietwaar?’

Oorlog tegen de ‘zwakheid’
Na zo’n honderdvijftig jaar doet dit rollen met spierballen lichtelijk komisch aan. Maar Nietzsche meende het op zijn manier wel. De altijd ziekelijke, maar niet zieke Nietzsche kon niet tegen ‘zwakheid’ en werd onpasselijk van ‘medelijden’, een woord dat hij gelijkstelde aan de hele geschiedenis van het christendom. Hij wilde altijd sterk zijn. Er moest ook ‘oorlog’ gevoerd worden, al noemde hij geen namen van landen die met elkaar op de vuist moesten. Als bewonderaar van Napoleon voorzag hij een heropleving van de mannelijkheid in Europa.
Met deze mannelijkheidscultus compenseerde Nietzsche zijn eigen niet bepaald masculiene inborst. Hij verwelkomde de tekenen die erop duiden dat ‘een mannelijker en krijgshaftiger tijdperk’ aanbreekt dat ‘dapperheid’ weer aanzien zal geven. Dat was onderdeel van een heroïsch mensbeeld. Er bestond voor Nietzsche een ‘hogere mens’ voor wie alles eerst pijn moest doen om van waarde te kunnen zijn. Medelijden hoorde daar niet bij, dat was iets voor prostituees. Daar bereik je geen ‘hoger tijdperk’ mee ‘dat het heldendom de kennis binnenleidt en dat oorlogen voert vanwege gedachten en de consequenties daarvan.’
Niemand zal volgens Nietzsche ‘iets groots’ bereiken ‘als hij niet de kracht en de wil in zich voelt om groot leed te berokkenen.’ De ‘sterkste en boosaardigste geesten’ zouden de mensheid tot dusver het meest vooruit geholpen hebben. Aspirant helden zijn mensen die in staat zijn ‘zwijgend, eenzaam en vastbesloten te zijn’. Het zijn mensen die ten diepste overtuigd zijn van wat er ‘overwonnen’ moet worden, vol verachting voor de ‘grote ijdelheden,’ schrijft hij in de krijgshaftige paragraaf 283.
Een dubbelzinnige levensvisie
Je denkt dat Nietzsche met deze martiale taal alleen maar in inspirerende metaforen praat, dat hij niet echt oorlog wil gaan voeren. Maar hij wilde het echt én hij wilde het tegelijk alleen maar bij wijze van spreken. Het is in de eerste maanden van de Eerste Wereldoorlog door menigeen opgevat als een aansporing om aan de oorlog mee te doen: om af te komen van wat men de generale gezapigheid in de wereld noemde. Maar wat lezen we twee paragrafen verder bij Nietzsche, in paragraaf 285? De dood van God leerde Nietzsche dat hij geen geloof meer kon hechten aan ‘definitieve waarheden’ want die bleken maar al te veranderlijk. Hij staat zichzelf niet toe ‘halt te houden voor een definitieve wijsheid, een definitieve goedheid, definitieve macht.’ Zijn gedachten mogen niet tot rust komen. Nietzsche zal altijd een ‘zoeker’ blijven.
Ergo: die oorlogzuchtige taal en die bijbehorende koude helden zouden wel eens slechts voorbijgaande oprispingen kunnen zijn.
Wat Nietzsche hier schrijft is tot op het bot ambigue, dubbelzinnig. Hij meent het letterlijk en hij meent het ook niet want hij staat zichzelf niet toe stil te staan bij een ‘definitieve wijsheid’. Maar in een oorlog moet je weten wat je wil, twijfelen kan niet. Je zou denken dat iemand die het met oorlog en de vuist af kan geen grote behoefte meer heeft aan ‘kennis’. Maar nee, Nietzsche behoudt een enorme ‘dorst naar kennis’. En hij ondergraaft van harte zijn eigen martiale taal wanneer hij schrijft dat ‘de stap der stappen’ voor de ‘hogere mens’ het vermogen is ‘om tegen te kunnen spreken’. Hij spreekt zelf tegen en gaat er vanuit dat hij tegengesproken zal worden.
Door die oorlogstaal zou je kunnen denken dat Nietzsche van de mens en de mensheid houdt: dat hij het daarvoor doet.
Door die oorlogstaal zou je kunnen denken dat Nietzsche van de mens en de mensheid houdt: dat hij het daarvoor doet. Maar tot die mensheid behoort ook de Duitse geest. Die krijgt het in De vrolijke wetenschap behoorlijk te verduren. Hij heeft er niet veel mee op, beheerst als die wordt door nationalisme en rassenhaat. Het zijn ‘de ontheemden’, zoals Nietzsche, de mensen die te ‘divers’, ‘gemengd’ en ‘modern’ zijn om deel te nemen aan ‘dat leugenachtige rassennarcisme, aan die rassenontucht’ waarmee Duitsland paradeert als teken van Duitse mentaliteit (en waar zijn antisemitische zuster Elisabeth aan meedeed).
‘Overal waar Joden aan invloed hebben gewonnen’, zette Nietzsche daar tegenover, ‘hebben ze geleerd verfijnder te onderscheiden, scherper te argumenteren, helderder en zuiverder te schrijven.’ De ‘ontheemden’ zijn voor Nietzsche de ‘goede Europeanen’, de ‘erfgenamen van Europa, de rijke, met goederen overladen, maar ook ruimschoots met verplichtingen bemeten erfgenamen van duizenden jaren van Europese geest.’
De vrolijke wetenschap is een van die boeken waarin geen lijn lijkt te zitten. Die zit er wel en niet in. Die lijn gaat er pas in zitten na het regelmatig herkauwen van menige paragraaf. Nietzsche is, zoals zijn biograaf Rüdiger Safranski zegt, ‘de meester van het indirecte’. Hij geeft zijn filosofie niet altijd meteen prijs, je moet hem zoeken. Je moet hem regelmatig ook wel op zijn eerste stellige woord geloven. Daardoor ontstaan de tegenspraken: dat hij niet in definitieve waarheden gelooft, maar wel definitief zegt dat er oorlog gevoerd moet worden. En dat we in een, positief bedoelde, agonale wereld leven waarin ‘gevaarlijk’ geleefd moet worden. Het is door dit soort ambiguïteiten dat Nietzsche zijn lezers zelf laat filosoferen: ze moeten voortdurend hun eigen verstand aanspreken. Dat zorgt bij hemzelf en bij zijn lezers voor een ‘verfijnde prikkelbaarheid’.
De vrolijke wetenschap door Friedrich Nietzsche is vertaald door Hans Driessen met een nawoord van Paul van Tongeren en uitgegeven door Vantilt.
ISBN 9789460043291, paperback, 14 x 22 cm , 352 pagina’s, € 22,50.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.