‘Jericho, Jericho’ schrijft Doeschka Meijsing in haar dagboek op 30 juni 1976, ‘Alle muren storten ineen. Alles vervalt tot puin.’ Het zijn niet de muren van haar nog maar twee maanden geleden betrokken huis in Langbroek die aan het instorten zijn. Integendeel: dat huis staat er stralend bij, omgeven door bloeiende bomen, veel stilte en groen.

Het is haar innerlijke huis dat bezig is in te storten: ‘Zelfmoord. Weggaan? Altijd ruzie, treurnis, moeheid.’ Wanneer deze woorden in En liefde in mindere mate, het eerste deel van haar dagboek, opduiken hebben we al tweehonderdvijftig pagina’s gehad waarin dat instortende innerlijke huis, waarvan Jericho het symbool is, aan het kraken is geweest, afgewisseld met intermezzo’s van milde of euforische opgewektheid.

Vastgeroeste geluksvogel

Meijsing is in 1976 tweeëndertig jaar. Vanaf haar twaalfde heeft ze regelmatig afgrondelijke gedachten van paniek en zelfverlies, ‘die zwarte angst van ratten.’ 17 oktober 1969: ‘Zo is bijna alles dood (of vastgeroest) in me, op twee dingen na. Het huilen zonder tranen diep in me, vierentwintig uur van de dag. (…) En ten tweede is de ambitie niet dood, die lijkt evenredig te groeien. Het resultaat van dit alles zal een afschúwelijke (ja, met de grote u van húwelijk) rancune zijn, een uitgemergelde rancune tegen alles en mezelf.’ Toch beschouwde ze zich als ‘een geluksvogel, altijd geweest.’

Meijsing werd al vroeg door haar omgeving als een al dan niet prettige ‘aanstelster’ gezien.

Alleen al dit eerste deel van het dagboek tot 1987 staat vol Sylvia Plath-achtige hopeloosheid. Wie de romans en verhalen van Meijsing enigszins kent zal de heftigheid en afgrondelijke diepte van deze gevoelens en gedachten niet hebben verwacht. Meijsing, dat was de schrijfster die, op basis van een hanteerbare melancholie, met de wetten van de verbeelding een draai aan de werkelijkheid wist te geven. Die zorgde voor een metaforische glans en stond tegelijk garant stond voor een soort inzicht in de werkelijkheid. Door alleen maar ‘Jericho, Jericho’ te schrijven weet de lezer bij haar hoe laat het is.

Meijsing werd al vroeg door haar omgeving als een al dan niet prettige ‘aanstelster’ gezien. Maar die aanstellerij was wel de opmaat voor het ontstaan van literatuur, voor de verbeelding en de waarachtige maskerade van haar literatuur. Daaronder bevond zich, heftiger dan zelfs haar broer Geerten kon vermoeden vóór de publicatie van het dagboek, de Doeschka ‘die niets liever wil dan huilen.’ Dat was de Doeschka ‘die steeds dieper kon zinken zonder er iets aan te kunnen doen.’

Met de figuur van Kate in De weg naar Caviano komt ze het dichtste bij de Doeschka van haar dagboek: ‘Ze was iemand van snelle, hevige stemmingswisselingen. Felle en scherpe woedeuitbarstingen werden ogenblikkelijk gevolgd door oprechte vrolijkheid, die van diep kwam. Onpeilbare melancholie werd afgesloten met grappen en ironie. (…) Kwam ze weer boven water dan was ze monter en vitaal en iedereen haalde opgelucht adem.’

Doeschka zorgt van tijd tot tijd voor de vitale afwisseling en weet de hevigheid van haar eigen zware depressies meestal achter te houden tegenover Geerten.

Liefdevolle rivaliteit: de brievenwisseling tussen Doeschka Meijsing en haar broer Geerten van augustus 1979 tot januari 2009, drie jaar voor haar dood in 2012, is één lied van klacht en lijden. Doeschka zorgt van tijd tot tijd voor de vitale afwisseling en weet de hevigheid van haar eigen zware depressies meestal achter te houden tegenover Geerten. Behalve, begrijpelijk, in de tijd van de inkrimping van de Vrij Nederland-redactie, die ook haar trof. En afgezien van de brief waarin ze de dagenlange strijd beschrijft hoe ze loskomt van de Prozac die het bij haar allemaal nog erger maakte en bij Geerten juist wonderen deed.

Doeschka is in deze brieven de sterkere (‘Als kleine broer zijn knieën kapot gevallen heeft, komt hij uithuilen bij grote zus’, schrijft Geerten). Zij heeft het materieel ook niet zo moelijk als Geerten, die met zijn romans en verhalen weinig verdient en vooral door vertalingen in leven blijft, veelal in Toscane samen met zijn jonge dochter Iris.

meijsing
Beeld: Hans Poel. Bronbeeld: Familie-archief Meijsing, National Library of Ireland and the Commons
Voor de ratten geschreven

Geerten Meijsing is iemand met een enorm talent die twee soorten romans schreef: hoogst erudiet, van classicisme doordrongen romans als de Erwin-trilogie, en van virtuoos geschreven toegankelijker werk met frivolere thema’s als de literaire wereld in De grachtengordel en Een meisjesleven. Voor het sterke en snijdende Tussen mes en keel vond hij de ideale vorm, al ging dat bijna ten koste van zijn leven, want de hoofdpersoon verschilt nauwelijks van Meijsing in het aantal plannen voor zelfmoord.

Geerten Meijsing heeft ook een talent om zijn eigen ruiten in te gooien, dwars te gaan liggen, zich te goed te voelen, de hoogste maar onmogelijke eisen te gaan stellen, antipathie op te wekken met zijn arrogantie, met niemand rekening te houden behalve met zichzelf (en Iris). Dat heeft hij gemeen met de door hem bewonderde en vertaalde George Gissing, iemand die het schrijven ‘a trade of the damned’ noemde.

Hoeveel prijzen of nominaties hij ook krijgt, hij vraagt nog steeds verongelijkt om erkenning.

De Erwin-trilogie, dat is wat Meijsing zijn ‘leventje waard maakt’, zoals hij zelf zegt, niet de verhalen van Veranderlijk en wisselvallig waarmee hij de AKO-prijs won. Dat noemde hij ‘mijn slechte boek, voor de ratten geschreven en de ratten zullen het wel lusten.’). Meijsing kan niet omgaan met waardering of goede recensies: dat zijn maar ‘schouderklopjes’, die maken hem niets uit. Hoeveel prijzen of nominaties hij ook krijgt, hij vraagt nog steeds verongelijkt om erkenning. Meijsing wil ook niet één schrijverspersoonlijkheid hebben: ‘mijn persoonlijkheid is iets heel anders dan mijn schrijverschap.’

In de brieven van Geerten in Liefdevolle rivaliteit gaat het afwisselend over gebrek aan geld, lekkende daken, grafstemmingen, afkicken, wellust, gebrekkige verwarming, depressie, wanhoop, ‘ik houd het niet meer vol’, isolement en verliefdheden. Afgezien van de verliefdheden, (hij beleeft ‘de gelukkigste week’ van zijn leven), zit Geerten constant literair (geen erkenning), geestelijk en materieel aan de grond.

Geerten beklaagt zich erover dat ze allebei altijd ‘een soort antipathie’ op de hals weten te halen met hun geschriften: ‘niemand is ooit loyaal met ons.’ Dat is natuurlijk niet verwonderlijk als met name Geerten, maar de boosaardige rancune-kant van Doeschka niet minder, in Liefdevolle rivaliteit de ene na de andere ex-geliefde, vriend, kennis, uitgever of collega afvallen, van zich afstoten of met onheuse praatjes zwart maken, tot en met het vertellen van akelige roddels.

Zonder familie

In Liefdevolle rivaliteit trekt Geerten zich meer op aan Doeschka dan andersom. Doeschka weet beter wat ze wil, Geerten is chronisch verongelijkt en zwalkende. Binnen de familie Meijsing zijn ze op elkaar aangewezen, want hun grootburgerlijke vader en moeder, hun broer en zus, denken heel anders over het leven en de kunst. ‘Ik ben zonder familie’, schrijft Doeschka, ‘maar dat ben ik au fond altijd geweest.’ Geerten ziet dat Doeschka beter in staat is consequent een plan uit te voeren, ook al wordt dat steeds moeilijker door het overmatige drinken. Zij is voor hem ‘het hoogste gericht.’ Doeschka heeft het over ‘rivaliteit’ tussen hen, Geerten spreekt van ‘een onverbiddelijke concurrentiestrijd.’

‘Jongen, zoek toch een vaste baan’, kreeg Geerten van zijn moeder te horen na vijfentwintig boeken (inclusief vertalingen) te hebben gepubliceerd.

Hoe Geerten zich niet bij een strak voornemen kan houden zie je aan het nawoord bij deze brieven, waarin hij zegt herinneringen op te willen halen aan hun vroege jeugd. Hoe aardig dat soms ook uitpakt, er moeten onderweg ook nog wat literaire instanties, personen en prijzen geguillotineerd worden.

Ook gaat het te veel over auto’s, ten koste van de herinneringen. En hij gaat ineens in op Doeschka’s minder aardige kanten, waardoor er iets wrangs ontstaat: dat ‘Amsterdam’ voor haar was, Italië voor hem, dat ze hem een aansteller vond (en hij haar een dweepster), dat ze geen eigen mening had, achter anderen aan liep. En dat de brieven een vals beeld geven van de waardering voor elkaars werk: de boeken die ze niet zo goed of slecht vonden komen niet ter sprake. Dat is allemaal waar, maar in de brieven zelf is Geerten zijn zus doorgaans louter toegenegen en prijst hij haar voortdurend.

De tragische zweem die over deze briefwisseling hangt is dat de ouders van Geerten en Doeschka Meijsing niet in hun artistieke leven waren geïnteresseerd: ze hadden er niets mee en zagen hun persoonlijke en artistieke problemen alleen als gezeur: ‘Jongen, zoek toch een vaste baan’, kreeg Geerten van zijn moeder te horen na vijfentwintig boeken (inclusief vertalingen) te hebben gepubliceerd. Doeschka’s homoseksualiteit werd lang niet geaccepteerd. Ook al was het geen echte bekrompen familie, haar geliefden mochten niet thuis komen. Geen wonder dat Geerten schrijft dat ze allebei ‘behept zijn met ragfijne, voortdurend overspannen zenuwen.’

Liefdevolle rivaliteit. De correspondentie tussen Geerten & Doeschka Meijsing is bezorgd door Nop Maas en uitgegeven door Querido.