Als iets het wereldbeeld van Frans Kellendonk beheerste, dan was het wel het idee van een ‘organische samenleving.’ Alles moest geworteld en gegroeid zijn, alles moest met elkaar samenhangen en elkaar daardoor in stand houden, als een familie. De samenleving moest een ‘lichaam’ zijn, zelfs een ‘mystiek lichaam’ naar analogie van de katholieke kerk zoals de apostel Paulus die oorspronkelijk voor ogen had. Die kerk werd bij elkaar gehouden door de kerkelijke geboden en rituelen, afkomstig van God en neergelegd in de heilige boeken en de katechismus. Zo zou een samenleving ook ingericht kunnen zijn.
Uit die organische samenleving van de kerk kwam bijvoorbeeld het huwelijk voort als de enige vorm voor het verwekken van kinderen, zodat er eeuwenlang geen ruimte was voor andere manieren van gezinsvorming. Ook de erfzonde moest elke gelovige op zijn schouders gaan dragen. Bij Kellendonk hield de erfzonde flink huis: het bezorgde hem een metafysisch schuldgevoel. Er kwam een ‘doemenis’ uit voort die over alles in zijn leven een zweem van onzuiverheid legde.
Zonder nog in een God te geloven verlangde Kellendonk terug naar de geborgenheid van de kerk.
Maar het ‘lichaam’ van de katholieke kerk sloot hem als homoseksueel uit: hij behoorde niet tot het mystiek lichaam omdat hij als homoseksueel het werk van God niet kon voortzetten met het verwekken van kinderen. Leendert Gijselhart krijgt van zijn zus Magda in de roman Mystiek lichaam te horen dat hij als homoseksueel slechts op ‘seksuele ruimtevaart’ gaat. Anders dan hij zal zij voortleven in haar kinderen en kindskinderen ‘tot in de eeuwen der eeuwen.’ Zonder nog in een God te geloven verlangde Kellendonk terug naar de geborgenheid van deze kerk.
In een niet-organische samenleving zijn het niet de kerkelijke geboden die de dienst uitmaken, maar de ideeën die mensen zelf hebben over de manier waarop de samenleving eruit zou kunnen zien: mensenwerk. Daarbij wordt natuurlijk rekening gehouden met allerlei natuurlijke en praktische gegevenheden, maar menselijke hoofden en de menselijke handen beslissen uiteindelijk.
Met name tijdens de Verlichting in de achttiende eeuw was men ervan overtuigd dat de ratio daar heel geschikt voor was. De samenleving was geen organisme, maar het gevolg van rationele reflectie en samenwerking. Kellendonk keerde zich tegen alles wat met de Verlichting te maken had. Hij steunde daarin zelfs openlijk kardinaal Simonis.
Uitgesproken homo, maar niet van harte
In de ontspannen en van degelijk inzicht in Kellendonks persoon en werk getuigende biografie van Jaap Goedegebuure wordt met recht ruim aandacht besteed aan Kellendonks jeugd en studietijd. Goedegebuure heeft het over veel kanten van Kellendonks werk en persoon, maar ziet ook duidelijke patronen. Hij beschouwt hem als iemand die al vroeg ‘tot in het diepst van zijn ziel’ dubbel was, verdeeld, ‘tegen de wereld en tegen zichzelf.’
Terwijl de samenleving om hem heen versplinterde, ontwikkelde zich in Kellendonk dat eenduidige verlangen naar een ‘bezield verband.’
De tegenstellingen in hem waren met elkaar verknoopt, vormden een eenheid. Hij was ongenaakbaar en kwetsbaar. Hij had een sterk gevoel van eigenwaarde, maar daaronder bevond zich een intense zelfhaat. Hij was verlegen én dominant (‘Hij wist perfect wat goed voor een ander was.’). Hij was uitgesproken homo, maar niet van harte. Hij verlangde erg naar liefde en gemeenschap, maar was arrogant en stug in de omgang – waar dan ook zijn romans De nietsnut en Letter en geest over gingen. Hoe bekend hij ook als schrijver werd, hij bleef een ‘loner’.
Toch moest hij niets hebben van ‘heilloos individualisme.’ Terwijl de samenleving om hem heen versplinterde, ontwikkelde zich in Kellendonk dat eenduidige verlangen naar een overkoepelende organische samenleving, een ‘bezield verband.’
Verkruimelend familieleven
Het is fascinerend om bij Goedegebuure te lezen hoe Kellendonk van jongs af op zoek is naar organische wortels, hoe het er al jong in zat. Omstreeks zijn dertiende maakte hij al een complete stamboom van de familie. De jonge hoofdpersoon van zijn debuut Bouwval droomt zich een illustere rij voorouders, waarvan hij de kroonprins zou moeten worden. Jammer dat de familie in verval en bouwvallig aan het worden is. Kellendonk ging een parallel zien tussen het verkruimelende familieleven en de versplintering in de samenleving.
Ook zijn katholicisme wilde hij door het lezen van Augustinus en andere kerkvaders organische achtergrond geven. Goedegebuure laat zien hoe Kellendonk vertrouwd raakte met het idee van de organische samenleving: door de hoogleraar Engelse letterkunde aan de Radboud Universiteit T.A. Birrell bij wie hij Engels studeerde in de jaren 1969-1974. Die was een sympathisant van F.R. Leavis (1895-1978), de dwarse en invloedrijke Engelse criticus en schrijver van boeken als The Great Tradition, The Common Pursuit en Culture and Environment. Daarin zijn zijn pleidooien voor de organische cultuur en samenleving te vinden.
‘De machine heeft de oude manier van leven verwoest.’
Leavis was een ‘luddist’, een sympathisant van de beweging die zich in de negentiende eeuw verzette tegen de opkomst van de machine. ‘De machine heeft de oude manier van leven verwoest’, schrijft Leavis. ‘Wat we hebben verloren is de organische gemeenschap en de levende cultuur die erdoor werd belichaamd. Volksdansen, volksliederen, Cotswold cottages, handgemaakte produkten zijn uitingen van een levenskunst, een geordende en gestructureerde manier van leven.’
Even fel als heilloos
Frans Kellendonk was te zeer onderdeel van het hedendaagse moderne bestaan om veel te voelen voor deze archaïsche manier van denken, maar in zijn historische algemeenheid vond hij in de organische, langs religieuze lijnen geordende samenleving zijn ideaal. Deze behoefte aan organische traditie werd bevestigd door zijn katholieke opvoeding en in zijn lectuur op het Dominicuscollege in Nijmegen, speciaal van Augustinus’ Belijdenissen en delen uit zijn Civitate Dei, waarin de stad Gods de hele wereld omvat.
Het uiteenvallen van die organische samenleving voelde Kellendonk wel aan den lijve, maar dichtte hij niet speciaal toe aan de tweede helft van de twintigste eeuw toen geloofsafval en secularisering schering en inslag waren. Wat hem betreft begon het verval al met de Reformatie in de zestiende eeuw: met de opkomst van het protestantisme begon de individualisering van mens en geloof. Er ontstonden breuken in het mystieke lichaam dat eeuwenlang de hele gelovige mensheid had omvat.
Door het zover terug te zoeken, beoefende Kellendonk fundamentele beschavingskritiek, het soort kritiek dat even fel als heilloos is, omdat de geschiedenis niet terug kan worden gedraaid. Ook al hoort men nu, in het begin van de eenentwintigste eeuw, steeds vaker vragen om een nieuw ‘bezield verband’ en ‘een nieuwe gemeenschapszin’, zoals door Kellendonks leerling Bas Heijne.
In mijn ogen moesten tradities juist kunnen worden genegeerd ten behoeve van vernieuwing. Van Leavis en Kellendonk mocht er niet met tradities gebroken worden.
Alles moet over
Dat Frans Kellendonk en ik naar aanleiding van het straf-conservatieve karakter van zijn stilistisch sublieme roman Mystiek lichaam (1986) in artikelen en brieven herhaaldelijk tegenover elkaar stonden heeft alles te maken met F.R. Leavis. Net als Kellendonk had ik mij als student intensief met zijn kritische en controversiële ideeën beziggehouden.
Maakte op Kellendonk het organische wereldbeeld van Leavis het meeste indruk, Leavis was voor mij een uit de tijd gevallen traditionalist die als cultuurcriticus alle vernieuwing tegenhield: het organisme mocht niet verstoord worden. In mijn ogen moesten tradities juist kunnen worden genegeerd ten behoeve van vernieuwing. Van Leavis en Kellendonk mocht er niet met tradities gebroken worden. Ik hechtte juist aan ‘de traditie van het nieuwe’ en wilde ruimte hebben voor opnieuw beginnen. Een samenleving is maar tot op zekere hoogte een organisme.
Mijn kritiek op Leavis mondde in die tijd uit in het essay ‘F.R. Leavis en de losbolligheid’, afgedrukt in Alles moet over (1979), een titel die de tegenstelling tussen mij en Kellendonk nauwkeurig weergeeft: bij Kellendonk moest alles voortgezet worden, bij mij moest alles over (al zou ik daar nu niet meer zo radicaal voor zijn).
De Verlichting was in dit verband een splijtzwam. Daar identificeerde Kellendonk alles mee wat hij verafschuwde: de losse zeden, de versplintering van de samenleving, de genotzuchtige consumptiemaatschappij, het gebrek aan zondebesef, het rationele wereldbeeld, het agressieve individualisme, het alles-moet-kunnen optimisme, dat ‘niets meer heilig’ was, zoals Oek de Jong het noemde. Voor dit alles werd de Verlichting verantwoordelijk gehouden.
Schimmige luchtfietserij
Leavis’ afkeer van de Verlichting uitte zich onder meer in zijn aanvaring met C.P. Snow naar aanleiding van diens lezing over de uit elkaar gegroeide alfa- en bêta-cultuur: Two Cultures. Daarin verweet hij de geletterde cultuur gebrek aan inzicht in de wereld van de wetenschappen en speciaal de natuurwetenschappen. Leavis liet het er niet bij zitten: hij gaf het boek waarin hij de ‘technologisch-positivistische Verlichting’ en het ‘statistisch-egalitaire reductionisme’ van C.P. Snow bestreed de titel Nor Shall My Sword, naar een regel uit een gedicht van William Blake dat Frans Kellendonk uit zijn hoofd kende: ‘I will not cease from Mental Fight,/Nor shall my sword sleep in my hand: /Till we have built Jerusalem,/In Englands green & pleasant Land.’
Kellendonk heeft ook lang in de komst van het nieuwe Jerusalem geloofd. ‘Ik geloof in een bestemming van de geschiedenis’, zei hij ooit in een interview. ‘Ik geloof in een samenleving die er niet alleen op uit is de mensen materieel op hun gemak te stellen, het is onze taak het Koninkrijk Gods op aarde te vestigen.’
Goedegebuure baseert de ontwikkeling van Kellendonks leven en werk in zijn biografie op de plausibele veronderstelling dat Kellendonk altijd terug is blijven verlangen naar het bezield verband waarin hij katholiek werd opgevoed: naar een organische sociale gemeenschap, een soort nieuw Jerusalem.
Goedegebuure schrijft: ‘Naar mijn overtuiging gaat Kellendonks loyaliteit aan een traditioneel-katholiek ideaal terug op het verhaal waarmee hij opgroeide. Niettemin besefte hij maar al te goed dat zowel zijn verlangen naar een organische sociale gemeenschap een utopische droom was, wie weet zelfs schimmige luchtfietserij. Dat geeft zijn persoonlijkheid en zijn werk een tragische inslag.’ Kellendonks leven was daarom een wrang hooglied. Hij zocht die wrangheid op, alsof het hooglied zelf hem te veel in de watten legde.
Kellendonk. Een biografie door Jaap Goedegebuure is uitgegeven door Querido.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.