Op tafel ligt een envelopje met een poststempel uit 1945. Conservator Harm Stevens van het Rijksmuseum en Paul Koedijk, oud-redacteur van Vrij Nederland en medebiograaf van Henk van Randwijk, Vrij Nederland-hoofdredacteur tijdens de Tweede Wereldoorlog, zitten tegenover elkaar. Koedijk opent de envelop en schudt er wat stukjes papier uit. ‘Dit is het schaakspel van Arie van Namen,’ zegt hij.

Stevens bestudeert de papiersnippers met tekeningetjes waarin schaakstukken zijn te herkennen. Koedijk vertelt hoe Van Namen in de gevangenis aan de Amsterdamse Weteringschans in het geheim schaakte met medegevangenen – de bezetter had elke vorm van vertier verboden. Stevens leidt Koedijk vervolgens naar de afdeling negentiende en twintigste eeuw, het zaaltje van de Tweede Wereldoorlog. Aan de wanden een gestreept gevangenispak en privéfoto’s van de vrouw die het droeg in Auschwitz. Middenin de ruimte staat een militaristisch keramieken schaakspel, gemaakt in een keramiekwerkplaats van de SS, dat tijdens de oorlog vermoedelijk door Heinrich Himmler werd geschonken aan NSB-leider Anton Mussert. De witte stukken verbeelden de nazi’s: de witte torens zijn Flugzeugabwehrkanone, de koning is een vijfhonderdponder, de pionnen zijn soldaten op het slagveld die met machinegeweren de ‘geallieerde’ zwarte stukken onder vuur nemen. Het was tijdens de oorlog zaak om niet te verliezen met wit.

Het contrast tussen de twee schaakspellen kon niet groter zijn. Aan de ene kant de protserige nazi-versie, aan de andere kant de papiersnippers.

In het kantoor van Stevens ontspint zich een discussie over de keuzes die zijn gemaakt voor het zaaltje over de oorlog. Waarom, vraagt Koedijk zich af, zijn eigenlijk alleen de slachtoffers en de onderdrukker vertegenwoordigd en niet de mensen die zich met gevaar voor eigen leven verzetten tegen de Duitsers? Juist daarom zou Van Namens schaakspel een bijzondere en welkome aanvulling op onze collectie zijn, zegt Stevens. Niet veel later drukken de mannen elkaar de hand: Van Namens schaakspel zal door Koedijk en Vrij Nederland aan het Rijksmuseum worden geschonken.

Advertentie

Advertentie

De rust zelve

Amsterdam, 2013. Voor het jubileumnummer ter gelegenheid van het 75-jarige bestaan van van Vrij Nederland, twee jaar later, besloten we alvast te beginnen met de research voor een portret van Arie van Namen. Het was de hoogste tijd, de mensen die hem hadden gekend en nog in leven waren, naderden de honderd of hadden die leeftijd al bereikt. Onze keus was gevallen op Arie van Namen (in het verzet bekend onder schuilnamen als Herman Akkerman en Dolf de Bruin) omdat hij ten onrechte volkomen is vergeten. In Nederland is er geen straat of plein naar hem genoemd, er is nooit een boek over hem geschreven. En dat is vreemd, want Arie van Namen was een dappere en integere man. Hij was een van de Vrij Nederland-medewerkers van het eerste uur, de stille kracht achter het verzetsblad. Op de valreep was hij opgepakt en in de laatste oorlogsmaanden zat hij vast. Door de Duitsers werd hij beschouwd als een van de belangrijkste verzetsleiders die ze in handen hadden. Maar hoe maak je een portret van een vergeten held die dertien jaar geleden is overleden, die geen kinderen had en van wie geen dik archief bij het NIOD is te vinden?

De paar Vrij Nederland-medewerkers van het eerste uur die nog in leven waren, waren hoogbejaard. We gingen in juni 2013 eerst op bezoek bij de toen honderdeenjarige Ada van Randwijk. Ze woonde in een kamer in het Elisabeth Otter Knol huis in Buitenveldert. Ada van Randwijk behoorde in de oorlog tot de kerngroep van VN, werd opgepakt en zat enige tijd vast in het Oranjehotel in Scheveningen. Het ging niet zo goed met haar: ze kon niet meer lopen, zag nauwelijks nog wat. Maar over Arie van Namen kon ze ons nog wel iets vertellen. ‘Hij was heel jong toen we hem voor het eerst ontmoetten,’ zegt ze. ‘Hij was veel rustiger dan die andere jongens. Dat waren cowboys.’

Ada van Randwijk rakelde daarmee een oude kwestie op die tijdens de oorlog in de Vrij Nederland-gelederen speelde. Haar man Henk was extreem voorzichtig en verweet anderen in de ondergrondse organisatie dat ze onnodige risico’s namen door met pistolen rond te lopen – werd je aangehouden met een wapen op zak dan was het einde oefening. Arie en Henk vulden elkaar perfect aan, aldus Ada. Henk was de dromer, de visionair. Arie was de jurist, de precieze denker, de rust zelve. ‘Later, na de oorlog, zei Henk: “Ik hou echt heel veel van Arie.” Ze waren onverbrekelijke vrienden, ook al waren ze nog zo verschillend.’ Zelf zei Arie van Namen daar na de oorlog over: ‘Ik had een veel secundairder natuur dan Henk. Voor mij was duidelijk de tweede rol weggelegd en die accepteerde ik meteen.’ We vroegen Ada waar het archief van Van Namen was gebleven. Hij was jurist, na de oorlog werd hij rechter en voorzitter van de Stichting 1940-1945, er moest toch iets van hem bewaard zijn gebleven? Dagboeken, aantekeningen, stukken uit zijn advocatenpraktijk? Daarmee kon ze ons niet helpen. We hadden haar net op tijd opgezocht, op 15 oktober 2013 overleed Ada van Randwijk, ze was honderdtwee.

Schrijnend contrast: de papieren schaakstukken en de protserige nazi-versie | Foto: Bastiaan Ingen Housz / Rijksmuseum Amsterdam
Een heel mooie dame

Parool-oprichter Wim van Norden, die vorig jaar overleed, was 96 jaar oud toen we hem spraken in zijn Amsterdamse woning aan de Reguliersgracht 111. Van Norden ontmoette Arie van Namen in het grachtenpand ernaast, het onderduikadres van de Paroolgroep aan de Reguliersgracht 109, waar onder meer Simon Carmiggelt woonde. ‘Henk van Randwijk nam een wat jongere, stille, vriendelijke, serieus kijkende man mee, en dat was Arie van Namen.’ Van Norden zag de omgang van Van Namen met Van Randwijk als onderdeel van een driemanschap. ‘En de derde was dan Ada. Ik denk dat het leven van Arie altijd onder de invloed van zijn gevoelens voor Ada heeft gestaan en dat dat zijn hele ontwikkeling heeft bepaald.’

Veel meer kon Parool-man Wim van Norden ons niet vertellen over de tweede man van Vrij Nederland. We reisden dus af naar een protestants-christelijk verzorgingshuis in Zeist: keurige geschoren gazons, bloemen in bakken, een weldadige rust. In de gemeenschapszaal werden we ontvangen door de vrijwel blinde, 100-jarige Sjoerd Gerbrandy, zoon van de voormalige premier Pieter Sjoerds Gerbrandy en tijdens de oorlog betrokken bij het illegale Vrij Nederland. Hij liep krom, maar was nog steeds in pak en getooid met een enorme stropdas. ‘Ik zat op mijn kantoor toen er een heel mooie dame langs kwam om mij te spreken. Dat was Ada, die zei dat ze me graag bij VN wilde hebben.’

Zijn gevoelens voor Ada hebben de hele verdere ontwikkeling van Arie bepaald.

Arie van Namen en Sjoerd Gebrandy studeerden in de jaren dertig samen aan de Vrije Universiteit, vertelde hij ons. Ze werden ontgroend door de latere minister van Binnenlandse Zaken Gaius de Gaay Fortman, die tijdens de bezetting door Van Namen zou worden geïntroduceerd bij het illegale Vrij Nederland. Gerbrandy: ‘Arie en ik zaten samen in het dispuut Demosthenes. Hij was niet iemand die op de voorgrond trad, een rustige student die weinig zei maar wel muzikaal was, hij speelde erg goed piano.’ In de vroege jaren dertig was de opkomst van het nazisme onder christelijke studenten nauwelijks een onderwerp. ‘We hadden destijds veel te weinig begrip van Hitlers duivelse karakter,’ zegt Gerbrandy. ‘Je had ook in die jaren al mensen die zo uitgesproken anti waren dat het er aan alle kanten uit spoot. Maar van Arie had ik nooit verwacht dat hij zou uitgroeien tot zo’n belangrijke figuur in het verzet.’ Ook Gerbrandy vroegen we naar het archief van Van Namen, maar ook hij had geen idee waar dat was gebleven.

De laatste toen nog levende Vrij Nederland-medewerker die Arie nog had gekend, was de 98-jarige Hetty Wellensiek-Van Klaveren. Net als Ada van Randwijk en Wim van Norden spraken we haar net op tijd, ze zou niet lang na ons gesprek overlijden. Hetty Wellensiek was tijdens de oorlog secretaresse en koerierster van de Vrij Nederland-groep. Arie was een rustige man, vertelde ze ons, zeker niet stijf maar heel anders dan Henk, die was overheersend wat betreft intellect en charisma. Ze beschreef Arie van Namen als ‘een heel goede vriend. Maar dan zonder erotische gevoelens hoor. Een soort broer-zus-relatie en dat is mijn en zijn hele leven zo gebleven.’ Toen we haar vroegen of ze wist waar het archief van Arie van Namen zich bevond, dachten we eindelijk beet te hebben. Hetty vertelde dat zij na Van Namens dood zijn archief had opgeruimd. ‘Hij had vreselijk veel papieren in Amersfoort, waar hij woonde. Dingen uit de studententijd, van commissariaten, enfin, zoek maar uit, het was ontzettend veel werk.’ Nadat alles was opgeruimd waren er volgens Hetty ‘nog één of twee dozen over’. Maar waar waren die gebleven, vroegen we haar. Hetty keek ons peinzend aan, voor ze ons onze illusies ontnam. ‘Zal ik je vertellen dat ik daar eigenlijk geen idee van heb,’ zei ze. ‘Familie had hij niet, bij het NIOD misschien? Of bij het Verzetsmuseum? Ik weet echt niet meer wat ik met die dozen heb gedaan.’ Ze bleef ons het antwoord schuldig, ook toen we haar later nog eens bezochten. Het spoor liep dood.

Spelonken

In arren moede besloten we af te dalen naar de kelders van het statige gebouw aan de Raamgracht, de burcht waar de redactie van Vrij Nederland al sinds eind jaren veertig huisde. Misschien lag de door ons zo naarstig nagejaagde ‘schat van Arie’ wel gewoon in onze eigen kluis of ergens in ondergrondse spelonken. Het was er een enorme bende. Rijen ordners, het complete knipselarchief dat ooit door documentalist Martin Koomen bij elkaar was geknipt stond er, oude jaargangen van Vrij Nederland, maar ook de archieven van andere bladen van de uitgeverij. Haast was geboden, want de Weekbladpers Groep stond op het punt te verhuizen naar een nieuw gebouw, het pand aan de Raamgracht stond te koop en dus werden de archieven geruimd. Tussen de verzakte ordners en uitpuilende dozen vonden we een bestoft manuscript van de biografie van Henk van Randwijk inclusief correcties in rode pen. Daarnaast lagen twee dozen vol boekjes met aantekeningen die de biografen Gerard Mulder en Paul Koedijk hadden gemaakt. De handschriften waren onleesbaar en leverden geen nieuwe informatie op.

Toen Hetty Wellensiek op dinsdag 8 juli 2014 overleed, besloten we Mulder en Koedijk beiden te bellen om ze te informeren dat het laatste nog levende lid van de kerngroep van Vrij Nederland (Sjoerd Gerbrandy stond toch net wat verder van de redactie af) was overleden. Hetty was ook voor de twee biografen een belangrijke bron geweest. Aan het einde van het gesprek met Koedijk vertelden we over onze vruchteloze pogingen om meer te weten te komen over Arie van Namen. ‘Oh, eh, maar, ik heb zijn dozen hier op zolder staan,’ zei Koedijk. ‘Ik moet ze nog altijd bij het NIOD afleveren. Wat bleek: Hetty Wellensiek had niet precies geweten wat ze met het archief aan moest, had Koedijk gebeld en die had haar beloofd het materiaal over te dragen aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Dat was in 2002. Maar de jaren gingen voorbij en de dozen bleven bij Koedijk op zolder staan – hoogste tijd om ze daar af te halen.

Buitenechtelijk

Een paar weken later gingen we langs bij Paul Koedijk in Hoofddorp. Hij werkte inmiddels al jaren niet meer in de journalistiek, maar maakte onder andere deel uit van de onderzoeksgroep van het NIOD die zich bezighoudt met de kwestie Srebrenica. Hij is partner bij het forensisch accountancy bureau Integis, waar hij gevoelige fraudezaken onderzoekt. ‘En daarover kan ik jullie helemaal niks vertellen,’ zei hij lachend. Samen met Mulder werkte Koedijk een paar jaar aan de biografie. Het waren de woelige tijden bij Vrij Nederland en Mulder raakte in conflict met de toenmalige hoofdredactie, bestaande uit Joop van Tijn en Rinus Ferdinandusse. Het liep zo hoog op dat hij door de toenmalige redactie werd weggestemd en dat hij met Koedijk in een kamertje ver weg van de Raamgracht de biografie mocht afschrijven.

Daarbij kwam nog een andere kwestie: Ada van Randwijk was niet blij met het boek omdat de twee biografen uitgebreid stilstaan bij de amoureuze avonturen van Henk van Randwijk tijdens en na de oorlog. Dat wilde ze eruit hebben. Ferdinandusse en Van Tijn kozen aanvankelijk haar kant. ‘Het was echt ongelofelijk,’ zei Koedijk. ‘Het verzetsblad probeerde de biografen te muilkorven die een boek aan het schrijven waren over de man die de verpersoonlijking was van het vrije woord.’ De twee auteurs namen een advocaat in de arm, het dreigde op een rechtszaak uit te lopen, maar uiteindelijk werd het in der minne geschikt: Ada van Randwijk trok aan het kortste eind, de buitenechtelijke relaties bleven in het boek gehandhaafd.

Lieve Ans, ik zie je voor me en herhaal je woorden. Wat ben ik dankbaar voor deze liefde.

Klap in het gezicht

Paul Koedijk liep naar boven en kwam even later met twee dozen naar beneden. ‘Heb niet al te hoge verwachtingen,’ waarschuwde hij. Uit de ene doos kwamen oude edities van VN, mooi, maar die hadden we ook op de redactie. In de andere zaten plakboekjes met knipsels uit de rechtszaak tegen Jan Willem Brouwer. Brouwer was een vertrouweling van de VN-groep en zijn zus Mies had samen met Ada van Randwijk op 6 mei 1945 bij de poort gestaan toen Arie van Namen een dag na de bevrijding als allerlaatste gevangene door de Duitsers werd vrijgelaten. Jan Willem had tijdens verhoren onder druk informatie aan de Duitsers verschaft en moest na de oorlog voor de rechter komen. Henk van Randwijk probeerde hem vrij te pleiten, want ook al had hij verraad gepleegd, hij bleef wel lid van de Vrij Nederland-familie. In de rechtszaal kreeg Van Randwijk voor zijn poging de getuigenis van de Duitse officieren te beïnvloeden een tik op zijn vingers. Het was een weinig fraaie episode in het leven van verzetsheld Van Randwijk.

In het archief van Arie van Namen had dus zeker ook een stevig dossier van de zaak Brouwer moeten zitten, maar dat was niet het geval, tot grote spijt van Paul Koedijk en ook van ons. ‘Hetty vertelde me dat ze alles wat met Brouwer te maken had, had weggegooid. Ze wilden niet dat dat ooit naar buiten zou komen. Over die hele kwestie werd na de oorlog nooit gesproken, dat was en bleef een taboe.’

Maar er zaten ook verrassingen in de doos. Allereerst het schaakspel dat nu in het bezit is van het Rijksmuseum. We wisten al dat Van Namen in zijn cel schaakte omdat zijn medegevangene, de Zaanse houthandelaar Jaap Buijs, dat had beschreven in zijn memoires. Ze waren beiden opgepakt op 12 januari 1945 tijdens een vergadering van de Stichting 1940-1945, die toen in oprichting was. In de gevangenis aan de Weteringschans zaten ze in aangrenzende cellen op de afdeling die door gevangenisbewaarders ‘de hemelbestormers’ werd genoemd, vanwege de grote kans die de gevangenen daar liepen om geëxecuteerd te worden. Jaap Buijs beschreef hoe Arie van Namen, nadat hij was betrapt bij het bijhouden van zijn dagelijkse aantekeningen, een klap in zijn gezicht kreeg van een bewaarder. ‘Ik moest mijn nagels in mijn handen zetten om die lafbek niet aan te vliegen. (…) Even daarna werden wij betrapt toen wij zaten te schaken. Het spelletje werd verbeurd verklaard en wij kregen als straf twee dagen inhouding van voedsel.’ Blijkbaar heeft Van Namen nadat het spel was ingenomen een nieuwe set schaakstukken bij elkaar gescheurd.

Persoonsbewijs van Arie van Namen
Maggiblokjes

En dan waren er nog de briefjes en de dagboekaantekeningen op klein, vierkant, doorschijnend oorlogspapier. Dat Van Namen een dagboek had bijgehouden was al bekend, een paar weken na de bevrijding waren zijn observaties uit de eerste naoorlogse dagen afgedrukt in een bevrijdingsnummer van Vrij Nederland. ‘Zwevend ben ik de gevangenis uitgewandeld en in de armen gevlogen van hen met wie ik drie, vier jaar lang lief en leed heb gedeeld’ beschreef hij het moment van zijn vrijlating als allerlaatste gevangene op 6 mei 1945 om tien uur ’s avonds. ‘Ik heb een nieuw leven teruggekregen, nu is het waar, god zij dank, ik ben vrij. We zijn allemaal vrij.’

Maar er was meer, zo blijkt nu. Op een briefje dat we in de doos aantroffen en dat is gedateerd op 1 mei 1945, schreef hij aan zijn ouders, broers, zussen en vrienden maar ook aan een vriendin, een zekere Ans. Het document geeft een inkijk in het leven van een gevangene die onder de zwaarst mogelijke omstandigheden vastzat terwijl de mensen die in de cellen om hem heen zaten de een na de ander werden weggehaald en geëxecuteerd. Hij informeerde naar het welzijn van zijn ouders en vroeg bezorgd of ze niet te veel honger hadden. Ook noteerde hij zijn wensen voor een pakket van het Rode Kruis dat hij mocht ontvangen ‘dankzij de vriendelijke medewerking van “de heren Viebahn en Rühl” (gevreesde officieren van de SD).’ Hij vroeg om boter, kaas en suiker, Maggiblokjes, ‘vleeschwaren’ maar ook ‘kleine blocnotes en een vulpotlood’.

Net na zijn vrijlating met (vlnr) Hetty van Klaveren, André Koch, Henk Most.

De bewaard gebleven brief is verrassend omdat de uiterst discrete, keurige, gereformeerde Arie van Namen tijdens de oorlog nooit was gezien met een meisje. Maar nu bleek hij wel degelijk een liefje te hebben, de in de aanhef genoemde Ans. Hij schreef de brief vlak nadat zij op bezoek was geweest. ‘Toen ik weer in mijn cel was en op mijn strozak neerviel drong de werkelijkheid pas tot mij door. Ik had je gesproken lieve Ans,’ aldus Van Namen. ‘Het was alles zo nieuw, zo onwerkelijk en ongekend dat de duizend vragen die ik had willen stellen en de dingen die ik had willen zeggen pas helder voor mijn geest kwamen toen je weg was. Vergeef me wanneer ik niet aardig tegen je was. Het gebeurde alles te plotseling. Maar de herinnering aan vanmiddag maakt me gelukkig. Ik zie je voor me en herhaal de woorden die je tot me sprak. Wat ben ik dankbaar voor deze liefde en deze vriendschap. Ik denk steeds aan je. Eigenlijk heb ik in het gesprek zo weinig gezegd. Maar dat komt dan wel na de oorlog.’ Wie deze Ans was, weten we niet. Zeker is dat Van Namen na de oorlog trouwde met Corrie Verleur, een vrouw die geen enkele relatie had met het verzet of VN.

Een echt menselijke hoop

In de doos zat ook een indrukwekkende dagboekaantekening die Van Namen waarschijnlijk in de allerlaatste nacht van zijn gevangenschap, van zaterdag 5 op zondag 6 mei 1945 heeft geschreven. ‘Ik heb een eigenaardig gevoel over me,’ schreef hij. ‘De werkelijkheid is nog niet geheel tot mij doorgedrongen. Ik begrijp en geloof verschillende dingen nog niet.’

Dat Van Namen in de war is, is begrijpelijk na vier maanden van verhoren, slecht eten, mensen die worden weggehaald, voortdurende intimidatie. Hij wist niet dat de Duitsers waren gecapituleerd maar hij hoorde wel dat er buiten feest werd gevierd. Van Namen putte in deze moeilijk uren kracht uit zijn geloof. ‘Ik ga straks rustig uit de bijbel lezen. God zal mij geleiden. Hij heeft mij deze vier maanden niet verlaten en zal het vannacht en morgen, wat er ook gebeurt ook niet doen.’ Toch is hij nog steeds bang, en hij probeert zijn demonen de baas te blijven. ‘Ik denk niet dat ze me nu zullen doodschieten,’ schreef hij. ‘Dat is een echt menselijke hoop. Maar dat mag toch ook? Mocht het anders zijn, God geve mij kracht. Morgen zal de zwaarste dag van mijn gehele celtijd worden. God helpe mij er door heen. Nu ga ik naar bed. Slapen.’ De volgende dag was Arie van Namen een vrij man.

Vrij Nederland op 5 mei

Op 5 mei organiseert Vrij Nederland een aantal activiteiten, samen met het Amsterdamse 4/5 mei Comité en het Joods Cultureel Kwartier.

12.00 uur Rooseveltlaan 44 hs. In januari 1945 werd hier de top van het Nederlandse verzet verraden door de jurist Johan van Lom. In VN verscheen hierover het artikel ‘De verrader en het meisje’. Harm Ede Botje spreekt met dochter Anna van Lom en Paul Koedijk.
13.00 uur Rooseveltlaan 62, boekhandel Jimmink. Mischa Cohen spreekt met Dick Woudenberg (87). Dick werd opgeleid om na de overwinning van de nazi’s een prominente positie te bekleden in het Derde Rijk. Als zestienjarige hoorde hij bij de laatste lichting die in 1945 door Nazi-Duitsland onder de wapenen werd geroepen.
Rond 14.30 Baffinstraat 25. De weduwe van Vrij Nederland-oprichter Frans Hofker onthult een plaquette op het huis waar in augustus 1940 het allereerste nummer werd gemaakt. De bijeenkomst begint om 12.00 met een wandeling door de Baarsjes.
16.00 uur Rijksmuseum, Museumstraat 1. Arie van Namen was een van de kopstukken van het ondergrondse Vrij Nederland. In januari 1945 werd hij door Johan van Lom (zie boven) verraden en belandde in de gevangenis. Uit zijn nalatenschap ontving het Rijksmuseum onlangs het papieren schaakspel waarmee hij in zijn cel de tijd doodde. Harm Ede Botje spreekt met schenker Paul Koedijk.

Meer informatie en aanmelden voor het Rijksmuseum