Het is al weer even geleden (in 2013) dat in The Guardian een recensie stond van Christopher Bray over Waiting for the Barbarians, een bundel kritische essays van de Amerikaanse criticus Daniel Mendelsohn. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was noemde Bray Mendelsohn ‘een ouderwetse criticus die gelooft dat het kaf van het koren gescheiden moet worden.’ Bray noemde dat ‘bijna archaïsch.’ Waarom zou je een kunstwerk beoordelen? Laat het fijn zichzelf zijn, laat iedereen doen waar hij zin in heeft. Laat het leven leven, ga dat niet zuur zitten beoordelen. Bray noemde Mendelsohn een moralist die de producten van de verbeelding op dezelfde manier beoordeelde als de werkelijkheid.

Waarom zou je een kunstwerk beoordelen? Laat het fijn zichzelf zijn, laat iedereen doen waar hij zin in heeft. Laat het leven leven, ga dat niet zuur zitten beoordelen.

Dat het ouderwets zou zijn de werkelijkheid en de producten van de verbeelding te beoordelen verplaatst je even in een andere wereld waarin het niet bedoeling is nog van ‘kritische zin’ blijk te geven. Dat zou het verpesten van het feest zijn. Maar Mendelsohn gaat er helemaal niet vanuit dat er al een feest is. Dat zal wel blijken wanneer het boek, de film of de televisieserie hem al of niet bevalt. Mendelsohn is de vanzelfsprekendste kritische criticus denkbaar. Hij staat er niet speciaal bij stil. Hij volgt eenvoudig zijn kritische zintuig. En daar neemt hij de ruimte voor. Zijn essays beslaan in The New York Review of Books (waarvan hij ‘critic at large’ is) of The New Yorker meerdere pagina’s. Mendelsohn is, getuige de titel van zijn nieuwe boek, Pijn en genot, zonder meer uit op genot in de werkelijkheid en de kunst, maar hij wil (en kan) de pijn niet over het hoofd zien.

hunkering volgens alexander

Het is jammer dat Mendelsohn het laatste essay van het boek niet aan het begin heeft gezet. Dat zou zijn kritische essays over de autobiografische cyclus van Karl Ove Knausgård, over Een klein leven van Hanya Yanagihara en de televisieserie Mad Men in het juiste licht hebben gezet. Dat wil zeggen: in het licht van iemand die uit is op vervoering, maar niet als dit wordt veroorzaakt door melodrama, sentimentaliteit of doorgeslagen overdrijving. Dat laatste essay van veertig pagina’s gaat over Mendelsohns incidentele contact vanaf zijn vijftiende jaar met Mary Renault, de schrijfster van historische romans die zich afspelen in de klassieke oudheid.

Mendelsohn is uit op vervoering, maar niet als dit wordt veroorzaakt door melodrama, sentimentaliteit of doorgeslagen overdrijving.

Door The Persian Boy, The Charioteer en speciaal Fire from Heaven (dat hij op zijn twaalfde las) werd hij verliefd op Alexander de Grote. Renault zorgde voor Mendelsohns sensitieve en sensuele (homoseksuele) opvoeding met haar romans. Ze schreef op een vanzelfsprekende manier over homoseksualiteit. Hij leerde bij haar wat het Griekse pothos betekende (hunkering) en dat Alexander daar met meer volharding op uit was dan de hang naar veroveringen en roem. Op zijn eerste brief aan Renault krijgt hij geen voorgedrukte brief, maar een persoonlijk antwoord. Er ontstaat een ongeregelde correspondentie met Renault als een soort verre (in Zuid-Afrika wonende) tante. Wanneer na haar dood een biografie over haar wordt geschreven blijkt de jonge Mendelsohn een onderdeel van haar leven te zijn geweest en bij haar vrienden en kennissen bekend te staan als ‘de Amerikaanse jongen’. Die jongen werd classicus en vertaler van de gedichten van Konstantínos Kaváfis in het Engels.

mijn strijd, een klein leven en mad man

Het veertig pagina’s tellende autobiografische relaas leest als het verslag van een esthetische en morele opvoeding. Het kleurt de andere essays, die worden er verantwoorder van, alsof Mendelsohns oordeel daardoor niet op niets is gebaseerd, maar op enige ervaring, zeker als ze kritisch zijn. Mendelsohn heeft vier maanden van zijn leven besteed aan het lezen van de zes delen Mijn strijd van Karl Ove Knausgård. Ondanks al het emotionele drama waarmee hij werd overladen werd hij ‘maar zelden geraakt door dit omvangrijke en vaak indrukwekkende werk.’ De boeken lieten hem koud en hij ergerde zich er geregeld aan. De ‘rijke onbeduidendheid van onze dagelijkse ervaringen’ die Knausgard wilde beschrijven werden maar niet rijk, en gevoelens werden niet opgeroepen, maar gerapporteerd.

Niet minder kritisch is Mendelsohn in ‘Een hoop ellende’ over de meer dan zevenhonderd pagina’s tellende roman Een klein leven van Hanya Yanagihara, een boek dat maanden vóór op de toonbanken van boekwinkels heeft gelegen, maar voor Mendelsohn niet meer is dan slecht geschreven ‘monotone reeks harde dreunen.’ Hij vraagt zich af waarom dit ‘opvallend zwakke proza niet door critici en jury’s is opgemerkt.’ Het is een roman over vernedering en slachtofferschap, een zeer eenentwintigste eeuws thema volgens Mendelsohn: ‘misbruik, slachtofferschap, zelfhaat.’

Een klein leven is een roman over vernedering en slachtofferschap, een zeer eenentwintigste eeuwse thema volgens Mendelsohn.

De lezer krijgt het flink achter de kiezen, want excessieve vernederingen vormen de ruggengraat van de roman. Yanagihara houdt van doorgeslagen overdrijving, zodat een hoofdpersoon te maken krijgt met seksuele kwelgeesten, boosaardige priesters, foute artsen, martelkamers en pedofiele priesters in een weeshuis. ‘Uiteindelijk’, schrijft Mendelsohn, is deze bestseller ‘weinig meer dan een machine die is ontworpen om negatieve emoties te genereren waarin de lezer zich kan wentelen.’

Een televisieserie die een enorme populariteit geniet, Mad Men, wordt door Mendelsohn zonder veel plichtplegingen totaal uitgekleed: ‘Het script is bijzonder zwak, de plots zijn lukraak en vaak onzinnig, de personages zijn oppervlakkig en soms weinig coherent; de houding ten opzichte van het verleden is glibberig, de positionering in het heden is op een onaantrekkelijke manier zelfgenoegzaam en de regie is fantasieloos.’

de charme van een ruïne

De classicus in Mendelsohn komt aan het woord in een essay over de klassieke dichteres Sappho en over de Aeneis van Vergilius, het boek dat door de Engels/Amerikaanse dichter T.S. Eliot ‘de klassieker van heel Europa’ is genoemd. Ook al staat het op elke te lezen lijst, is het wel zo populair, vraagt Mendelsohn zich af. De held Aeneas ‘mist de wrede glamour van Achilles en de verleidelijke sluwheid van Odysseus.’

Hij wordt door Robert Graves ‘van begin tot eind een ploert’ genoemd. En is het onderwerp van deze grootse poëzie niet wat eenzijdig, niet louter bella, horrida bella (oorlogen, gruwelijke oorlogen)? Gaat het niet over imperiale dominantie, de noodzaak van autoritair bewind, het belang van plichtsbesef en zelfontkenning in dienst van de staat? Is het geen lofzang op macht? En de liefdesgeschiedenis tussen Aeneas en Dido? Dat het de goden zijn die Aeneas eraan herinneringen dat hij elders zijn plicht moet gaan doen, en hij Dido moet achterlaten, wil niet zeggen dat hij wel wat meer weerstand had mogen bieden. ‘Hij keert zich van haar af,’ zoals Mendelsohn schrijft.

Er staan ook heel andersoortige essays in Pijn en genot. Zoals dat over de houding van mensen ten opzichte van robots. Robots hebben bepaald niet alleen voor angstgevoelens gezorgd. Sterker nog: in romans en films wordt niet zelden de sentimentele invalshoek gekozen zodat de lezer of kijker wordt besprongen door medeleven met een droevige, zielige, gehandicapte robot of computer. Dat is helemaal het geval wanneer de robot een enigszins menselijke gedaante heeft.

Ook andersoortig is het essay over het schip dat ooit onzinkbaar werd genoemd, maar in 1912 toch ten onder ging na een aanvaring met een ijsberg: de Titanic. Mendelsohn heeft als kind een tic van de Titanic gekregen want de biografie van de ontwerper van het schip, Thomas Andrews, is altijd een van de eerste boeken die hij inpakt als hij gaat verhuizen. En dat zegt wat. Mendelsohn is van elk boek over Titanic op de hoogte en vereenzelvigt zich met elk detail, maar heeft het vreemd genoeg niet over de ‘opgraving’ van het schip en de films en foto’s die daarvan zijn gemaakt. Ik vermoed dat hij liever aan de hele Titanic denkt en niet aan het wrak diep in zee, begroeid met zeemos, half vergaan. Maar dat heeft wel de charme van de ruïne.

Dit zijn essays waarin niets of niemand vrijuit gaat, zelfs schrijvers waar hij een zwak voor heeft, zoals Oscar Wilde. Vooral melodrama, oppervlakkigheid, dubbele agenda’s en sentimentaliteit moeten het bij hem ontgelden. Maar dat neemt niet weg dat hij zich graag laat meeslepen, gespitst op genot.

Pijn en genot. Van de oude Grieken tot Game of Thrones door Daniel Mendelsohn is vertaald door Aad Janssen en Irene Paridaans en uitgegeven door De Bezige Bij.