De vraag naar wat goed of fout is, voert ons naar het hart van de ethiek. Bijna alle beroepsgroepen hebben een ‘ethische code’, waarin beschreven wordt wat wel en niet mag. In de ethiek staat de vraag centraal naar wat goed is om te doen in concrete situaties. Praktische vragen, zo zei Aristoteles, de grondlegger van de ethiek, vormen het startpunt om tot een moraal te komen, die een weerspiegeling is van waarden en normen van een gemeenschap of beroepsgroep.
Maar onder welke beroepsgroep is de biograaf te rangschikken? Een biograaf is een kunstenaar onder ede. Hij mag geen feiten verzinnen, moet zo goed mogelijk archiefonderzoek doen en, zoals elke schrijver, geen teksten overnemen van anderen. In feite is de biografie een genre tussen journalistiek en geschiedschrijving in: juist twee beroepsgroepen die geen wettelijke beroepsbescherming kennen, maar des te sterker hun professionele codes hanteren. Voor de historicus komt dat neer op verantwoord brongebruik en onbevooroordeeld zijn en van de journalist wordt verwacht dat hij de goede gewoonte in ere houdt van double check van de bronnen en het zoeken naar weerwoord van opinies.
Ver weg van ideologie
Onbevooroordeeldheid is een belangrijke eigenschap voor de biograaf én de journalist. Uit een open, welwillende houding ten aanzien van de ander vloeit voort dat een biograaf zich liever ver weg houdt van ideologie en niet aan heldenverering doet. Aan de biografie van Karl Marx moet je niet kunnen aflezen dat de biograaf marxist is, of juist dat hij dat helemaal niet is.
De biograaf wil net als de journalist een waar en duidelijk verantwoord verhaal schrijven, maar óók een goed geschreven verhaal.
Germaine Greer (die ooit beweerde dat biografen verkrachters zijn die beschreven personen opofferen aan hun hang naar literaire onderdrukking) publiceerde in 2007 de biografie van Ann Hathaway, de vrouw van William Shakespeare. Greers voornaamste inzet van deze biografie, die verscheen onder de onfeministische titel Shakespeare’s Wife, lijkt te zijn om aan te tonen dat alle Shakespeare-biografen vrouwenhaters zijn, vooral de meest recente onder hen: Stephen Greenblatt. De biografe beweert in haar boosheid dat geen van de Shakespeare-biografen de kerkregisters, parochie-archieven en andere archivalia op de naam Hathaway heeft nageplozen. Dat mag waar zijn, maar zelf heeft ze dat ook niet gedaan.
Krenten uit de pap
Feit is dat ethiek en ideologie flexibele begrippen zijn. De praktijk moet zich naar het idee voegen (ideologie), het idee behoort de praktijk te corrigeren (ethiek). De biograaf wil net als de journalist een waar en duidelijk verantwoord verhaal schrijven, maar óók een goed geschreven verhaal. Volgens sommigen is elke gekozen verhaalstructuur van een biograaf een ethische keuze. Anderen beschouwen de biografie, ongeacht de gehanteerde verhaalstructuur als ‘the act of stealing the lives of others’.
Academici zien de biograaf maar al te vaak als de ekster die de blinkende juwelen uit een serieus onderzoeksdomein pikt en het saaie werk achterlaat. Plutarchus, de Griekse historicus uit de eerste eeuw na Christus, gaf in zijn nog steeds zeer leesbare boek Parallelle Levens, een simpele reactie op die aantijging dat de biograaf de krenten uit de pap pikt: ‘Ik schrijf geen geschiedenissen, maar Levens.’ Anderen zeggen: de ethiek van de biografie bestaat eruit of een verhaal waar is of niet waar, de rest is onbelangrijk.
Postume privacy
De vraag in hoeverre de biograaf vanuit een stelsel van normen en waarden zou moeten werken, vanuit een moraal, hangt samen met de discussie over postume privacy. Mag je als biograaf de postume reputatie van iemand beschadigen?
Er zijn doorwrochte artikelen geschreven waarin beweerd wordt dat zulks niet mag. Iemand die zich niet kan verdedigen (de doden hebben geen advocaten), mag je niet aanvallen, je mag zelfs niet aan zijn privéleven komen. Ook ethisch lastig zijn ‘geruchten’ die aantoonbaar onjuist zijn, maar die wel iemands reputatie beïnvloed hebben. In de biografieën van Chester Arthur (president van 1881 tot 1885) en van Barack Obama wordt terecht gesproken over het gerucht dat ze niet in de VS geboren zouden zijn, dus illegale presidenten waren.
‘Doden hebben geen privacybescherming nodig. Laten we ophouden met het aandragen van excuses voor het verzwijgen van intieme levensfeiten.’
Deze geruchten hebben een rol gespeeld in het maatschappelijk-politieke debat, dus zijn ze relevant voor een biograaf. Elsbeth Etty, biograaf van Henriëtte Roland Holst, is duidelijk over postume privacy: ‘Doden hebben geen privacybescherming nodig. Laten we ophouden met het aandragen van excuses voor het verzwijgen van intieme levensfeiten en blijven zoeken naar manieren om die feiten op te sporen en op een verantwoorde, betrouwbare wijze hun onontbeerlijke plaats te geven in levensbeschrijvingen.’
De historicus Antoon De Baets zei daarentegen: ‘De stelling dat de doden geen privacy of reputatie hebben, is strikt juridisch en op zichzelf gezien verdedigbaar: omdat de doden geen mensen zijn, bezitten ze geen menselijke waardigheid en hebben ze dus geen rechten zoals privacy of reputatie. Maar omdat ze voormalige mensen zijn, bezitten ze wel postume waardigheid.’
Liefdesbrieven van de president
De historicus Emmanuel Chadeau hoorde in 1994 een rechter beslissen dat hij zorgvuldig te werk was gegaan in zijn biografie van Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944), ook toen hij de mogelijkheid opperde dat de op mysterieuze wijze verdwenen schrijver-piloot niet was verongelukt bij een nachtvlucht, maar zelfmoord had gepleegd. In de zaak, aangespannen door De Saint-Exupéry’s gegriefde erfgenamen, tikte de rechter Chadeau echter op de vingers wegens ongeoorloofde verspreiding van ongepubliceerd materiaal over De Saint-Exupéry. Over dat materiaal, aldus de rechter, konden de nabestaanden een moreel recht laten gelden.
Dat is een moeilijke conclusie voor biografen. Er zijn voorbeelden uit Joodse kring waarin familieleden van Holocaustslachtoffers liever niet zien dat de namen van hun dierbaren genoemd worden op publieke herdenkingsmonumenten en in (digitale) in memoriambestanden. Decennialang is bijvoorbeeld door historici en journalisten onderzoek gedaan naar de identiteit van de man die Jan Campert in 1942 over de Belgische grens wilde smokkelen. In 2004 bleek dat een joodse organisatie in Breda gewoon over die naam beschikte.
De vluchtpoging van de 21-jarige Frans van Raalte mislukte en na te zijn opgepakt, pleegde hij nog dezelfde nacht zelfmoord in de Koepelgevangenis van Breda. Het niet aan de openbaarheid prijsgeven van zijn naam was natuurlijk het goed recht van die organisatie, ieder zijn eigen rol, maar de biograaf heeft een ethische verantwoordelijkheid aan zijn professionaliteit, en aan de waarheid. Na verschijning van de biografie van Jan Campert werd de naam Frans van Raalte eindelijk toegevoegd aan het Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland.
De paradox is dat wanneer je iets door een rechter laat verbieden, de geïncrimeerde bronnen door het verbod vervolgens meer aandacht krijgen in de media.
De ethiek van de biograaf is altijd verbonden met de omgang met zijn bronnen, ook al zullen er altijd mensen zijn die daar moeite mee hebben. De paradox is wel dat wanneer je iets door een rechter laat verbieden, de geïncrimeerde bronnen door het verbod vervolgens meer aandacht krijgen in de media.
Zo dwong een Amerikaanse rechter in de jaren zestig de historicus Francis Russell om citaten uit zijn biografie te schrappen, afkomstig uit door hem ontdekte liefdesbrieven van president Warren Harding (1865-1923) aan zijn minnares. Hardings familie verklaarde zich ‘onherstelbaar beschadigd’ te voelen indien passages uit die brieven, geschreven vóór zijn presidentschap, zouden worden gepubliceerd. Desondanks kon de familie niet beletten dat uittreksels uit enkele brieven toch breed werden uitgemeten in de pers.
Onbetrouwbaar sujet
De biograaf is in romans vaak beschreven als een onbetrouwbaar sujet. Bijvoorbeeld in Henry James’ novelle The Aspern Papers (1888). De verteller is erop uit een nicht van Juliana Borderea te verleiden, die misschien nog brieven in haar bezit heeft van de gevierde dichter Jeffrey Aspern. Dit is al niet ethisch, maar het feit dat hij zich aan de oude mevrouw voorstelt als een mogelijke huurder maakt de situatie een biograaf onwaardig.
Nog erger is de biograaf in de roman Le marchand de masques (1994) van Henry Troyat. Na inlevering van zijn manuscript ontdekt hij een brief waaruit blijkt dat zijn voornaamste getuigen hebben gelogen. Die brief is het enige bewijs dat zijn biografie niet deugt. Hij verscheurt de brief en spoelt de snippers door de wc. Onnodig op te merken dat dit een doodzonde tegen de professionaliteit van de biograaf is.
In de beroepscode voor psychiaters staat: ‘Doe geen kwaad’. Een belangrijk uitgangspunt voor meer beroepsgroepen, maar voor de biograaf zou dat een raar adagium zijn. Elke dag verschijnt er wel nieuws dat iemand ‘kwaad doet’. Biografen beroepen zich, net als journalisten, op de vrije nieuwsgaring. Waarschijnlijk is de familie van J. Edgar Hoover niet blij met het nieuws van zijn biograaf dat Hoover, directeur van de FBI onder zeven presidenten, homoseksueel was. Toch is dit belangrijk omdat Hoover erom bekend stond dat hij politici onder druk zette met hun vermeende homoseksualiteit. De geruchten dat Hoover een travestiet was die zich uitleefde tijdens homoseksorgies werd in 1993 definitief bewezen door de verschijning van Official and Confidential: The Secret Life of J. Edgar Hoover van Anthony Summers.
Het is volkomen geaccepteerd om in de zogenoemde vie romancée over historische figuren van alles en nog wat te verzinnen, ook als hiermee een postume reputatie aan flarden gaat.
Discretie
Een van de moeilijkste ethische kwesties in relatie tot privacy gaat over de vraag hoe lang een bepaalde discretie in acht genomen moet worden. Zou een brief van Julius Caesar waaruit blijkt dat hij pedofiel was nu tot grote ophef in het publieke domein leiden? Waarschijnlijk niet over het feit dat zijn privacy geschonden zou zijn door publicatie van die brief.
Het is volkomen geaccepteerd om in de zogenoemde vie romancée over historische figuren van alles en nog wat te verzinnen, ook als hiermee een postume reputatie aan flarden gaat, zoals we zien in diverse biografieën van keizer Nero, waarin hij nog wreder wordt beschreven dan hij in werkelijkheid al was. Biografen die geen zin hebben in langdurig bronnenonderzoek mogen het woord ‘roman’ op hun boek zetten terwijl ze over duidelijk herkenbare personen schrijven. De praktijk lijkt hier te zijn: als gegevens die tot reputatieschade leiden in zo’n zogenaamd fictief verhaal al eerder gepubliceerd zijn, vaak op internet, dan is een rechter bereid het door de vingers te zien.
Een variant op dit voyeurisme bedacht Paula Broadwell, co-auteur van een biografie van de gepensioneerde generaal David Petraeus, toen directeur van de CIA. Petraeus vroeg Broadwell om zijn biograaf te worden. Hoe dicht kan een biograaf bij zijn subject komen, moet Broadwell gedacht hebben, en zij begon een liefdesrelatie met hem. Op het omslag van de biografie prijkte nog een andere naam: haar co-auteur Vernon Loeb. Toen het ‘Broadwell-schandaal’ op zijn hoogtepunt was, schreef hij een artikel in The Washington Post en verklaarde slechts de ghostwriter van deze ‘biografie’ te zijn, die volgens hem geen biografie mocht heten.
Als er een ethische code voor biografen zou moeten komen (wat God verhoede), is het goed daarin op te nemen: kies als onderwerp voor een biografie altijd iemand die overleden is. Liefst minstens tien jaar geleden en op gemiddelde leeftijd. En laat de biograaf iemand zijn zonder wens tot debunking of verheerlijking van zijn object.
Plagiaat
Wat te doen met biografieën van massamoordenaars en dictators? Is daar het adagium ‘Doe geen kwaad’ ook op van toepassing? Gelukkig worden biografen van Hitler en Stalin niet met de nek aangekeken en snapt iedereen dat iemand begrijpen niet hetzelfde is als ‘begrip hebben voor’. Je zou de stelling kunnen verdedigen dat elke biografie mededogen opwekt voor de beschreven persoon. Een zekere empathie is nu eenmaal nodig om een ander te begrijpen, of zoals Richard Holmes het uitdrukt: Biography is a handshake. Maar dat heeft niets met vergoelijken te maken.
Ze heeft altijd volgehouden dat haar contact met president Johnson niets seksueels had, en dat zij ‘tijdens hun conversaties altijd op een stoel was blijven zitten terwijl de president op bed lag’.
How close is too close? Doris Kearns Goodwin schreef nog tijdens diens leven een positief getoonzette biografie van president Lyndon Johnson. Zo positief dat besprekers suggereerden dat er meer aan de hand was dan een zakelijke relatie tussen biograaf en gebiografeerde. Goodwin heeft altijd volgehouden dat haar contact met Johnson niets seksueels had, en dat zij ‘tijdens hun conversaties altijd op een stoel was blijven zitten terwijl de president op bed lag’.
In 2002 moest Goodwin zich terugtrekken uit de jury van de Pulitzerprijs omdat ze ervan werd beschuldigd plagiaat te hebben gepleegd in haar boek The Fitzgeralds and the Kennedys uit 1987. Ze gaf tegenover The New York Times toe dat haar uitgever, Simon & Schuster een regeling had getroffen met een andere auteur over beschuldigingen van plagiaat.
Beschuldigingen afkopen is een vorm van schuld bekennen. En daar was alle reden toe. Goodwin bleek royaal uit andere biografieën geput te hebben. Lynne McTaggart beweerde zelfs dat een derde van haar boek Kathleen Kennedy. Her Life and Times door Goodwin gestolen was. Maar Goodwin zag dat anders, zij zou slechts vergeten zijn verwijzingen naar die andere biografieën te maken. Een slecht geheugen geeft een goed geweten.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.