Als hoofdredacteur van het weblog Biografieportaal (waarop recente biografieën die in het Nederlandse taalgebied zijn verschenen worden besproken en gesignaleerd) en liefhebber van de Amerikaanse biografie reisde ik onlangs af naar New York, waar de crème de la crème uit de biografiewereld bijeengekomen was voor het jaarlijkse congres van Biographers International Organization (BIO). Ik sprak er de meesterbiografen Kitty Kelley, Nigel Hamilton en John A. Farrell. Een zoektocht naar de kunst van het vertellen en de betekenis van de Amerikaanse held.

Een schandaal

Ik spreek John Aloysius Farrell (1953) in zijn kamer van het Hyatt Hotel op de hoek van 56th Street en 6 Avenue in New York. Net als John F. Kennedy noemt hij zich Jack. Hij is een gemoedelijke zestiger, blij met het succes van Nixon. A Life. Het boek werd genomineerd voor een Pulitzer en kreeg enthousiaste besprekingen in The New York Times en The Washington Post. Hoe zou hij de traditie omschrijven die hem als auteur heeft gevormd?

‘The Life of George Washington van Parsons Weems (1759-1825) is, afgezien van de Bijbel, lange tijd het bestverkochte boek in Amerika geweest,’ vertelt hij. ‘Daarin staat de fabel van de kersenboom waarmee generaties Amerikanen zijn opgegroeid. De zesjarige George is zo goudeerlijk dat hij niet kan liegen, dus biecht hij zijn vader op dat hij met zijn verjaardagscadeau, een bijltje, de kersenboom beschadigd heeft. Pa is zo ontroerd door de rechtschapenheid van zijn eerstgeborene dat hij hem die kersenboom schielijk vergeeft. Volkomen uit de duim gezogen, natuurlijk.’

In de biografieën van Farrell kom je weinig fabels tegen, hoezeer hij zich ook verbonden voelt met de nalatenschap van Parsons Weems.

Voor Nixon. A Life diepte hij uit de archieven van de Nixon Library de smoking gun op van een schandaal dat Watergate doet verbleken. Nixon saboteerde in aanloop naar de presidentsverkiezingen in 1968 moedwillig de vredesonderhandelingen tussen Noord- en Zuid-Vietnam, om zo zijn democratische tegenstrever Hubert Humphrey de wind uit de zeilen te nemen.

Vermoedens over die malversatie bestonden er al langer, maar Farrell leverde het onomstotelijke bewijs.

Als Nixon de verkiezingen zou winnen, beloofde hij de Zuid-Vietnamezen betere vredesvoorwaarden, dus moesten zij tijdens de onderhandelingen in Parijs hun poot stijf houden.

Vermoedens over die malversatie bestonden er al langer, maar Farrell leverde aan de hand van de notities van Nixons vertrouweling en latere stafchef Bob Haldeman het onomstotelijke bewijs. De deelname van de Verenigde Staten aan de Vietnamoorlog sleepte zich tot 1973 voort en zou na de verkiezingen van 1968 nog het leven kosten aan meer dan 21.000 Amerikaanse jongens, om over het leed van het Vietnamese volk nog maar te zwijgen.

Geleerd om te graven

Farrell leerde de kneepjes van het vak in het roemruchte Spotlight Team van The Boston Globe, dat het seksuele misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk van de Verenigde Staten onthulde. ‘The Globe heeft me geleerd om te graven. Graaf tot je zeker bent van je zaak. Ik had geen eureka-moment toen ik die notities van Haldeman aantrof. Ik dacht alleen: dit is te mooi om waar te zijn. Dus zocht ik verder. De cover-up, de angst onder de medewerkers een grens overschreden te hebben…’

Farrell komt uit de hoek van de investigative journalism, net als Walter Isaacson (Time Magazine), David McCullough (Sports Illustrated) en Jon Meacham (Newsweek).

Zijn grote voorbeeld is Robert Caro, die met zijn vuistdikke boeken over Robert Moses en Lyndon B. Johnson het genre van de biografie opnieuw heeft uitgevonden. ‘Caro liet ons zien hoe je het compleet anders kon doen. Hij combineerde zijn verlangen naar waarheidsvinding en de technieken van de onderzoeksjournalistiek met een enorme gedrevenheid een verhaal zo goed mogelijk te vertellen. Vóór Robert begon een biografie steevast met de overgrootvader en grootvader van de protagonist, en kreeg je vervolgens zijn leven van de wieg tot het graf voorgeschoteld. Caro incorporeerde de lessen van Truman Capote en Tom Wolfe in zijn non-fictie. Dialogen, flashbacks en flashforwards, couleur locale. Hij weet hoe hij een verhaal moet vertellen. Caro is een bron van inspiratie voor biografen die na hem kwamen, zoals ik.’

De woede van de familie Kennedy

Nigel Hamilton deelt Farrells enthousiasme voor Caro. ‘Mensen als Robert Caro en Walter Isaacson vertaalden de politieke en culturele veranderingen van de jaren zestig en zeventig in hun biografieën. In het Verenigd Koninkrijk haalde geen biograaf of reporter het in zijn hoofd een politicus aan de tand te voelen, in de immigrantencultuur van de Verenigde Staten deden ze dat wel. Journalisten hadden lak aan reputaties en durfden de waakhond van de democratie te zijn, zoals het hoort.’

Hamilton, geboren in Alnmout, Northumberland en opgegroeid in Londen, is onder de Amerikaanse biografen de vreemde eend in de bijt. Toen hij negentien was, zond zijn vader Dennis Hamilton, Times-editor en roemrucht bataljonscommandant in Arnhem tijdens de Tweede Wereldoorlog, hem naar de Verenigde Staten om ervaring op te doen als verslaggever bij The Washington Post. Dat was in april 1963. John F. Kennedy noemde zich in de hoofdstad van het Vrije Westen ein Berliner.

Vóór Robert Caro begon een biografie steevast met de overgrootvader en grootvader van de protagonist, en kreeg je vervolgens zijn leven van de wieg tot het graf voorgeschoteld.

Hamilton werd gegrepen door de dynamiek van het Amerika dat zijn nieuwe vaderland zou worden. Dertig jaar later publiceerde hij een baanbrekende biografie van de president die hij als jongeling zo bewonderde. Hamilton rekende daarin af met de gangbare visie dat Kennedy pas geïnteresseerd raakte in de politiek nadat zijn oudste broer in 1944 was gesneuveld. JFK was allerminst de willoze spreekbuis van zijn vader: de reactionaire en antisemitische Joe Kennedy, die als ambassadeur in Londen zijn bewondering voor Hitler niet onder stoelen of banken stak.

De biografie kwam Hamilton op de woede van de familie Kennedy te staan, maar die nam hij voor lief. Een dikke huid hoort erbij – ook dat leerde hij van zijn Amerikaanse vakgenoten. ‘Vergeet niet dat juristen al in 1964, in naam van de Freedom of Speech uit het Eerste Amendement, de wetten ten aanzien van smaad en laster hebben gekraakt. Een mijlpaal in de geschiedenis van de Amerikaanse biografie.’

How is Mark Roetèèèh!

’s Avonds ben ik met Hans Renders, boardmember van BIO, op de congresborrel. De receptie vindt plaats in de neo-Victoriaanse bibliotheek van Fabbri Mansion in East 95th Street aan de voet van Central Park; op het programma is een mystery guest aangekondigd. Rond een uur of zeven arriveert hij: het is Robert Caro, de éminence grise van de Amerikaanse biografie, begeleid door zijn echtgenote Ina Caro-Schlossberg. ‘Hans, how is Mark Roetèèèh!’ Caro slaat de directeur van het Biografie Instituut Groningen joviaal op de schouder, al is hij verbaasd dat Hans Mark Roetèèèh niet kent. ‘Ina, Hans doesn’t know his prime minister!’ roept Caro zijn vrouw geamuseerd toe.

De eerste keer dat Hans Renders biograaf Kitty Kelley ontmoette, tien jaar geleden alweer, stelde ze zich voor als: ‘Kitty Kelley, six million copies.’ Tijdens de opening van het congres komt ze zo onopvallend mogelijk binnen, een verschijning van hooguit 1,55 meter met het haar in een boblijn geknipt en een ietwat verlegen glimlach, omgeven door een wolk van parfum en een enkele bewonderaar, die ze hartelijk maar kort te woord staat. We duiken een achterafzaaltje van het Leon Levi Center in voor een gesprek.

Ze steekt voortvarend van wal: ‘Ik was een jaar of dertig, had een boek over de wellnesscentra in Amerika geschreven, waarvan ik er veertien had verkocht, wellicht allemaal aan mijn moeder, toen ik besloot de biograaf van Jackie Kennedy-Onassis te worden.’

Kelley leerde het vak van Ben Bradlee, de legendarische hoofdredacteur van The Washington Post. Ze was zijn onderzoeksassistent, wat in die tijd vooral betekende dat je hem zijn koffie bracht. Voor een vrouwelijke reporter was het regionale nieuws of de entertainmentpagina het hoogst haalbare. Kelley besloot te gaan freelancen.

Ik dacht alleen maar: “Kitty, shut up and listen.” En dat ben ik tot op de dag van vandaag blijven doen.’

Het interview voor haar biografie van Jackie Kennedy-Onassis met George Smathers, senator uit Florida en beste vriend van John F. Kennedy, werd legendarisch. Smathers deed een boekje open over de seksuele escapades van JFK terwijl Jackie kampte met een zware depressie nadat hun dochtertje Arabella tijdens de geboorte overleden was. Kelley zet een meisjesstem op en trekt een pruillip: ‘“Maar senator, hoe kunt u dat nou weten? U zat toch niet onder zijn bed,” vroeg ik hem. “O,” zei Smathers, “Jack hield ervan om de liefde in aanwezigheid van anderen te bedrijven.” Ik dacht alleen maar: “Kitty, shut up and listen.” En dat ben ik tot op de dag van vandaag blijven doen.’

Na verschijning van de biografie kreeg Smathers van The Washington Post alle gelegenheid zijn onthullingen over het seksleven van Kennedy te ontkennen, maar dat deed hij niet. Hij had zich laten inpakken door dat domme blondje uit Georgetown, gaf hij in alle ootmoed toe.

Vijftien jaar na de traumatische gebeurtenis in Dallas begon het beeld van de jonge, dynamische president scheuren te vertonen. Kelley stond aan de wieg van die ontluistering.

Het persoonlijke is politiek

Kitty Kelley schreef vervolgens biografieën van Frank Sinatra, Elizabeth Taylor, Nancy Reagan, de familie Bush, Oprah Winfrey en de Windsors. Ze verwierf bij het establishment de reputatie een tabloid biografe te zijn, maar ze oogstte vanwege haar gedegen onderzoek ook bewondering.

‘Ik schrijf over mensen die ongelooflijk machtig zijn en van wie we de publieke invloed dagelijks ondergaan,’ zegt ze. ‘Voor mijn biografie van Oprah Winfrey heb ik meer dan duizend mensen geïnterviewd, ondanks de geheimhoudingsclausules die Oprah met haar medewerkers heeft afgesloten. Oprah is een rolmodel, vrouwen zijn enorm door haar beïnvloed. Ik wilde laten zien aan welk milieu zij zich ontworsteld heeft, hoe ze zich ontwikkelde tot de vrouw die zij vandaag de dag is en hoe ongelooflijk zwaar dat is geweest.’

Winfrey was woedend. Op haar website noemde ze het boek een ‘ongeautoriseerde biografie’, alsof dat een diskwalificatie is.

‘Ik laat me erop voorstaan dat ik ongeautoriseerde biografieën schrijf,’ zegt Kelley. ‘Ik kijk bepaald niet uit naar een wereld waarin alle informatie geautoriseerd, gezuiverd en eenvormig is. Een van mijn motto’s in mijn werk is een uitspraak van John F. Kennedy: “De grootste vijand van de waarheid is vaak niet de leugen – slinks, opzettelijk en oneerlijk – maar de mythe – volhardend, overtuigend en irreëel.”’

‘Als in deze ruimte vijf academici aanwezig zouden zijn, zouden ze op dit moment over de grond rollen van het lachen of die brandblusser naar je hoofd gooien.’

Uiteindelijk gaan haar boeken over macht en roem, de zin en onzin van de celebritycultuur waarin we vandaag de dag leven, en de vervlechting van de boven- en onderwereld, ook in Hollywood en Washington. Gerenommeerde historici als Robert Dallek, die in zijn biografie van Kennedy uit 2003 over diens medicijnverslaving schreef, keken in de keuken van Kelley.

Het persoonlijke is wel degelijk politiek. Voelt Kelley zich erkend door die gevestigde orde, heeft ze mensen als Dallek iets geleerd? ‘Als in deze ruimte vijf academici aanwezig zouden zijn, zouden ze op dit moment over de grond rollen van het lachen of die brandblusser naar je hoofd gooien.’

Hou van de zondaar

Nigel Hamilton herinnert zich maar al te goed zijn studententijd in Cambridge waarin de privacy van een historische figuur tot no-go-area werd verklaard: ‘Het dedain voor het persoonlijke, het snobisme! Wij waren de dekens van de hogere cultuur, en de schandalen behoorden toe aan de boulevardpers. Geschiedenis was een intellectuele discipline waarin je deze sferen strikt gescheiden moest houden. Met dat snobisme hebben de Amerikanen volledig afgerekend. Voor mij is het enorm leerzaam geweest om in de Amerikaanse traditie van de biografie te werken.’

Jack Farrell is ervan overtuigd dat mensen als Kitty Kelley het ambacht van de biograaf voorgoed hebben veranderd. ‘Kelley is ongetwijfeld een van de grote onderzoeksbiografen in de Verenigde Staten. Op haar eigen manier is ze net zo revolutionair geweest als Robert Caro. Kelley heeft ons deze meedogenloze gedrevenheid laten zien om het publieke imago van een beroemdheid af te pellen, om zo tot de kern van een persoonlijkheid te komen.’

Ook Farrell deed er zijn voordeel mee: ‘Het innerlijk leven van een politicus is wel degelijk een factor van betekenis in de geschiedenis. Uiteindelijk is dat wat de biograaf van de historicus onderscheidt. De historicus kijkt naar een gebeurtenis en onderzoekt het effect daarvan, terwijl de biograaf probeert te begrijpen waarom iemand handelt zoals hij handelt. Waarom speelde Nixon zo’n hoog spel om verkozen te worden? Waar kwam die kwaadaardige genialiteit vandaan? De sleutel tot zijn persoonlijkheid is zijn uitspraak tijdens het interview met David Frost in 1977: “Ik ben een onbeminnelijk persoon.” Stel je voor, Nixon, ooit de machtigste man in de Verenigde Staten, beseft terdege dat het merendeel van de mensheid hem afstotelijk vindt. Dat brengt me terug naar zijn jeugd in Orange County in Californië. Een bullebak van een vader, de afwezige moeder. Nixon is een emotioneel verwaarloosd kind.’

Volgens de catalogus van de Digital Public Library of America zijn over George Washington meer dan 2.700 biografieën verschenen.

Het lijkt wel of Farrell, exponent van de protestjeugd van de jaren zestig, Nixon pardonneert. ‘Ik heb wel iets met die christelijk notie van: “Haat de zonde, maar hou van de zondaar,”’ zegt Farrell.

Geen definitieve biografie

De Amerikaanse boekenmarkt zet per jaar een slordige 27 miljard dollar om, en in 2017 werden er meer dan 23 miljoen biografieën verkocht. Alleen God en gezondheid doen het in de non-fictie beter. Het genre van de biografie is een factor van betekenis. Ook politiek gezien, want de non-fictie bestsellerlijst van The New York Times onthult dat Amerikanen vooral geïnteresseerd zijn in presidentiële biografieën, van Donald Trump tot aan de founding fathers toe.

‘Onze geschiedenis is zo jong,’ verklaart Jack Farrell het fenomeen. ‘In de negentiende eeuw probeerden Amerikanen het besef in stand te houden dat zij de zonen waren van de vaders van de vrijheid. De founding fathers stonden voor iets dat zij verder moesten uitdragen. In de jaren dertig, ten tijde van Franklin Delano Roosevelt, hielden de Democraten hun Jefferson-Jackson Days, gigantische bijeenkomsten waarop de partij fondsen wierf. Vandaag de dag staan Thomas Jefferson en Andrew Jackson voor heel andere dingen. Jefferson symboliseert de grote contradictie van dit land. De man die schreef het een vanzelfsprekende waarheid te vinden dat alle mensen gelijk geschapen zijn, was een slavenhouder! Je kunt deze levens onuitputtelijk ter hand nemen en erin lezen wat je erin wilt lezen. We kijken naar onze helden door het prisma van de problemen waarmee we vandaag de dag te maken hebben.’

Volgens de catalogus van de Digital Public Library of America zijn over George Washington meer dan 2.700 biografieën verschenen. Zou daar ook de definitieve biografie tussen zitten? ‘De definitieve biografie bestaat niet,’ zegt Nigel Hamilton. ‘Mijn laatste deel van de biografie van Franklin Delano Roosevelt gaat Oorlog en vrede heten. Die titel is weleens gebruikt, zoals je weet. Het verschil tussen Lev Tolstoi en Nigel Hamilton is dat zijn meesterwerk altijd zal blijven voortbestaan, terwijl het mijne geleidelijk zal verdwijnen. Elke generatie herinterpreteert het verleden en de mensen die daarin een rol speelden.’

In september komen Hamilton en Farrell naar Nederland, als sprekers tijdens het congres Different Lives dat het Biografie Instituut in Groningen organiseert. Hamilton geeft er een masterclass. Wat wil hij de toekomstige biograaf leren?

‘Wees sensitief voor de omslagpunten in een mensenleven. Doe je archiefonderzoek niet als een simpele invuloefening, maar wees empathisch, probeer te begrijpen wat mensen beweegt, waarom ze de beslissingen nemen die ze nemen.’

Wat heeft híj geleerd van de Grote Amerikaanse Biografie? ‘De biograaf wil een uniek leven onderzoeken en begrijpen, en dat met al zijn compositorische en stilistische vaardigheden zo goed mogelijk voor het voetlicht brengen, zodat hij uiteindelijk kan zeggen: “I saved a life.”