Wat zijn de overeenkomsten tussen een in Ethiopië gebrande koffieboon, het nieuwe credo van de Amsterdamse jeugdzorg, échte groene stroom, het virtuele Filippijnse lokmeisje ‘Sweetie’ en paddestoelen kweken op koffiedrab? Niets meer, maar ook niets minder, dan dat de mensen achter deze en negen andere initiatieven door een jury zijn uitverkoren tot Radicale vernieuwers. Zij hebben gemeen dat zij hun dromen over een betere en leukere wereld omzetten in daden, vaak tegen de stroom in. Sommige zijn klein en lokaal, andere zijn groots en mondiaal. Sommige zijn zakelijk ingesteld, andere verre van dat. En sommige staan geheel op eigen benen, terwijl andere binnen bestaande instellingen zaken in beweging brengen. Er zijn kortom, veel verschillende smaken als het om vernieuwing gaat. Maar de rode draad is het daadwerkelijke streven naar sociale en duurzame oplossingen.

Voor het tweede jaar is Vrij Nederland met Kennisland, denktank voor sociale vernieuwing, op zoek gegaan naar Radicale vernieuwers. Deze keer met steun van Stichting DOEN, fonds voor duurzame, culturele en sociale initiatieven. Er kwamen meer dan tweehonderd inzendingen in drie verschillende categorieën: de beste projecten die in 2013 tot wasdom zijn gekomen, de beste initiatieven die zich in de nabije toekomst nog moeten bewijzen en de oeuvreprijzen voor degenen die al langer radicaal vernieuwend actief zijn.
De jury stond onder leiding van Daan Roosegaarde, ontwerper, kunstenaar, ondernemer en nog veel meer. Hij is onder andere bekend door zijn ‘lichtgevende snelweg’ en zijn bijzondere objecten met led-lampen die reageren op geluid en aanraking.
Bij de jurering zocht hij vooral naar mensen en ideeën die al dan niet van binnenuit ‘het systeem’ proberen te veranderen en te verbeteren, duurzaam en vernieuwend. De jury besloot, op eigen radicale wijze, geen winnaars in de drie categorieën aan te wijzen, maar koos veertien, vaak heel verschillende, Radicale vernieuwers. Op 20 mei stelden zij zich voor op een feestelijke bijeenkomst in Amsterdam. In dit nummer kunt u nader met ze kennismaken.

Ze draagt een onopvallende zijden blouse op een spijkerbroek die ze van een vriendin heeft gekregen. Ze spreekt rustig, kijkt af en toe peinzend uit het raam voordat ze de juiste woorden vindt. Hasmik Matevosyan heeft op het eerste oog niets van een radicale fashionista. Toch is de jonge ontwerpster, zeventwintig en anderhalf jaar geleden afgestudeerd aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht, er ten diepste van overtuigd dat ze een revolutie in de modewereld gaat ontketenen. En ze is niet de enige. Tijdens de laatste Amsterdam Fashion Week was het verzamelde modepubliek diep onder de indruk van haar speech.

Terwijl ze thee inschenkt, zet Matevosyan wat verontrustende feiten op een rij: dertig procent van alle kleding wordt nooit verkocht maar roemloos weggegooid en verbrand. Nog eens dertig procent vindt zijn weg naar de consument in de uitverkoop. Slechts veertig procent gaat voor de oorspronkelijke verkoopprijs over de toonbank. Per jaar gooien we in Nederland bovendien een slordige tweehonderd miljoen kilo aan kleren weg. ‘Afgezien van alle milieuvervuiling en uitbuiting is dat een van de dingen waaraan ik iets wil veranderen in de mode-industrie: er wordt te veel kleding geproduceerd die helemaal niemand wil hebben.’

De laatste trends

Op haar vijfde leerde ze in Armenië breien van haar moeder, een tante hielp haar op weg met de naaimachine. Jarenlang had ze ervan gedroomd zelf kleding te ontwerpen, maar het eerste jaar aan de academie in Utrecht ervoer ze als één grote shock. ‘Ineens werd me duidelijk hoeveel naïviteit en oppervlakkigheid er in de mode is. De ontwerper, de producent en de consument: niemand lijkt écht verantwoordelijkheid te nemen voor de consequenties van zijn handelen.’Natuurlijk, er zijn steeds meer ontwerpers die zich bezighouden met duurzaamheid, maar die staan vaak ver af van de modewereld. ‘Het onderzoek naar hoe je verantwoord kleding kunt produceren, is tijdsintensief en duur. Esthetiek komt dan vaak op de laatste plaats.’ Bovendien besteden de ontwerpopleidingen volgens Matevosyan veel te weinig aandacht aan duurzaamheid. ‘Ik kreeg te horen dat ik vooral mijn eigen creativiteit moest uiten, terwijl ik vind: anderen gaan jouw kleding dragen en produceren, je zou met hún behoeften bezig moeten zijn.’ De mode is een totaal fout, dolgedraaid systeem geworden, zegt Matevosyan. Producenten zijn gebaat bij het verkopen van grote volumes, ze beconcurreren elkaar op zo laag mogelijke kosten en betalen daardoor veel te lage lonen. Consumenten op hun beurt willen vooral de laatste trends en kopen bij voorkeur zo goedkoop mogelijk. En nee, zegt Matevosyan, dat kun je ze ook niet verwijten. ‘Vroeger gingen rijke dames naar een naaister, de rest zette zelf wat in elkaar. We zijn vergeten dat mode mensenwerk is. Kleding is een wegwerpartikel geworden.’

Truien uit elkaar

Ze zwijgt even, vertelt dan met enige aarzeling hoe haar ouders na de val van de Sovjet-Unie alles kwijtraakten. Moeder verdiende geld door te breien en kleding te vermaken. ‘Ze haalde truien uit elkaar, breide er een nieuwe van. Door al die armoede weet ik wat hergebruik betekent en hoe waardevol dat is.’ Op haar dertiende vluchtte Matevosyan met haar ouders naar Nederland. Ze wil er niet dramatisch over doen, maar de ervaring heeft haar wel getekend. ‘Op de hele wereld zijn er miljoenen vrouwen als mijn moeder, die kleding maken voor de kost. Ik vind dat die een beter bestaan verdienen.’Met het fanatisme van een missionaris deed Matevosyan de afgelopen vier jaar onderzoek. Ze legde een online database aan over duurzaam produceren, bestudeerde tweehonderd jaar modegeschiedenis en interviewde tientallen mensen om tot de psychologie achter hun kleding te komen. Ze bedacht een nieuw designsysteem en een bijbehorend businessmodel om haar collega’s in de mode-industrie tot verandering aan te sporen. Juist de grote modemerken moeten de handschoen oppakken, vindt Matevosyan. ‘Zij zijn de verbinding tussen de producent en de consument.’

Kledingbibliotheek

De kern van haar revolutie: ontwerpers moeten beter aansluiten bij wat klanten willen. Ze is ervan overtuigd dat daarmee het probleem van de dertig procent onverkochte kleding wordt opgelost. De mode hoeft daarbij niets aan creativiteit in te boeten. ‘Je moet het ontwerp niet aan de consument overlaten, maar wel beter luisteren naar zijn behoefte. In elke tak van design onderzoeken we tot in den treure wat de consument wil, de mode is daarin volstrekt achtergebleven. Denk aan vrouwen met een grote boezem: maak desgevraagd voor hen de bh-bandjes breder, zorg dat de overhemden in grote maten van voren wél dicht kunnen.’ Bovendien bouw je op die manier een duurzame relatie op. ‘Nu moet je de aandacht van de klant vasthouden door elke vier weken weer wat nieuws in het rek te hangen, straks komen ze nieuwsgierig om te kijken of jij die jurk naar hun wensen hebt aangepast.’ In haar businessmodel wordt de kledingprijs bovendien niet langer gebaseerd op de productiekosten, maar op hoe vaak en hoe lang de kleding gebruikt wordt. Wie wil, kan nog steeds tegen nieuwprijs kopen. Maar wie minder wil besteden, zou kleren ook moeten kunnen lenen, bijvoorbeeld via een abonnement. ‘Denk aan een kledingbibliotheek waar je couture leent voor een sollicitatiegesprek.’ Vies? ‘Welnee, je kunt het toch gewoon wassen? Nu verkopen grote merken en retailers een kledingstuk maar één keer, dus proberen ze een zo hoog mogelijk rendement tegen zo laag mogelijke kosten te halen. Als jouw verdienmodel er vanaf hangt of mensen blijven terugkomen, ga je vanzelf betere kwaliteit maken. Bovendien kun je betere lonen betalen omdat je geen verlies meer lijdt op onverkochte rommel.’

Natuurlijk, er zitten nog wat haken en ogen aan. Over hoe het moet met belasting en verzekeringen is ze nog in gesprek met advocaten en accountants. En om haar model echt te kunnen testen, hoopt ze dat een grote retailer als H&M ermee wil experimenteren. De eerste contacten zijn gelegd. Intussen schrijft ze elke dag aan een boek waarin ze haar nieuwe paradigma voor de modewereld uitlegt. Haar bijbaan in de catering heeft ze opgegeven om zich volledig op haar missie te kunnen storten. ‘Met wat ik maak wil ik bijdragen in plaats van verwoesten. Ik kan niet liefdevol iets ontwerpen dat aan de andere kant van de wereld mensen vermoordt. Dat wil ik niet.’

Heel bestuurlijk Nederland heeft er rondom de decentralisatie van de jeugdzorg de mond van vol: geef ouders en jongeren zélf de regie, laat hen zélf vertellen welke hulp ze nodig hebben. Omdat er intussen ook grootscheeps wordt bezuinigd, woedt er tussen alle aanbieders van jeugdhulp een enorme belangenstrijd. Toch besloten twaalf jeugdhulporganisaties in Amsterdam tot een bijzondere samenwerking. Begin dit jaar lanceerden ze Sam, een digitaal platform waar ouders en jongeren terecht kunnen met vragen over opvoeden en opgroeien. Ze vinden er niet alleen een uitgebreide informatiedatabase, maar kunnen er ook direct in contact komen met een hulpverlener van een van de twaalf organisaties. Sams worden die genoemd, oftewel: Sociale Amsterdammers. De Sams staan op de site met hun eigen naam, een foto en een korte omschrijving van zichzelf en hun expertise. Zo is er onderwijsspecialist Jaap (‘44 jaar, man, houdt van squash, muziek en theatersport’), die verstand heeft van hoogbegaafdheid. Wie een vraag heeft, kan zijn Sam, pardon Jaap, direct benaderen via WhatsApp, e-mail of Skype. Als het nodig is, komt een Sam ook thuis langs of op school. Bovendien kunnen ouders en jongeren nadien een beoordeling geven van de hulp. ‘Zo wordt de kwaliteit van hulpverlening net zo transparant als wanneer je een hotel boekt via Booking.com,’ aldus Petra van Tiggelen van de Amsterdamse GGD, een van de initiatiefnemers. Met Sam onderzoeken de organisaties hoe ze met hun zorgaanbod beter kunnen aansluiten bij de behoeften van cliënten. ‘Via ons platform krijgen burgers de hulp die ze zelf kiezen.’

Het project is begonnen met gesloten beurzen: de organisaties krijgen voor de klanten die via Sam binnenkomen geen extra geld, ze financieren vijftien uur aan hulp uit hun eigen budget. ‘We willen met Sam ook laten zien hoe verkokerd het zorgstelsel is. Door alle bureaucratie blijft lichte problematiek nu te lang liggen en wordt de zorg onnodig duur. Als cliënten niet helemaal binnen de regels en financiering passen, zoeken we zelf een oplossing. De gemeente Amsterdam heeft bovendien een transitiepot toegezegd: noodzakelijke hulp die niet in het systeem past, gaat zij betalen.’ Leidt de laagdrempeligheid van Sam niet tot een enorme toename in de vraag? ‘In het begin hoorden we vaak: je zult zien dat ouders uit Amsterdam-Zuid via Sam een dure psychiater voor hun kind gaan kiezen. Dat blijkt reuze mee te vallen. Mensen vragen vooral heel gericht en bescheiden om hulp.’

Vrij Nederland 24 mei 2014

Vrij Nederland 24 mei 2014

Vrij Nederland 24 mei 2014

Vrij Nederland 24 mei 2014

Vrij Nederland 24 mei 2014

Vrij Nederland 24 mei 2014

Vrij Nederland 24 mei 2014

Vrij Nederland 24 mei 2014

Vrij Nederland 24 mei 2014

Eigenlijk was het een heel simpel idee: waarom zou de consument zijn groene stroom niet direct van de producent kunnen krijgen, zonder tussenkomst van een energiebedrijf? Met die gedachte begonnen Remco Wilcke en Matthijs Guichelaar in de zomer van 2012 aan Vandebron: een online platform dat klanten direct in verbinding brengt met de producenten van duurzame energie. In de meeste gevallen zijn dat boeren met windmolens, zonnepanelen of mestvergisters. Tot nu toe is het zo dat je als gewone consument afhankelijk bent van grote energiebedrijven voor je groene stroom, die vaak met certificaten uit Noorwegen wordt ingekocht terwijl dezelfde bedrijven in Nederland verder bouwen aan zwaar vervuilende kolencentrales. Erg transparant is het allemaal niet: wat de werkelijke kosten zijn, welke marges de energiebedrijven rekenen en wat ze daar precies voor doen, is bijzonder moeilijk te achterhalen. Dat moet anders kunnen, dachten Wilcke en Guichelaar. Samen met hun compagnons Aart van Veller en Michael Fraats schreven ze een businessplan. Ze worstelden zich door een woud van regels en vergunningen, vonden investeerders, ontwikkelden speciale software om het complexe systeem van energieleveranties voor de consument zo simpel mogelijk te maken, en gingen van start. Binnen anderhalf jaar was Vandebron online (zie ook vn.nl/geweten).

Voor de gebruiker is het een fluitje van een cent: je vult je gegevens en je voorkeur in – bijvoorbeeld wind van Rens Davidse, boer op Walcheren – en Vandebron regelt de rest. Het wonder is: de consument weet precies wat hij krijgt en is goedkoper uit, én de producent krijgt een veel betere prijs dan wanneer hij aan een energiebedrijf levert, zodat de productie van groene stroom ook nog eens wordt gestimuleerd. Hoe dat kan? Vandebron rekent voor zijn diensten alleen het ‘vastrecht’ – het abonnement – en geen marge op de stroom, zoals de grote energiebedrijven. Bovendien heeft de kleine organisatie heel weinig overhead, zodat de abonnementskosten laag kunnen blijven. Als de oprichters van Vandebron hun zin krijgen, zijn de grote energiebedrijven op den duur volstrekt overbodig. Nuon, E.On en Essent hebben nog niet officieel op de kleine concurrent gereageerd. ‘Maar we hebben gehoord dat ons initiatief tot in de boardrooms is besproken,’ grinnikt Remco Wilcke. De ambities van Vandebron zijn grenzeloos. Matthijs Guichelaar: ‘Voor zover we weten lopen we voorop in heel Europa.’ Het grootste probleem is de naamsbekendheid: weinig mensen hebben nog van Vandebron gehoord. Daar moeten slimme online-campagnes komen
d jaar verandering in brengen.

‘Het leek hier wel Tsjernobyl, de eerste keer dat ik binnenkwam. Her en der stonden stoelen, overal lagen spullen, lichten brandden, ventilatoren draaiden, lampjes van besturingssystemen knipperden. Alsof mensen van het ene op het andere moment alles uit hun handen hadden laten vallen en naar buiten waren gerend.’ Toen ondernemer Siemen Cox (39) vorig jaar maart langs het verlaten koepelgebouw van het failliete zwemparadijs Tropicana aan de Rotterdamse Maasboulevard reed, kreeg hij een ingeving. Hij zag de lentezon door het glazen dak schijnen en dacht: dit is dé perfecte plek voor een grote stadskas. Op de netwerksite LinkedIn zocht hij contact met de vastgoedeigenaar. Die bleek nogal in zijn maag te zitten met het al drie jaar leegstaande pand. Een paar weken later kreeg Cox de sleutel en betrok hij zijn nieuwe werkplek.

In een mum van tijd verbouwde hij de kelderruimte, waar vroeger het beautycentrum van het waterparadijs zetelde, om tot een kwekerij van oesterzwammen. Niet zomaar een kwekerij, maar een die volledig werkt met duurzame materialen. De voedingsbodem bestaat uit koffiedik en -schilletjes die Cox en zijn zakenpartner Mark Slegers een paar keer per week met de bakfiets ophalen bij lokale horecazaken. De rest van het recept: een beetje gemalen kalk en paddestoelenbroed. Het mengen doen ze met de hand, in grote vijftigliterbakken.

Fanatieke koffiedrinkers

Het idee deed Cox een paar jaar geleden op bij een workshop voor het aanleggen van eetbare tuinen. Tot het cursusmateriaal behoorde het boek De blauwe economie van Gunter Pauli, met daarin honderd voorbeelden van hoe afval opnieuw gebruikt kan worden. De casus van paddenstoelen kweken op koffiedrab bleef hem op een of andere manier het meest bij. Lachend: ‘Misschien omdat wij Nederlanders met gemiddeld 3,2 kopjes per dag fanatieke koffiedrinkers zijn.’ Cox werkte op dat moment nog als pensioenadviseur, maar voelde zich al lange tijd niet meer verbonden met de verzekeringsbranche. ‘Het geld klotste er tegen de plinten aan, maar ik werd er niet gelukkiger van. Klanten werden gezien als polisnummers en de eigen toko ging altijd voor.’ Over zijn beslissing het roer om te gooien hoefde hij niet lang na te denken.Hij zwaait de deur open naar de zogenaamde incubatieruimte van de oesterzwammen. Een kleine houten kaptafel in de hoek van de donkere bedompte ruimte verraadt nog de originele bestemming: dit was vroeger een van de behandelkamers van de schoonheidssalon. Nu hangen aan de muren grote doorzichtige zakken gevuld met het zwarte broedmengsel. Zodra de inhoud wit wordt – lees: gaat schimmelen – verplaatst Cox de zakken naar een van de koelere kweekkamers verderop, de oude kleedruimte van het waterparadijs. Daar duurt het nog een aantal weken voordat de oesterzwammen ontspruiten. En dan zijn ze meteen klaar om verorberd te worden. ‘Voor een gemiddeld bord met eten is al snel zo’n tienduizend kilometer afgelegd, maar wij sluiten de cirkel van grondstof naar productie en consumptie in slechts 3,7 kilometer,’ aldus een trotse Cox.

Tien kilo per maand

Dat geld hem niet gelukkig maakt, is maar goed ook. Van zijn hoge inkomen is weinig meer over. Zijn dure koophuis in Berkel en Rodenrijs heeft hij moeten inruilen voor een kleinere huurwoning in Puttershoek. Uiteindelijk mikken de initiatiefnemers van RotterZwam op een maandelijkse productie van 350 kilo oesterzwammen, maar tot nu toe blijft de oogst steken op zo’n tien kilo per maand. Die wordt voornamelijk verkocht aan een nabijgelegen lunchroom en een banketbakkerij die de oesterzwammen verwerkt in vegetarische kroketten en bitterballen. De opbrengst wordt helemaal in het bedrijf gestoken. Hun kostje verdienen de ondernemers nu vooral met het geven van workshops, rondleidingen en lezingen.
Voor het waarmaken van hun hoge ambities hebben ze een grote automatische mengmachine nodig. Na een succesvolle crowdfundingactie, die dertigduizend euro opbracht, kunnen ze die investering nu eindelijk doen. Met de rest van het geld zouden ze het liefst verdere verbouwingen aan het pand financieren. Vooral het zwembadgedeelte is wel toe aan een flinke opknapbeurt. Overal steken stroomkabels uit de grond, ramen zijn gebarsten en het dak lekt. Hun oorspronkelijke plan was het hele zwemparadijs om te toveren tot een stadskas vol met bijzondere gewassen als verse gember en vanille. Cox zag het helemaal voor zich: regenwater opvangen in de betonnen bunker waarmee het golfslagbad werd aangestuurd, het hele dak bedekt met zonnepanelen, woekerende planten rondom de glijbanen. Maar tot nu toe is het er niet van gekomen, want de vastgoedeigenaar wijzigt met enige regelmaat zijn plannen. ‘Voorlopig houden we het dus bij de paddenstoelen,’ zegt Cox. ‘En daar hebben we onze handen ook nog wel even vol aan.’

Is een biologische hamburger nou duurzamer dan een sojaburger? En is een elektrische auto door het gebruik van batterijen stiekem toch vervuilender dan een gewone auto met een heel lichte benzinemotor? Nog even en we krijgen op dit soort prangende vragen eindelijk duidelijke antwoorden. Tenminste, als het aan de initiatiefnemers van True Price ligt. Zij hebben een methode ontwikkeld waarmee de échte kostprijs van producten berekend kan worden. Er wordt daarbij niet alleen gekeken naar de kosten die het bedrijf heeft gemaakt, maar ook naar de belasting voor het milieu en de sociale kosten, zoals de arbeidsomstandigheden. ‘De bedoeling is niet dat de winkelprijs hoger wordt, maar dat consumenten betere keuzes kunnen maken,’ legt oprichter en directeur van True Price Adrian de Groot Ruiz (31) uit. ‘En dat bedrijven die voorheen verborgen kosten vervolgens zoveel mogelijk verlagen.’

De econometrist en gedragseconoom was altijd al gefascineerd door de vraag hoe je met innovaties vanuit het bedrijfsleven en de consumenten ook daadwerkelijk iets kan toevoegen aan duurzaamheid. Als vijftienjarige ontwierp hij met wat vrienden een golfslaggenerator die duurzame energie produceerde. Ze wonnen prijzen en stonden er zelfs mee op de Wereldexpo in Hannover, maar geen enkel bedrijf zag er brood in. ‘Wat goed is voor de samenleving, lijkt niet altijd goed vanuit een bedrijfsoogpunt,’ aldus De Groot Ruiz. ‘Met True Price willen we dat de economie gaat werken voor de maatschappij.’Hoe True Price werkt? ‘Bij de kosten van koffie uit Brazilië hebben we bijvoorbeeld gekeken: hoeveel water gebruiken de boeren, hoeveel arbeiders hebben ze nodig, hoeveel krijgen die betaald en in welke omstandigheden werken ze, hoeveel energie wordt er gebruikt, hoe wordt de koffie bewerkt en getransporteerd naar Nederland? Eigenlijk onderneem je een hele reis door de productieketen. Alles wat we zien, zetten we om in financiële cijfers.’ Tot hun klantenkring mogen ze al grote jongens rekenen als Rabobank, ABN Amro, DSM en AkzoNobel. ‘Steeds meer bedrijven proberen het huidige lage consumentenvertrouwen omhoog te krijgen door transparanter te zijn over wat ze doen,’ verklaart De Groot Ruiz de sterke animo. De eerste grote projecten worden nu afgerond. Nieuwe klussen volgen snel, verwacht hij. Voo

r wie zich geroepen voelt: True Price zoekt een senior econoom en projectmanager die zich daarin willen vastbijten.

Psychiater Jan Mokkenstorm vertelt hoe ze laatst werden gebeld door een man. ‘Hij zei: “Ik sta in de Ardennen. Het is hier pikkedonker. Ik denk dat ik het ga doen, ik twijfel alleen nog hoe. Jullie zijn de laatste die ik bel, dat wilde ik jullie laten weten.”’

Een telefoonteam achter computers in een steriel kantoorpand in de Bijlmer: op het eerste oog zou het een willekeurig callcenter kunnen zijn. Maar wie hier naartoe belt of zich meldt via mail of chat (0900-0113; www.113online.nl), verkeert in grote geestesnood. 113Online is een platform voor online zelfmoordpreventie. Mensen kunnen er een uur praten met een vrijwilliger of stagiair. Bij een acute, levensbedreigende situatie wordt onmiddellijk doorgeschakeld naar een psycholoog. Ook is het mogelijk om via het platform bij professionele therapeuten online therapie te volgen, bestaande uit een serie van acht gesprekken over de telefoon, chat of mail.

Aan de kant van het leven

113Online staat aan de kant van het leven en probeert te zoeken naar een uitweg uit de wanhoop, vermeldt de website. ‘De ChristenUnie is groot fan van ons, maar we zijn niet gebaseerd op religieuze of ideologische grondslag,’ haast oprichter Mokkenstorm zich te zeggen. Ze zijn er ook niet voor tips bij zelfdoding. ‘Het gaat ons er om dat er een plek is waar mensen over hun gedachten aan zelfmoord kunnen spreken. Daarop rust nog altijd een gigantisch taboe, terwijl praten juist essentieel is bij suïcidepreventie.’ In Nederland lijken we zelfmoord te accepteren als iets dat bij het leven hoort, zegt Mokkenstorm. ‘Het aantal doden door borstkanker, verkeersongelukken en aids is spectaculair afgenomen omdat we daar tegen ten strijde trokken. Intussen signaleren we al decennialang zo’n 1500 zelfmoorden per jaar. De afgelopen jaren stijgt dat aantal zelfs, in 2012 waren het er 1750. Dat we in die cijfers berusten, vind ik getuigen van gemakzuchtig pessimisme. De GGZ zou ernaar moeten streven het aantal suïcides onder haar patiënten terug te brengen tot nul. Ieder ander getal laat ruimte voor acceptatie van een eenzame en radeloze dood door eigen hand.’Toen hij als jonge psychiater de sleutel van zijn eerste afdeling in Vogelenzang kreeg, werd hem verteld: reken op twee tot vier zelfmoorden per jaar. ‘Eigenlijk is dat een elegante manier om te zeggen: we proberen niet eens om er iets tegen te doen. Bovendien zijn hulpverleners ontzettend bang voor de schuldvraag: wat als je iemands zelfmoord niet weet te voorkomen?’ Die angst is echter geen excuus, vindt Mokkenstorm. ‘Suïcide is niet zo ongrijpbaar als de GGZ lang heeft gedacht. Als je suïcide bespreekbaar maakt, is ongelooflijk veel leed te voorkomen.’

Internettherapie

Mokkenstorm is inmiddels directeur van de crisisdienst bij GGZinGeest, een grote instelling voor psychiatrie in Noord-Holland. 113Online is in de lucht sinds 2009, maar hij bedacht het platform jaren geleden al, toen de internettherapie opkwam. ‘Veel mensen schamen zich voor hun zelfmoordgedachten, vinden het moeilijk om naar de dokter te gaan. Waarom maken we daar geen online vrijplaats voor, dacht ik?’ Met professionele hulpverlening in de achterwacht kon hij de eerste opvang overlaten aan geoefende vrijwilligers en stagiairs. ‘Wij trainen onze mensen niet paniekerig te reageren, maar ook niet te zakelijk. Ze luisteren, zonder te oordelen. Laten iemand zijn perspectief op het leven schetsen, kijken met hem mee.’ Vaak is dat al voldoende om orde te scheppen in de tergende maalstroom van gedachten. ‘Ik ken maar heel weinig mensen die univalent dood willen. Tot op het laatste moment blijven ze op een uitweg hopen. Vandaar dat ProRail bordjes met ons hulpnummer langs het spoor heeft gezet. Wij helpen mensen tot zichzelf te komen, zodat ze in elk geval geen noodsprong maken. Als iemand zichzelf is en er in volledige rust en autonomie voor kiest om uit het leven te stappen, respecteren we dat. Maar ik vind het onverteerbaar als mensen alleen en radeloos een einde aan hun leven maken.’ Die radeloosheid kent hij niet alleen als dokter van nabij. Een goede vriend uit zijn studentenhuis pleegde zelfmoord, en Mokkenstorm zelf leed als student ook enkele maanden aan zelfmoordgedachten. Liever vertelt hij dat niet in interviews, omdat hij absoluut niet de indruk wil wekken dat zijn project alleen maar emotioneel gedreven is. ‘Het punt is: niet alleen als dokter maar ook uit eigen ervaring weet ik wat het betekent om weer hoop te hebben, en hoe je van daaruit verder kunt leven.’

Een non-event

Mokkenstorm is 52. Als hij over vijftien jaar met pensioen gaat, hoopt hij dat het aantal zelfmoorden in Nederland onder de achthonderd is gebracht. ‘Veertig procent van alle mensen die zelfmoord plegen, zijn ggz-cliënt. Nul suïcides per jaar is misschien onhaalbaar, maar het zou als ggz wel je ambitie moeten zijn.’ Met 113Online kunnen ze nu maar een beperkt aantal mensen helpen. Er is subsidie van het ministerie van VWS, verzekeraars willen niet meebetalen. ‘Ze erkennen dat onze hulp relevant en kostenbesparend is, maar wat we bieden is te modern voor de regels en heeft geen plaats in de ziektewet. Daar willen ze geen uitzondering op maken. Doodzonde, maar voorlopig lijken we uitgepraat.’ Omdat de middelen beperkt zijn, maakt 113Online afgezien van de bordjes langs de rails nauwelijks reclame. ‘We krijgen per dag vijfendertig tot veertig crisisoproepen en per week vijfentwintig aanvragen voor online therapie. Meer kunnen we nu niet aan.’ In het naastgelegen kantoor zit Cindy (26), psychologe, in een chat met een meisje van zestien. Het meisje schrijft niet alleen over haar gedachten aan zelfmoord, maar heeft ook allerlei waanbeelden. ‘Ik heb haar aangeraden ook via de huisarts hulp te zoeken. Het lastige is: ik spreek haar maar acht keer, daarna moet ik het loslaten.’ Ze heeft moeten leren haar werk niet mee naar huis te nemen, zegt de psychologe. ‘Als iemand gedreigd had dat hij in zijn wanhoop ook zijn gezin zou ombrengen, keek ik ’s avonds voor de zekerheid wel eens op nu.nl.’

De man die belde vanuit de Ardennen werd gered. Een van de hulpverleners heeft hem weer de auto in gepraat, terug naar zijn woonplaats. Daar heeft de crisisdienst het overgenomen. Nu woont hij weer bij zijn vrouw en kinderen. Mokkenstorm: ‘Het blijft lastig om aan te tonen hoeveel mensen je gered hebt. Het niet-plegen van zelfmoord is wetenschappelijk gezien een non-event: het is moeilijk te bewijzen dat iets door jouw toedoen niet is gebeurd. Toch zijn er elke maand wel tien van dit soort verhalen. Dat sterkt ons in het idee dat het zin heeft, wat we doen.’

Tot voor kort heetten ze Bureau Jeugdzorg, tegenwoordig Jeugdbescherming Regio Amsterdam. De naamsverandering symboliseert de enorme transformatie die de organisatie de afgelopen vijf jaar heeft doorgemaakt, zeggen directeuren Claire Vlug en Sigrid van de Poel: ze zijn geen ‘bureau’, maar gaan weer naar de gezinnen toe. In Amsterdam ontwikkelden ze de methodiek dat er voor ieder gezin één plan is en er één vaste medewerker als aanspreekpunt fungeert. En ja, dat is wel eens anders geweest. Ze zijn van ver gekomen, geven de directeuren toe.

Sinds de Wet op de Jeugdzorg uit 2005 verlenen de Bureaus Jeugdzorg in Nederland zelf geen zorg meer, ze stellen alleen een indicatie op en kopen de zorg in bij verschillende jeugdhulpaanbieders. De nieuwe wet loste de bureaucratie en versnippering van het zorgaanbod niet op. ‘De situatie bleef dat wij vanuit Bureau Jeugdzorg bedachten wat goed was voor een gezin. Met die gewoonte hebben we radicaal gebroken,’ zeggen de directeuren. ‘We bepalen nu mét het gezin.’ Het nieuwe credo: vraag ook het gezin zelf wat zij onder veiligheid van de kinderen verstaat, neem geen genoegen met halfbakken oplossingen als het bestaande zorgaanbod niet aansluit. ‘Als een jongere niet naar een pleeggezin kan omdat hij hechtingsproblematiek heeft, proberen we een prikkelarme woonwerkplek in een zorgboerderij te regelen.’ Ander voorbeeld: in plaats van kinderen uit huis te plaatsen, komt er eventueel een hulpverlener in huis wonen. ‘Dat zit niet standaard in het pakket van een aanbieder, dus dat is steeds een enorm gevecht.’Alle medewerkers ondergingen een intensief traject om tot meer zelfreflectie en een minder bureaucratisch werkwijze te komen. De lat ligt hoog: van het oude personeel werd vijftien procent ontslagen. De resultaten van het nieuwe ‘gezinsgerichte werken’ stemmen hoopvol: de cliënttevredenheid steeg van 5,5 naar 7,4 en door de inzet van het eigen netwerk van gezinnen wordt er steeds minder beroep gedaan op dure jeugdzorg. Bovendien daalde het aantal ondertoezichtstellingen en gedwongen uithuisplaatsingen met respectievelijk veertig en zestig procent. ‘Dat betekende overigens wel dat we in de financiële probl
emen kwamen,’ zegt Van de Poel. ‘Voor een ondertoezichtstelling krijg je geld, niet als je er een weet te voorkomen. Een idiote, perverse prikkel.’ ‘Natuurlijk gaat nog lang niet alles perfect,’ zegt Vlug, ‘maar ik heb echt het gevoel dat we onomkeerbaar op de goede weg zijn.’

Moyee Coffee-directeur Guido Staveren van Dijk heeft grote ambities. Hij wil de handel in koffie compleet op z’n kop zetten. Nu worden de groene koffiebonen geëxporteerd uit de koffieproducerende landen en geselecteerd, gebrand en gemengd in de landen waar koffie wordt gedronken. En dus wordt daar het geld verdient. Daaraan heeft de fair trade van organisaties als Max Havelaar niet veel veranderd. Ja, de boeren krijgen een paar centen meer voor hun bonen, maar de euro’s winst worden gemaakt met het selecteren, branden en mengen. Die winst belandt in de zakken van Big Coffee, multinationals als DE Master Blender, Nestlé en Kraft. De ongelijke verdeling van de inkomsten uit koffie is de laatste jaren alleen maar groter geworden. Bleef vroeger 45 procent van het geld hangen in de landen waar de koffie werd verbouwd, nu is dat nog maar vijftien procent. Het is daarom tijd voor een radicaal nieuw idee, vond Van Staveren van Dijk: Fair Chain in plaats van Fair Trade.

In Ethiopië koopt Moyee rechtstreeks bij boeren de beste koffiebonen in, maar geeft daar dan wel een twintig procent hogere prijs voor. En dat is niet alles. In de hoofdstad Addis Abbeba gaat Moyee zelf zijn koffie branden, samen met een lokale ondernemer op basis van een 50/50 verdeling van de winst. Armoedebestrijding is de kern van Moyees bedrijfsfilosofie. Maar dan niet door ontwikkelingshulp te geven, maar door handel te drijven. Hierdoor blijft de ‘toegevoegde waarde’ van de koffie in het land zelf. Het is een kleine revolutie. Moyee is de eerste koffiebrander in Ethiopië. De productie is met tachtigduizend kilo per jaar aanvankelijk nog bescheiden. Die koffie verkoopt Moyee vooral via het internet, maar Van Staveren van Dijk verwacht al in 2015 de productie zo op te schroeven dat hij ook aan supermarkten kan gaan leveren. Het mes snijdt aan twee kanten: niet alleen zijn ze in Ethiopië beter af, de consument in Nederland betaalt ook minder geld voor een superieure kop koffie. Na de lancering van Moyee in november van het afgelopen jaar was de reactie van DE Masterblenders sceptisch. Volgens een woordvoerder wilden consumenten constante kwaliteit, waarvoor vijf tot tien verschillende bonen uit verschillende landen nodig waren. Van Staveren zucht eens diep. Het zijn volgens hem allemaal gezochte argumenten om alles te laten zoals het is. Op dit moment wordt nog maar 0,6 procent van de koffie die wordt geconsumeerd gebrand in het land van herkomst. En dus is er een wereld te winnen.

De dag voor Koningsnacht is het warm achterin de Utrechtse krachtwijk Overvecht, dus de breiclub is naar buiten verplaatst. Onder de loofbomen in de tuin van woonzorgcentrum ’t Huis aan de Vecht staan tafels waar de meeste deelnemers een kwartier voor aanvang al zijn aangeschoven. Aan de rugleuningen van hun stoelen hangen tassen met hun werk erin. Niek van Hengel begint net te vertellen over Granny’s Finest, de onderneming die hij met Jip Pulles heeft opgericht, als een van de grannies – witte seniorengympen, dito haar, felblauwe cardigan – hem bij de lurven grijpt. ‘Dit klopt voor geen meter, hoor. Ik heb die col zeshonderd keer uitgehaald, dus ik hoop dat degene komt die mij daar de weg in kan wijzen, want anders kom ik helemaal niet vooruit.’

Van Hengel werpt een blik op het patroon. ‘Nee, eh…’‘Klote-beschrijving zeg, daar klopt echt hélemaal niets van. Of mag ik dat niet zeggen?’‘Jawel, hoor. Maar Channa, dat is de ontwerpster, is er niet vandaag.’

Fanatiek breiend vrouwtje

Granny’s Finest is duurzaam kledingmerk en handwerkclub tegelijk. De ‘social enterprise’ brengt breisels en haaksels op de markt die zijn ontworpen door jonge designers en gemaakt door grootmoeders. Die kunnen waar jongeren nog maar weinig van bakken: handwerken. Een mooie weg uit het isolement waar veel ouderen in zitten, want in plaats van achter de geraniums worden ze ‘in hun kracht gezet’, zoals Van Hengel dat noemt. ‘Hipsters dragen mutsjes, maar die moeten wel gemaakt worden,’ zegt de jonge ondernemer. ‘Heel vaak gebeurt dat helemaal aan de andere kant van de wereld in omstandigheden die niet iedereen kent, terwijl je hier in Nederland heel veel mensen hebt die dat goed kunnen en ontzettend leuk vinden.’
Daar kwam hij een jaar of drie geleden achter toen hij zijn grootvader opzocht in het verzorgingstehuis. Van Hengel liep er tegen een fanatiek breiend vrouwtje aan dat nog niet wist wat ze zou maken of voor wie. Familie of vrienden om iets aan te geven had ze niet echt. Het voorval bleef Van Hengel bij en hij vertelde Jip Pulles erover, die op dat moment nog de studie Small Business en Retail Management – waar de twee elkaar van kennen – moest afronden.Pulles maakte van de anekdote zijn afstudeerproject: hij onderzocht of er een markt was voor gebreide producten met een verhaal, en of er genoeg oma’s bereid waren om die te maken (conclusie: ja). Vervolgens deden de jongens met het plan voor Granny’s Finest mee aan een ondernemerswedstrijd, en kort daarna was de succesvolle pilot een feit.
Puha – aan de Voorstraat, een kilometer of drie van ’t Huis aan de Vecht – is een van de tien boetieks waar de oversized sjaals, wollige ceintuurs en kleurige vlinderdasjes van Granny’s Finest worden verkocht. Eigenaar Tamara Karsdorp werd al eens gebeld door een van de oma’s: ‘Ik zit hier te breien maar ik kom er niet uit, kun je me even helpen?’ Een onbekend breipatroon over de telefoon uitleggen ging een beetje lastig, maar het schetst voor Karsdorp wel wat er zo speciaal is aan het kledingmerk. ‘De lijn tussen consument en maker is zó kort. De oma’s komen hier zelfs af en toe binnenlopen om eigenhandig de kwaliteit even te controleren.’De grannies krijgen niet betaald voor hun werk. Maar, zegt Niek van Hengel, ‘dat er gewoon geld is om activiteiten mogelijk te maken, is al heel waardevol. Over het algemeen is geld ook niet waar ouderen gebrek aan hebben, maar aandacht en een leuke dagbesteding. Wij zorgen dat het de clubs aan niets ontbreekt en organiseren ook activiteiten buiten het breien om. Gister was ik nog een dagje naar Boijmans Van Beuningen met de Rotterdamse club. Plus: het is heel laagdrempelig, ze kunnen gewoon aansluiten wanneer het uitkomt.’

‘In de aanleun’

Aan de kop van de breitafel wordt een dame in rolstoel geparkeerd. Ze stuurt een paar opmerkingen de groep in waar niemand echt aandacht aan besteedt. De granny in de blauwe cardigan drukt haar peukje uit en schiet te hulp. ‘Zij trekt alles uit,’ becommentarieert haar vriendin. ‘Dan moeten ze het maar goed doen,’ vindt de krasse tante. Plots welt er een ‘lang zal ze leven’ op, want een van de vrijwilligsters is morgen jarig. Er wordt wat geroddeld en gekletst: die kan de tunische haaksteek, die heeft mooie pennen. En er schijnt hier een vrouw te komen die wel zes mutsen per week doet, maar die is al twee weken niet geweest. Lang niet alle breisters wonen hier, trouwens. De meeste komen van elders in de wijk, eentje zit er ‘in de aanleun’. Het woonzorgcentrum heeft de oma’s namens Granny’s Finest benaderd en regelt thee, koekjes en vrijwilligers. Sommige grannies komen bij elkaar thuis over de vloer, maar dan wordt er maar weinig geproduceerd. Want tja, praten en breien gaan niet samen. Niet dat het hier zo’n dooie boel is: als de club tegen drieën op zijn einde loopt, maakt niemand aanstalten de zoele tuin te verlaten. Begeleider Jeroen vraagt of hij een wijntje zal opentrekken. Die had hij – vooruitziende blik – vast koud gezet.

In Afrika heeft de markt van de mobiele telefonie de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen. Maar wat gebeurt er met afgedankte mobieltjes? Vaak worden die verbrand om zo het metaal dat er in zit te kunnen winnen. Een milieuonvriendelijk verwerkingsproces dat ook nog gevaarlijk is voor de volksgezondheid en waarbij uiteindelijk maar vijfentwintig procent van de herwinbare materialen ook echt terug wordt gewonnen. Dat moest anders, vond Joost de Kluijver. Hij kwam regelmatig in Afrika omdat hij daar voor zijn vorige bedrijf Techreturns uit Nederland en Italië afkomstige tweedehandstelefoons verkocht. Kluijver ging op onderzoek uit en ontdekte dat er wereldwijd maar vijf fabrieken zijn die op een verantwoorde en veilige manier mobiele telefoons kunnen recyclen. En een van die fabrieken staat in België. Daar winnen ze 95 procent van het in de telefoons verwerkte ijzer, goud, koper en zilver en dat verkopen ze weer aan grondstoffenhandelaren. Het kon dus anders! En zo begon De Kluijver met Closing the Loop aan een omgekeerde cyclus. In plaats van elektronica in Afrika te dumpen, haalt hij afgedankt e-waste terug naar Europa voor verdere verwerking. De afgelopen drie jaar was de grote uitdaging om in Afrika een netwerk op te zetten van schroothandelaren in de formele en informele sector die de afgedankte telefoons kunnen inzamelen. Dat is inmiddels gelukt in Nigeria, Uganda, Kenia, maar vooral ook in Ghana, waar in een buitenwijk van de hoofdstad Accra de grootste dumpplaats voor e-waste ter wereld is ontstaan. Het is een van de giftigste plekken op aarde doordat er dag en nacht elektronisch afval wordt verbrand. Closing the Loop ging hier de samenwerking aan met Recell Ghana, een bedrijf dat mobiele telefoons verkoopt en repareert. De afgelopen drie jaar zijn in totaal honderdtachtigduizend telefoons ingezameld, nu zullen dat er alleen in 2014 al tweehonderdduizend zijn. En het is een economisch rendabel proces. De Kluijver verwacht dit jaar geld over te houden. Closing the Loop ging eerder al de samenwerking aan met het Nederlandse Fairphone, de producent van de eerste eerlijke mobiele telefoon ter wereld waarover we eerder dit jaar schreven (vn.nl/fairphone). Voor elke Fairphone die wordt verkocht, haalt Closing the Loop er drie terug uit Afrika. Met Closing the Loop wordt lokaal ondernemerschap gestimuleerd, de afvalberg kleiner en de industrie van de mobiele telefonie een klein beetje duurzamer.

‘Noem het maar een messiascomplex,’ zegt Mark Woerde (40), oprichter en mede-eigenaar van reclamebureau Lemz. Door zijn opvoeding heeft hij nu eenmaal de overtuiging dat hij in principe alles kan oplossen. ‘Ik heb van thuis nooit beperkingen opgelegd gekregen.’ Reclamemensen gaan in de regel aan stress ten onder, ze verkopen hun zaak voor veel geld of ze eindigen ergens in de marge, bedacht hij een paar jaar geleden. Die kant wilde hij niet op. ‘Ik wil iets goeds doen voor de wereld – en vast niet als enige in mijn vakgebied. Dus ging ik, in samenwerking met Columbia University, onderzoek doen naar “prosociale marketing”.’

Op basis daarvan schreef hij een boek met de ambitieuze titel How Advertising Will Heal the World and Your Business. Er werden dertigduizend exemplaren van verkocht en een jaar lang reisde Woerde de wereld rond om marketeers te winnen voor zijn ideeën. ‘Ik heb meer dan tweehonderd lezingen gegeven en we hebben IdeaLabs opgezet, een reeks minireclamebureautjes die wereldverbeterende campagnes uitdenken. We waren ermee bij de Verenigde Naties in New York en we hebben een IdeaLab met de Dalai Lama gedaan toen hij onlangs in Nederland was.’

Een beetje schizofreen

In april van dit jaar bleek hoe hij zijn eigen learnings in de praktijk had gebracht: als bedenker van het opzienbarende project ‘Sweetie’. Een virtueel Filipijns lokmeisje werd ingezet om pedoseksuele online sekstoeristen tegen de lamp te laten lopen. Hij wilde eerst anoniem blijven om zijn partner Terres des Hommes niet in de weg zitten. ‘Pas toen de VN ons feliciteerde en ons aanspoorde om een voorbeeld te zijn voor anderen in de sector, besloten we om onszelf bekend te maken.’ Woerde is ambivalent over de gevolgen: Lemz won met Sweetie drie keer goud en de Grand Prix op het ADCN-gala, het jaarlijkse reclameprijzenfestival. ‘Toen de confetti daar naar beneden kwam, was dat wel wrang. Onze echte award hadden we bovendien allang gehad: ons plan had gewerkt.’Woerdes bureau Lemz heeft als klanten onder andere Ikea en KLM. Tegelijkertijd is hij de drijvende kracht achter Letsheal, dat zonder winstoogmerk de wereld wil verbeteren. ‘Ik ben een activist vermomd als reclameman. Een beetje schizofreen is dat wel. Maar ook in ons reclamewerk benadrukken we de sociale kant. We bedachten Burendag voor Douwe Egberts en in onze Ikea-campagne tonen we de mogelijkheden voor zzp’ers in tijden van werkloosheid.’ Lemz leent zich niet voor alle campagnes. ‘We werken liever niet voor de vleesindustrie of sigarettenfabrikanten. Ik wil tenslotte ook niet dat mijn kinderen gaan roken. En we eten thuis geen vlees.’

Webcamseks

Toen hij anderhalf jaar geleden las over webcamseks met Filipijnse kinderen, kwam hij meteen in actie. Hij nam contact op met Terres des Hommes. Samen brachten ze de wereldwijde omvang van het probleem in kaart. ‘Ieder moment van de dag is driekwart miljoen mannen met die voorkeur online.’ Hij deed de proef op de som en binnen vijf minuten had hij online chatcontact met een jongetje dat net zo oud was als zijn eigen zoontje. ‘Dat was een heftig moment. Het ging in het Engels, het jongetje kon niet goed typen, je zag iemand anders buiten beeld antwoorden intikken.’ Tienduizenden kinderen zijn het slachtoffer van online sekstoerisme. Het is strafbaar, maar een Filipijns kindje dat gedwongen achter een webcam zit, doet geen aangifte, bedacht Woerde. ‘We wilden laten zien hoe groot het probleem is maar ook een oplossing bieden.’ Vlakbij het kantoor van Lemz in Amsterdam-Noord bouwden ze in een loods een ‘authentiek scharrig’ internetcafé na om zo een uit pixels opgebouwd meisje tussen de andere webcamkinderen te kunnen zetten. ‘Via Kirgizië legden we een niet traceerbare internetverbinding met Manilla. En het werkte: in tien weken tijd werd Sweetie door tienduizenden mannen aangesproken.’Ze achterhaalden de identiteit van de mannen via social hacking. ‘De meesten waren het type brave huisvader, maar er waren ook mannen die een filmpje opstuurden waarin ze hun eigen kindje misbruikten. Alle mensen die aan het Sweetieproject hebben gewerkt, zijn tijdelijk uit de running geweest met stressverschijnselen.’Toen ze de duizendste online pedo-sekstoerist hadden getraceerd, besloten Woerde en Terres des Hommes dat het tijd was voor publiciteit. ‘Het was hartstikke Kuifje, met een druk op de knop maakten we wereldnieuws. We brachten het als “het grootste zedenmisdrijf uit de recente geschiedenis”. CNN, Reuters, ANP, Al Jazeera, NBC, ABC reageerden meteen. We hadden mannen betrapt uit 71 landen en in al die landen gaven we de lokale gegevens aan de pers. In India was het nieuws dat er 133 Indiërs op de lijst stonden. In Nederland waren het er twintig. Het nieuws is uiteindelijk in totaal door meer dan één miljard mensen gezien.’Door de media-aandacht kwamen ook justitie en politie wereldwijd in actie. ‘Interpol en Europol kwamen langs. Wij zeiden: als wij binnen drie weken met beperkte middelen duizend van die mannen kunnen opsporen, kunnen jullie er dan alsjeblieft honderdduizend per jaar doen?’

Grootste mislukking

Niet al zijn ideële projecten pakken zo goed uit, vertelt Woerde terwijl hij de video aanzet om met enige trots zijn grootste mislukking te tonen. ‘Het is nog steeds geheim, dus je mag het niet beschrijven.’ Hij was in een vergevorderd stadium om kinderen – virtueel – in te zetten als vredestichters in oorlogsgebied. ‘Ik merkte dat ik anders ruzie maak met mijn partner als de kinderen in de buurt zijn. Je let toch wat meer op je woorden.’ Een jaar lang werkte hij aan een project om van die vredestichtende rol van kinderen een factor te maken bij het beslechten van conflicten. ‘Ik had uitgezocht of mijn idee juridisch en technologisch mogelijk was. Maar oorlogen zijn politiek en de internationale organisatie waarmee ik samenwerkte mag in conflicten geen partij kiezen.’ Een jaar werk leek weggegooid, maar zo ziet Woerde het niet. ‘Ik heb geen schaarste aan ideeën en ik ben er van overtuigd dat uiteindelijk niets voor niets is. Dat klinkt geloviger dan het is, hoor.’
In het kantoor van Lemz, dat weids uitkijkt over het IJ, wuift de reclameman eventuele kritiek op zijn idealisme weg als ‘typisch iets van journalisten en babyboomers’. ‘De cynicus zegt: het is window dressing, alles draait om omzet. Dan antwoord ik: ja, soms moet je winst maken om überhaupt iets voor elkaar te krijgen.’
Zijn generatie reclamemakers gaat niet voor het snelle geld, zegt Woerde. De nieuwe creatieven willen best geld verdienen maar ook meewerken aan een betere wereld. Hijzelf is één bonk positieve energie. ‘Mijn houding is: “Only talk the good talk”. Er zijn altijd genoeg redenen om níet het goede te doen, mij gaat het om die ene reden om het wél te doen.’ Nu hij eenmaal gewend is om op wereldschaal te denken, is het moeilijk om dat los te laten. Wat hem tegenwoordig echt zorgen baart, is de klimaatverandering en hij is vastbesloten ook op dat terrein bij te dragen aan een oplossing. ‘We werken hard aan een megavergroeningsproject. Echt mega. Behalve dat het kán en dat het eigenlijk heel eenvoudig is, kan ik daar verder nog niets over zeggen. Ik zou er wel graag een kort onder-onsje over hebben met minister Timmermans. Kan Vrij Nederland dat niet voor me regelen?’

De circa vijf miljoen chauffeurs van gemotoriseerde riksja’s in India leven in armoede, worden uitgebuit, zijn niet verzekerd, en hun voertuigjes vervuilen meer dan vijftig keer zoveel als Europese auto’s. Maar sinds kort bestaat Three Wheels United: een bedrijf dat het ondernemerstalent van de riksjachauffeurs wil stimuleren. De jonge onderneming zorgt ervoor dat de chauffeurs een bankrekening en een verzekering krijgen en dat ze mede-eigenaar worden van een milieuvriendelijke tuktuk. Inmiddels rijden er zo’n tweehonderdvijftig rond in Bangalore, aan het eind van het jaar moeten het er zevenhonderdvijftig zijn. Een net gesloten contract met een Indiase bank brengt vijftigduizend tuktuks binnen bereik.

Three Wheels United is voorgekomen uit een internationale prijsvraag van Enviu, het Nederlandse platform dat veelbelovende ondernemingen met een duurzame, sociale ambitie opstart. Met een wereldwijde community van gelijkgestemden bedenkt Enviu winstgevende businessconcepten die gericht zijn op positieve sociale en ecologische impact. De beste plannen worden verder ontwikkeld met Enviu als partner. Oprichter en ceo Stef van Dongen kwam na zijn studie bedrijfskunde tot het inzicht dat het anders moest: van winstmaximalisatie naar een ‘economy of the crowd’ waarin ondernemingen en individuen samenwerken om de kwaliteit van leven van zo veel mogelijk mensen te vergroten. ‘Nieuwe vormen van ondernemerschap zijn de sleutel tot verandering,’ zegt hij. ‘Wij zijn óók competitief en leggen de lat hoog, maar altijd met een gemeenschappelijk doel.’ Samenwerking is de crux, zegt Van Dongen. ‘De grote economische en ecologische problemen van deze tijd kun je niet in je eentje oplossen. Bovendien krijg je veel betere resultaten als je met elkaar samenwerkt. Wij geloven in co-creatie. Daarom organiseren we ook regelmatig een “challlenge”, een grote brainstorm met soms wel duizenden mensen om innovatieve ondernemingen te ontwikkelen. Als je bijvoorbeeld vanuit je eigen expertise samenwerkt met tuktukchauffeurs, verandert dat je kijk op de wereld en geeft het betekenis aan wat je doet.’Enviu viert dit jaar zijn tienjarig bestaan. Inmiddels hebben Stef van Dongen en zijn team een community opgebouwd van twaalfduizend mensen – ondernemers, experts, investeerders en

innovators – in dertig landen over de hele wereld. ‘Wij beginnen onze ondernemingen klein, maar met grote ambities.’

Kijken naar kunst zonder tekstbordjes, zonder witte muren en zonder moeie voeten: dat kon eind vorig jaar ineens, bij De Grote Kunstshow in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Vanuit een theaterstoel bewonderde het publiek dit keer niet Halina Reijn of Gijs Scholten van Aschat, maar werk van kunstenaars als Charlotte Schleiffert, Mark Manders en Charlotte Dumas. Tien minuten per presentatie met een toelichting van een kunsthistoricus of een schrijver dan wel muziek van een dj.

‘Een wake-up call voor de klassieke kunstmusea,’ noemt organisator Johan Idema (41) De Grote Kunstshow die hij ook dit jaar weer wil opvoeren, samen met curator Nina Folkersma. ‘De traditionele musea gaan uit van het kunstwerk,’ zegt Folkersma. ‘Johan denkt vanuit het publiek. Soms gaat hij daarin naar mijn idee te ver, zoals in het project Museum Minutes, waarvoor hij museumbezoekers op loopbanden en ligstoelen naar kunst liet kijken in de Kunsthal.’

Openbaring

Toen Idema als dertienjarige jongen met school voor het eerst in het Concertgebouw kwam, was dat een openbaring. Later maakte Jacob Derwig indruk met zijn monoloog als de idealistische Markies van Posa in het toneelstuk Don Carlos. ‘Dat sloeg keihard in, alsof ik live getuige was van het begin van de Verlichting, honderden jaren geleden. Dat soort intense ervaringen streef ik na.’ Hij groeide op in het Veluwse Nunspeet, waar de enige podiumkunst het zondagse kerkbezoek was. ‘Er is een parallel tussen kunst en religie: de instituten hebben het zwaar, maar de spirituele behoefte blijft onveranderd aanwezig.’Na een opleiding tot industrieel ontwerper in Delft studeerde hij kunstmanagement in New York. Bij zijn culturele innovaties steunt Idema op wetenschappelijk onderzoek. ‘Uit enquêtes blijkt dat museumbezoek relatief weinig indruk maakt. Het is voor velen niet meer dan een uitje. Terwijl je voor het zelfde geld kan worden ontroerd, getroost, tot nieuwe inzichten gebracht.’

De Grote Kunstshow, die ook werd vertoond aan professionals uit de museumwereld, is een van de showcases waarmee Idema de sceptici wil overtuigen. ‘Het is bedoeld als stimulans voor musea om te ontdekken hoe het ook kan. Want hoe vaak kijk je in een museum nu tien minuten naar één kunstwerk?’Het Louvre onderzocht ooit hoe lang mensen nu eigenlijk naar de Mona Lisa kijken: vijftien seconden, inclusief het lezen van het tekstbordje. Die kijktijd kan omhoog, vindt Idema. ‘Als je tien minuten lang met driehonderd man om een kunstwerk gaat zitten, beleef je dat werk veel intensiever. Het is bovendien een collectieve ervaring.’Hij schreef

Beyond the Black Box and the White Cube. De beste alternatieven voor introverte cultuurgebouwen en werkt nu aan een ‘handleiding’ voor het nieuwe museumbezoek: How to Visit an Art Museum. ‘Kunst kijken lijkt nu vaak op het luisteren naar verhalen van je opa – saai en af en toe onbegrijpelijk,’ zegt Idema. Hij wil dat kunst ontsnapt aan de witte kubus. ‘De Grote Kunstshow zou pas het begin moeten zijn. Het Stedelijk en andere musea zien er hopelijk een interessant format in.’

Parademuseum

De kunstwereld laat zich niet zomaar opschudden, breken met de status quo zorgt behalve voor bijval ook voor weerstand. ‘Sommige kunstenaars, zoals Rineke Dijkstra, zeggen: mijn werk spreekt voor zichzelf, alles wat er aan wordt toegevoegd is overbodig. Dat respecteer ik, maar ik denk ook dat je dan een kans mist.’ Volgend jaar opent het door Idema geïnitieerde Parademuseum. Dat kunstpaviljoen zal drie zomers lang meereizen met het
theaterfestival De Parade. ‘Musea die ik benaderde vroegen vaak: wat hebben wij te zoeken op de Parade? Terwijl daar driehonderdduizend mensen komen die in cultuur geïnteresseerd zijn! Dat is toch een geweldige kans – al moet het ook weer geen Efteling worden.’ ‘Hoge’ kunst wordt nog steeds gepresenteerd zoals dat in de negentiende eeuw in zwang was, zegt Idema. ‘Ik ben nu bezig met een concert-app, waarmee je ook tijdens een concert een verhalende ondertiteling kunt krijgen over de muziek die je hoort. Er zijn steeds minder mensen die twee uur stil willen zitten luisteren naar eeuwenoude muziek, en ook de parate kennis van klassieke muziek is minder groot dan vroeger.’

Idema beschreef in Present! – Rethinking Live Classical Music hoe het anders kan. Hij benaderde een aantal klassieke concertpodia voor zijn experiment. ‘Allemaal prachtige instituten, maar ook steeds meer musea voor klassieke muziek met een steeds kleiner publiek. Ze wilden niet meewerken, een tweede scherm in de concertzaal schuurt met hun etiquette. Nu werk ik samen met het Muziekgebouw aan het IJ. Daar begrijpen ze wel dat het voor kunstinstellingen van levensbelang is om te experimenteren met nieuwe vormen.’

Het spraakmakendste initiatief van Netwerk Democratie, drie jaar geleden opgericht door Mieke van Heesewijk en Josien Pieterse om democratische vernieuwing en transparantie te bevorderen, was tot nu toe Publeaks. Mieke van Heesewijk kwam op het idee van een online platform waar klokkenluiders veilig en anoniem terecht kunnen om informatie te delen met de pers samen met Teun Gautier, toenmalig uitgever van De Groene Amsterdammer. Sinds de site in september 2013 begon, kwamen er zo’n dertig verhalen en reportages uit voort, met als hoogtepunt het aftreden van Henk Krol als partijleider van 50Plus wegens geknoei met de financiën van de Gay Krant. Publeaks is een van de vele initiatieven die Van Heesewijk heeft genomen om overheden en andere organisaties tot grotere openheid te bewegen. Ze was ook betrokken bij de totstandkoming van het Nederlandse Open Government Partnership, een internationaal programma voor meer burgerparticipatie en transparantie van overheidsorganisaties. ‘Nederlandse politici wijzen altijd op de poldercultuur die niet zonder achterkamertjes zou kunnen,’ zegt Van Heesewijk. ‘Maar door de technologische ontwikkelingen is grotere openheid ook in Nederland onontkoombaar.’

Mededirecteur Josien Pieterse, voorheen onder meer coördinator van het Forum voor Democratische Ontwikkeling, richt zich vooral op democratische vernieuwing, de andere peiler van Netwerk Democratie. Inmiddels worden in het hele land experimenten gedaan met nieuwe vormen van participatie. Netwerk Democratie is een van de voortrekkers in die ontwikkeling met projecten als Voorjebuurt, een crowdfunding- en crowdsourcingproject, en MaakdeBuurt, dat burgers door middel van ‘buurtrechten’ veel meer te zeggen moet geven over hun directe omgeving. Internationale voorbeelden zijn de G1000 van David van Reybrouck in België, de crowdsourcing van de nieuwe grondwet in IJsland en het Finse ministerie van Justitie, dat burgers laat meeschrijven aan wetgeving. ‘Nederland is de afgelopen jaren snel veranderd,’ zegt Josien Pieterse. ‘Burgers zijn eraan gewend geraakt dat ze op ieder niveau kunnen meepraten en voortdurend hun eigen keuzes maken. De digitale mogelijkheden zijn er om ze ook veel meer bij politieke besluitvorming te betrekken. Het past niet meer in deze tijd dat ze maar één keer in de vier jaar mogen stemmen en verder hun mond moeten houden.’

Vrij Nederland 24 mei 2014

Vrij Nederland 24 mei 2014

Vrij Nederland 24 mei 2014

Vrij Nederland 24 mei 2014

Meer dan 200 inzendingen

De jury
Daan Roosegaarde (Studio Roosegaarde, juryvoorzitter)Chris Sigaloff (Kennisland)Frits van Exter (Vrij Nederland)Maurice Specht (zelfstandig onderzoeker, sociaal ondernemer)Martine Postma (Stichting Repair Café, Radicale Vernieuwer 2013)