Halbe Zijlstra, de kersverse minister van Buitenlandse Zaken, krijgt niet alleen een wantrouwige oppositie op zijn dak maar ook een legioen morrende BuZa-ambtenaren zonder werkplek. Hoe moet een overheid serieus worden genomen die zichzelf niet serieus neemt?

Op weg naar het Binnenhof liep ik deze week René Cuperus tegen het lijf, de voormalige medewerker van de sociaal-democratische Wiardi Beckman Stichting die sinds kort als ‘tegendenker’ in dienst is van Buitenlandse Zaken. De nieuwe betrekking bevalt prima, vertelde Cuperus. Behalve dan het gebrek aan werkplekken op het departement. ‘Ik kan straks weer het hele pand door,’ gromde hij, ‘op zoek naar een bureau.’ Sinds het ministerie van Buitenlandse Zaken van de zomer is ingetrokken bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu (inmiddels Infrastructuur en Waterstaat) in een nieuwe kantoorkolos aan de Rijnstraat hebben de BuZa-ambtenaren geen vaste werkplek meer: in het kader van Het Nieuwe Werken zijn er in het hele pand alleen nog flexplekken. En vanwege de bezuinigingen die door het eerste kabinet-Rutte werden ingezet, zijn dat er veel te weinig om het hele ambtenarenapparaat te herbergen: 0,7 per persoon is de norm. Gevolg: iedere ochtend vroeg verdringen duizenden ambtenaren zich bij de lift in de hoop ergens in het gebouw een plekje te vinden. Wie te laat is, zit de rest van de dag op een stoeltje in de kantine of in een koffietentje om de hoek. En kan vervolgens wéér het hele pand door om collega’s te spreken.

Het ironische is alleen dat de bedrijven inmiddels weer op hun schreden zijn teruggekeerd: flexplekken en thuiswerken bleken de
organisatie te versplinteren.

Bovendien wordt er sinds de zomer op Buitenlandse Zaken paperless gewerkt, zodat niemand bij de verhuizing naar het nieuwe pand boeken, rapporten of persoonlijke archieven mee mocht nemen. Daar zit je dan met je laptop in de kantine, koortsachtig te zoeken naar een digitale versie van boek of rapport om te verwerken in een beleidsnotitie voor de minister die dezelfde middag af moet zijn.

De ideeën over Het Nieuwe Werken waarmee de bezuiniging ten departemente werd verkocht zijn over komen waaien uit de commerciële wereld, waar bedrijven als Yahoo en Hewlett Packard al in de jaren negentig met flexplekken en telewerken begonnen: ‘we gaan de mensen loskoppelen van het gebouw’, ‘alles flex is de toekomst’. Het ironische is alleen dat die bedrijven inmiddels weer op hun schreden zijn teruggekeerd: flexplekken en thuiswerken bleken de organisatie te versplinteren, werknemers worden inmiddels weer gesommeerd naar hun ‘vaste werkomgeving’ op kantoor te komen want dat is goed voor de samenwerking en de innovatie.

Maar wat doet het Rijksvastgoedbedrijf dat de ministeries huisvest, in de ‘voortdurende zoektocht naar de ideale werkomgeving van de rijksambtenaar’? Flexplekken introduceren als een gouden vondst.

Voor Halbe Zijlstra, die van de week zijn debuut als minister van Buitenlandse Zaken maakt in de Tweede Kamer, is het een flinke kluif: hij moet de komende tijd niet alleen wantrouwige oppositiepartijen voor zich zien te winnen, maar ook een legioen morrende ambtenaren.

Het gedoe over de flexplekken zou je kunnen scharen onder de noemer ‘klein ambtenarenleed’. Maar een ernstiger probleem is het dreigende verlies van kennis. Nu al moeten ambtenaren van Buitenlandse Zaken geregeld een beroep doen op journalisten of andere deskundigen buiten de deur omdat hun eigen rapporten door de shredder zijn gehaald, zoals VN-columnist en oud-Clingendael-directeur Ko Colijn laatst in de Volkskrant beschreef. Helaas staat die zotte situatie niet op zichzelf.

Zo raakten ministeries kostbare kennis kwijt en werden ze steeds afhankelijker van
duurbetaalde adviseurs.

Het tekort aan werkplekken op Buitenlandse Zaken is een verlaat gevolg van een trend die in de jaren negentig werd ingezet onder de paarse kabinetten: er moest worden bezuinigd op de bureaucratie, de overheid moest zich spiegelen aan de markt, overheidstaken moesten ‘op afstand worden gezet’ en worden overgedragen aan externe bureaus en zelfstandige bestuursorganen. Zo raakten ministeries kostbare kennis kwijt en werden ze steeds afhankelijker van duurbetaalde adviseurs. Pijnlijk voorbeeld is de voorbereiding van de kilometerheffing onder Camiel Eurlings in het laatste kabinet-Balkenende waarbij miljoenen werden verspild aan dure consultants omdat het ministerie geen idee had hoe openbare aanbestedingen in elkaar zitten en hoe je contracten moet sluiten met commerciële partijen. In 2009 luidde oud-PvdA-Kamerlid Adri Duivesteijn de alarmbel over de verdwijnende expertise bij de overheid over grote infrastructurele projecten als de Noord-zuidlijn, zoals hij al eerder deed bij de HSL als voorzitter van een parlementaire commissie. En vorige week bekende ook Sharon Dijksma, net vertrokken als staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, in De Stentor dat het ministerie kampt met een tekort aan kundige mensen die ingewikkelde kwesties kunnen doorgronden, zodat er grote fouten zijn gemaakt bij de plannenmakerij rond Lelystad Airport.

Met de waarschuwing van Duivesteijn werd niks gedaan, en het valt te vrezen dat het met de verzuchting van Dijksma niet anders zal gaan, want met investeren in de ambtenarij zijn geen kiezers te winnen en regeren met vier partijen is al moeilijk genoeg. Er werden wel Kamervragen over Dijksma’s uitspraken gesteld, maar die gingen vooral over het feit dat de staatssecretaris tot aan haar aftreden nog de indruk had gewekt dat alles onder controle was, níet over het achterliggende probleem. Gevolg: de expertise op de ministeries blijft weglekken, gevolgd door het vertrouwen in de politiek. Dat is de bottom line: hoe moet een overheid serieus worden genomen die zichzelf niet serieus neemt?