Het handwerk van de criticus moet om de zoveel tijd onder de loep genomen worden, om weer duidelijk te krijgen waar het om gaat. Nu is het de beurt aan de criticus A.O. Scott van The New York Times om zijn geloofsbrieven te openbaren.
Om de tien of vijftien jaar moet iemand met kalme roekeloosheid schrijven wat volgens hem literaire kritiek is. Omdat men het weer vergeten is. Of voor een nieuwe generatie. Het is een noodzakelijke periodieke herijking van de professie, waarin staat dat het wel degelijk nodig is om te oordelen, dat het geen vriendjespolitiek is, dat de criticus een hoge dunk van zijn werk moet hebben (maar dat niet moet overdrijven) dat hij onmisbaar is en dat hij van zijn werk vooral een kunst moet maken. En dat het onzin is te denken dat serieuze kritiek verdwijnt nu iedereen op internet kan zeggen wat hij wil. Ook kan dan weer eens een felle voorkeur uitgesproken worden voor een richting of obsessie (vorm of vent, objectief of subjectief, essayistisch of impressionistisch).
A.O. Scott, de belangrijkste filmcriticus van The New York Times (maar in zijn hart vooral literair criticus) kwijt zich van de herijk-taak in Better Living Through Criticism. Deze titel heeft een hoog zelfhulp-gehalte. Dat zie je meteen wanneer je ‘criticism’ vervangt door ‘healthy food.’ De alomvattende ondertitel helpt daar ook aan mee: How to Think about Art, Pleasure, Beauty and Truth. Hieraan ontbreekt alleen nog het leven zelf. Scott recapituleert in zijn boek alle kwesties die zich voordoen als het over kunstkritiek gaat. Dan blijkt de criticus zowel een zondebok als een voorbeeld te zijn, wordt hij beschimpt en wekt hij vertrouwen, wordt hij een parasiet genoemd en tegelijk als onmisbaar gezien. Scott benadrukt dat kritiek een wezenlijk onderdeel is van het denken, maar dat er in Amerika niet veel van terechtkomt, aangezien anti-intellectualisme daar ‘de nationale religie’ is.
Hoewel hij zichzelf voorgehouden heeft dat ‘kritiek niet aardig is’ worstelt hij voortdurend met de neiging of hij nu aardig of kritisch moet zijn.
Scott hecht zoveel waarde aan de kritiek dat hij haar als ‘levensbloed’ voor de kunst ziet, maar hij is haar rol voortdurend aan het relativeren. Wie weet niet dat er verschillend over een boek, film of kunstwerk gedacht kan worden in het heden en in andere tijden? Maar Scott moet zo nodig bijna op zijn knieën verklaren dat zijn oordelen maar zolang als het duurt geldig zijn, en nooit enige zekerheid bieden. Hij wil geen dogmaticus zijn, hij wil niet zeggen hoe het zit, hij voert zelfs strijd tegen ‘premature and permanent certainty.’ Hij is een en al ambivalentie.
Hoewel hij zichzelf voorgehouden heeft dat ‘kritiek niet aardig is’ worstelt hij voortdurend met de neiging of hij nu aardig of kritisch moet zijn. Wanneer de acteur Samuel J. Jackson in een interview kwaad is over een recensie van Scott over de film The Avengers, die hij ‘a soulless corporate spectacle’ had genoemd, gaat hij boetvaardig bij zichzelf te rade of hij niet te hard is geweest. Het wordt een heus ‘zelfonderzoek’. Scott doet ook wel erg alsof hij een speelbal is van zijn opvoeding, omgeving en tijdgeest: ‘Sometimes we react the way we do because of birth or conditioning, sometimes because of a mysterious force, sometimes by the operation of our own will.’ Zijn eigen wil komt hier wel erg op de laatste plaats. Hetzelfde doet hij met het kunstwerk: dat krijgt bij Scott ook nauwelijks een autonome status omdat hij beweert dat de kunstenaar voortdurend reageert op andere kunstenaars of aan hun werk elementen ontleent. Scott is er dan ook snel bij om als voorbeeld Quinten Tarantino te geven, de regissseur die dat aan de lopende band doet. Maar er zijn talloze regisseurs of schrijvers die het niet doen, of in bescheidener mate.
Scott heeft door het boek een aantal hoofdstukken gestrooid waarin hij met zichzelf in gesprek is. In het hoofdstuk ‘Self-criticism’ legt hij zichzelf het vuur aan de schenen. Zo erg dat hij in het laatste hoofdstuk zichzelf nog steeds de vraag moet stellen ‘What is a critic?’ En het antwoord is een tautologie: het is iemand die kritisch is. Het is natuurlijk interessant dat Scott zichzelf en de de criticus in het algemeen een ‘creature of paradox’ noemt. Dat is iemand in wie zich een ‘culture war’ afspeelt, geslingerd als hij wordt van emotie naar zelfbeheersing, van de neiging een barse kritische vader te zijn naar een kinderjuf, zich als criticus onmisbaar te voelen en tegelijk hopeloos overbodig, geminacht en een heilige.
Maar Scott blijft te veel in zijn paradoxen gevangen. Hier wreekt zich dat het hem ontbreekt aan een soort persoonlijke filosofische en psychologische drijfveer die hem uit zijn paradoxen had kunnen bevrijden en zijn betoog sturen: een zelfverworven kijk op de wereld en de kunst. Aan de hand daarvan had hij wat hij leest, ziet en hoort kunnen beoordelen en interpreteren. Zo’n persoonlijke kijk is er niet om dwingend aan te wenden, maar om hem te gebruiken als een spiegel, als een klankbord, als vergelijkingsmateriaal, als handzaam criterium. Door jezelf niet weg te cijferen, maar als klankbord te gebruiken, kan juist een vruchtbare interactie tussen het kunstwerk en de criticus ontstaan.
Better Living Through Criticism van A.O. Scott is uitgegeven door Penguin Press.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.