Van de Duitse schrijver en filosoof Walter Benjamin (1892-1940) blijft maar werk in Nederlandse vertaling verschijnen. Dan rijst ook steeds weer de vraag hoe belangrijk hij eigenlijk is.
Wie een boek de titel Denkbeelden geeft, wekt verwachtingen. Hier zal een vlucht worden genomen zodat er gedachten ontstaan die niet blijven steken in vaagheden, maar het tot beelden brengen, tot ideeën die vorm hebben aangenomen. Doorgaans leiden essays tot denkbeelden die net concreet genoeg zijn om niet in de lucht te hangen, en solide genoeg om op de grond niet om te vallen. Maar Denkbeelden van Walter Benjamin bestaat niet uit essays. Het zijn reisverslagen van bezoeken aan Napels, Moskou, Weimar, Parijs en Ibiza. Het zijn columns over van alles en nog wat en droomverslagen. Er is een lezing over het verzamelen van boeken, een verslag over het gebruik van hasjiesj in Marseille en dertien stellingen over ‘De weg naar het succes’ met als conclusie dat succes niet meer is wat het geweest is. Het onbekommerdste stuk is dat over Parijs gezien als spiegelstad: ‘Voor alle bistro’s staan afgeschoten ruimtes van glas: vrouwen zien zichzelf hier nog vaker dan elders. Uit deze spiegels is de schoonheid van de Parisienne tevoorschijn getreden. Voordat de man zijn blik over haar laat gaan, hebben tien spiegels haar al gekeurd. (…) Spiegels zijn het geestelijk element van deze stad, haar wapenschild, waarin nog altijd de emblemen van de literaire stromingen gegrift staan.’
Het titelhoofdstuk van Denkbeelden bestaat uit zeven korte stukken waar nauwelijks een tastbaar denkbeeld in te bekennen valt. Wat er staat is vaag en ongrijpbaar. Hier vinden we de niet bijster originele gedachte dat ‘de goede schrijver’ iemand is die niet meer zegt dan hij denkt. De slechte schrijver denkt aan te veel dingen tegelijk en leeft er zich mee uit ‘als de slechte en ongeschoolde loper in de slappe en zwierige bewegingen van zijn ledematen’ – een vergelijking waardoor je wel een beeld voor ogen krijgt, maar niet zozeer van de schrijver zelf. Een paar bladzijden verder staat hetzelfde stuk nog eens, maar dan in andere woorden.
Walter Benjamin is een ongelijk denker en schrijver. Hij kan soms goed schrijven, zoals in het lange stuk over Moskou. Als een professionele journalist beschrijft hij daarin per paragraaf verschillende aspecten van het leven in de stad. Hij kan ook subtiel en helder schrijven, zoals in zijn herinneringen Kinderjaren in Berlijn rond 1900. Maar in Denkbeelden wil hij per se origineel en ‘ongerijmd’ zijn. Bijvoorbeeld door alles om te draaien. Dan moet iemand zijn kracht ontlenen aan zijn nederlagen. Of iemand moet een identiteit verwerven door van minuut tot minuut te improviseren. Het is aantrekkelijk dat Benjamin het graag over gewone dagelijkse dingen heeft, maar hij wil er uit alle macht iets afwijkends over zeggen. Hij zoekt naar iets ondoorgrondelijks, op de rand van mystiek.
Bourgeois én communist tegelijk
Benjamin is niet alleen een ongelijk schrijver, maar ook een ongelijk denker: inhoudelijk is hij moeilijk te plaatsen. Dat is merkwaardig voor iemand die over alles nadacht. Hij is de ene keer een communist en historisch materialist, de andere keer een bourgeois pur sang die heimwee heeft naar de cassettes met de tientallen zilveren taartlepeltjes in zijn ouderlijk huis. Door dit alles heen loopt al die jaren zijn ‘messianisme’, zijn geloof dat de mensheid ooit verlost zal worden door de Messias. In 1939, een jaar voor zijn dood, eindigt hij zijn verhandeling ‘Over het begrip van de geschiedenis’ met de zin: ‘Want in de toekomst was iedere seconde de kleine poort waardoor de Messias kon binnentreden.’
In Benjamin heeft zich jarenlang een dialectiek tussen bourgeoisie en proletariaat afgespeeld zonder dat het ooit tot een synthese is gekomen.
De lezing ‘Ik pak mijn bibliotheek uit’ heeft onder liefhebbers van boeken, bibliotheken en verzamelingen een solide reputatie als lyrische ontboezeming van een hartstochtelijke verzamelaar. Benjamin zegt zich teweer te moeten stellen tegen ‘de springvloed aan herinneringen’ als hij denkt aan de geschiedenis van zijn boekenbezit. ‘De diepste verrukking van de verzamelaar bestaat eruit om elk afzonderlijk voorwerp in te sluiten in een tovercirkel, terwijl de laatste huiver – de huiver van het verworven-zijn – eroverheen loopt.’ Voor de ware verzamelaar is de verwerving van een oud boek volgens Benjamin ‘de wedergeboorte ervan’. Dat is voor hem een ‘kinderlijk’ aspect van het verzamelen, want kinderen zorgen voor de vernieuwing van het bestaan. ‘De oude wereld vernieuwen – dat is de diepste drijfveer achter het verlangen van de verzamelaar om iets nieuws te verwerven.’ Dat een verzamelaar bezig is de oude wereld te ‘vernieuwen’, zoals Benjamin zegt, dat zou je niet zo snel denken. Je zou eerder denken dat hij de oude wereld aan het veilig stellen is, aan het conserveren. Maar dat is hem niet ongerijmd genoeg.
Dit is dan ook een van de tegenstrijdigheden bij Benjamin. In hem heeft zich jarenlang een dialectiek tussen bourgeoisie en proletariaat afgespeeld zonder dat het ooit tot een synthese is gekomen. Hij zwalkte tussen de dogma’s van het marxisme/historisch materialisme en vrijzinnige vernieuwing. Hij wisselde proletarische of communistische pedagogie af met de ‘nieuwe krachten’ die zich bij kinderen voordeden.
Als er iets was waar het historisch materialisme een hekel aan had, dan was het wel het toeval en het lot. Alles was immers bepaald door de economische krachten. De toekomst van het proletariaat hing af van strenge vijfjarenplannen en van een strak geleide economie, niet van het toeval of lot. Maar in de lezing over zijn bibliotheek danst de hartstocht van de verzamelaar Benjamin naar de pijpen van toeval en lot: die zijn ‘tegelijk zintuiglijk tastbaar aanwezig in de gewoonlijke warboel die door deze boeken wordt gevormd.’

Aan het einde van de jaren twintig schreef Benjamin het nodige over de noodzaak van proletarische en communistische opvoeding (in Over kinderen, jeugd en opvoeding). De ‘klassenstrijd’ en ‘revolutionaire arbeidsopvoeding’ beschouwde hij als de belangrijke onderdelen daarvan. Hij woonde toen ook een paar maanden in Moskou met zijn vriendin Asja Lācis en schreef daar het later uitgegeven persoonlijke en intieme Dagboek uit Moskou. Dat is heel anders van toon dan het lange stuk over Moskou in Denkbeelden. Dat is objectief, en tegelijk uiterst realistisch in vergelijking met zijn essays over de geneugten van de proletarische opvoeding. ‘Het bolsjewisme heeft het privéleven afgeschaft’, zo begint paragraaf 7 over wonen in Moskou. Alles moet ‘collectief’ geregeld worden. Waar eerst één gezin woonde, wonen nu acht huishoudens. Gordijnen, tussenschotten, vaak halverwege de hoogte van de kamer, hebben het aantal ruimtes verveelvoudigd. ‘Er kan daar’ volgens Benjamin ‘niets menselijk meer gedijen’. Er bestaat geen ‘huiselijkheid’ meer. Geen wonder dat de Russen ‘bij alles wegdromen’. Vreemd dat Benjamin zich rond dezelfde tijd zo sterk maakte voor het proletarische opvoeden terwijl de kinderen in halve kippenhokken leefden.
Het ondoorgrondelijkste stuk in Denkbeelden is ‘Het destructieve karakter’. Daarin beschrijft Benjamin een karakter dat wil ‘vernietigen’, want ‘vernietigen maakt jong’. Het destructieve karakter wil met het vernietigen alleen maar ‘plaats maken’, het interesseert hem niet wat er met de open plaats gebeurt. Het destructieve karakter is volgens Benjamin altijd opgewekt. Maar hij wil niet begrepen worden.
Wat is dit destructieve karakter voor iemand? Een vernietiger om het vernietigen? Je krijgt er geen hoogte van. Is het een pessimist, een deconstructivist, een fatalist, een negativist, een cynicus, een nihilist of een revolutionair, allemaal figuren waar hij wel iets van heeft? Het destructieve karakter heeft zoveel tegenstrijdige eigenschappen dat het zoeken naar zijn ware karakter in verwarring doodloopt. De laatste zin van het stuk: ‘Het destructieve karakter leeft niet vanuit het gevoel, dat het leven levenswaard zou zijn, maar dat de zelfmoord de moeite niet loont.’ Dit is karakteristiek voor de ondoorgrondelijke Benjamin. Die zorgt niet voor interessante denkbeelden, maar voor raadsels waarin je vastloopt.
Denkbeelden door Walter Benjamin is vertaald door Michel van Nieuwstadt en uitgegeven door Vantilt.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.