Op een zonnige dag in mei liep een jongeman met een Nike-petje de hal van het Joods Museum in Brussel binnen. Uit zijn weekendtas haalde hij een pistool en een Kalasjnikov tevoorschijn en hij opende het vuur. Een ouder echtpaar uit Israël en een Franse vrijwilligster overleden ter plekke, een medewerker van het museum raakte dodelijk gewond. Kalm wandelde de dader weer naar buiten. Zes dagen later werd hij in Marseille bij een controle opgepakt. Pistool en Kalasjnikov had hij nog bij zich, gewikkeld in een IS-vlag. Zoals onder jihadisten gebruikelijk had hij een filmpje van zichzelf opgenomen op zijn gloednieuwe GoPro-camera: ‘Ik heb Brussel laten branden.’ Zijn naam: Mehdi Nemmouche, Fransman van Algerijnse komaf, veroordeeld vanwege kruimeldiefstal, in de gevangenis bekeerd tot de radicale islam en Syriëganger.

Na de aanslag was hij met wapens en al op de lijnbus van Amsterdam naar Marseille gestapt. Voor hetzelfde geld had hij de bus in tegenovergestelde richting genomen. Dan was hij uitgekomen bij het Amstelstation, drie metrohaltes verwijderd van de Portugese Synagoge, het Joods Historisch Museum, de Hollandsche Schouwburg en het hart van de oude Jodenbuurt, het Waterlooplein.

Nemmouche had ook hier kunnen toeslaan, realiseerden de autoriteiten zich meteen. Of een van de jongens uit de Haagse Schilderswijk, Palenstein in Zoetermeer, Gouda-Oosterwei of Delft-Buitenhof van wie de AIVD wist dat ze naar het front in Syrië waren afgereisd. Er volgde koortsachtig overleg tussen Dick Schoof, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, en Eberhard van der Laan, burgemeester van Amsterdam, de stad waar zich de meeste Joodse instellingen bevinden. Binnen een week na de arrestatie van Nemmouche stonden de witte politiecabines waarmee gewoonlijk alleen de Amerikaanse en Israëlische ambassades worden bewaakt ook voor de deur van het Joods Historisch Museum, de Hollandsche Schouwburg, het Anne Frank Huis en de synagogen en Joodse scholen in Amsterdam-Zuid en Buitenveldert.

De oer-Hollandse kwestie: wie moet dat allemaal betalen?

Wie de politiecabines met hun camera’s en ondoorzichtige ramen vanuit de ellenlange rij voor het Anne Frank Huis zag staan, kon niet weten dat zich tussen de Haagse ministeries, het Amsterdamse stadhuis en de Joodse gemeenschap al jaren een hevige discussie voortsleepte over de vraag of zulke maatregelen nou eigenlijk wel nodig waren. En vooral over de oer-Hollandse kwestie: wie moet dat allemaal betalen?

Advertentie

Advertentie

Eigenlijk begon die discussie al in september 1972. IS, Hamas en Hezbollah bestonden nog niet, maar wel de terreurgroep Zwarte September, een militante cel binnen Yasser Arafats Fatah-beweging. Een gijzelingsactie tijdens de Olympische Spelen in München liep uit op een bloedbad. Elf leden van de Israëlische Olympische ploeg en vijf van de acht gijzelnemers vonden de dood. Voor de Joodse gemeenschap in Nederland, al eerder opgeschrikt door vliegtuigkapingen van toestellen op weg naar Tel Aviv, was München een wake-up call: zou Zwarte September het ook in zijn hoofd kunnen halen om in actie te komen bij Joodse evenementen in de RAI of de Apollohal? Hoe veilig waren diensten in synagogen, bijeenkomsten van jongerenverenigingen als Haboniem en Bnei Akiva en Joodse bruiloften en partijen eigenlijk?

Van de Nederlandse autoriteiten viel niet veel te verwachten. Ze waren bezorgd, maar als het erop aankwam hielden ze de hand op de knip. Onder het motto ‘dan doen we het zelf wel’ besloot een aantal potige Joodse jongemannen een eigen bewakings- en beveiligingsorganisatie op te richten die sinds 1982 de naam ‘Bij Leven en Welzijn’ draagt. Al ruim veertig jaar houden ze de wacht bij diensten in de synagogen op zaterdagochtend en tijdens hoge feestdagen als Joods Nieuwjaar en Grote Verzoendag. Als in het Hilton Hotel een bruiloft of bar mitswa-party wordt gevierd, staan de jongens van Bij Leven en Welzijn onopvallend bij de entree. En ze voorzien Joodse scholen als Rosj Pina en Maimonides van advies over hun veiligheid. Wat begon als een geheimzinnig anoniem clubje is inmiddels uitgegroeid tot een organisatie van honderden vrijwilligers die flink worden getraind in observeren, zelfverdediging en het ‘deëscaleren van conflicten’. Beheersing van de Israëlische vechtsport Krav Maga strekt tot aanbeveling.

‘Geen objectieve dreiging’

Op een maandagochtend worden we ontvangen in een kantoorpand in Buitenveldert. Van buiten wijst niets erop dat hier het hoofdkwartier van Bij Leven en Welzijn is gevestigd. Bestuursvoorzitter Dennis Mok schenkt koffie en laat ons de controlekamer zien. Via meer dan tien beeldschermen, verbonden met camera’s bij synagogen en andere Joodse instellingen in het hele land, kan hiervandaan iedere verdachte beweging worden gevolgd.

De totale kosten die de Joodse gemeenschap maakt voor haar beveiliging bedragen tussen de 800.000 en de één miljoen euro per jaar. Ze worden voor het grootste deel opgebracht door de gemeenschap zelf. Zo moeten ouders met kinderen op Rosj Pina of Maimonides tussen de 800 en 1200 euro per jaar aan schoolgeld betalen, vooral vanwege de bewaking en beveiliging. De afgelopen jaren hebben het stadsdeel Zuid en de gemeente Amsterdam samen een paar ton per jaar bijgedragen. Het Rijk geen cent. Bestuurders van Bij Leven en Welzijn kregen van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie keer op keer te horen dat ze het gevaar waaraan de Joodse gemeenschap blootstond niet moesten overdrijven, dat ze niet zo hysterisch moesten doen, en dat subsidiëring een ongewenst precedent zou scheppen: straks stonden ook alle moskeeën nog op de stoep om de hand op te houden.

Het stak, want in bijvoorbeeld Duitsland en Denemarken is het al jaren de normaalste zaak van de wereld dat de nationale overheid meebetaalt aan de beveiliging van Joodse instellingen. Dennis Mok: ‘Op de ministeries zeiden ze: waarom zijn jullie eigenlijk met die beveiliging bezig? Er is helemaal geen dreiging, dus daarom betalen we jullie ook niet.’

Eind 2010 was het oud-VVD-leider Bolkestein die suggereerde dat orthodoxe Joden maar beter konden emigreren

In de Tweede Kamer waren tot voor kort maar drie partijen te vinden die er hartstochtelijk voor pleitten de portemonnee te trekken voor de bewaking van Joodse gebedshuizen, musea en scholen. Hele reeksen vertegenwoordigers van de ChristenUnie maakten zich er sterk voor: Joël Voordewind, André Rouvoet, Arie Slob, Gert-Jan Segers. Ook Kees van der Staaij van de SGP liet zich niet onbetuigd. Hun gezamenlijke drijfveer: zorgen over het toenemende antisemitisme en hun verbondenheid als christenen met het door de geschiedenis zo geplaagde uitverkoren volk. Bij monde van Joram van Klaveren trok ook de PVV van leer tegen de zuinige houding van de regering – zij het met iets andere motieven: het kabinet had de dure plicht de Joodse minderheid te beschermen tegen islamitisch straattuig en moslimterroristen.

In de Kamer werd herhaaldelijk gesproken over incidenten die zich hadden voorgedaan: Marokkaanse jochies die op 4 mei met herdenkingskransen gingen voetballen, een pro-Palestijnse demonstratie op de Dam waar Israël op één lijn werd gesteld met nazi-Duitsland, brandstichting in synagogen naar aanleiding van de Gaza-oorlog van 2009, Joden met keppeltjes die in Amsterdam-West met stenen werden bekogeld. Eind 2010 was het oud-VVD-leider Frits Bolkestein die suggereerde dat orthodoxe Joden maar beter konden emigreren: ‘Voor hen zie ik geen toekomst hier vanwege het antisemitisme onder vooral Marokkaanse Nederlanders, die in aantal blijven toenemen.’ Maar het leidde nooit tot de beslissing dat de rijksoverheid meer aan de beveiliging van Joodse instellingen moest doen.

Een oproep van Voordewind om voortaan antisemitische incidenten door de politie te laten registreren, werd door toenmalig minister Hirsch Ballin beantwoord met de mededeling dat de overheid zich zou blijven richten op de bestrijding van racisme en discriminatie in het algemeen. Erik Akerboom, op dat moment Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, hield de Joodse gemeenschap het onderscheid voor tussen de begrippen ‘objectieve’ en ‘subjectieve’ dreiging. Met andere woorden: de Joden konden zich wel onveilig voelen, maar de rijksoverheid kwam pas in actie als er concrete aanwijzingen waren dat er aanslagen op synagogen of schoolgebouwen werden voorbereid. En zulke aanwijzingen waren er niet.

Politiebeveiliging bij de Portugese synagoge op het Jonas Daniel Meijerplein in Amsterdam. Foto Marcus Köppen
Politiebeveiliging bij de Portugese synagoge op het Jonas Daniel Meijerplein in Amsterdam. Foto Marcus Köppen
Verwerpelijk

De progressieve partijen in de Kamer wezen er bij herhaling op dat antisemitisme natuurlijk verwerpelijk is maar dat bestrijding van homohaat en islamofobie evenzeer de aandacht verdiende. Zo leidden de discussies in de Kamer keer op keer tot niets.

Bijvoorbeeld het Algemeen Overleg over rassendiscriminatie op 2 februari 2011. Een sterker staaltje van Babylonische spraakverwarring maakte het Binnenhof zelden mee. De aftrap werd verzorgd door Kees van der Staaij. ‘Voorzitter,’ sprak de SGP-leider: ‘Is het normaal als je als Jood geen keppeltje durft te dragen en je dat onder je pet stopt als je de tram instapt? Is het normaal dat Joodse scholen zich in Nederland achter dikke muren moeten verschansen om de veiligheid te waarborgen? Is het normaal dat op sommige scholen nauwelijks les kan worden gegeven over de Holocaust omdat dat te gevoelig ligt? Iedereen zal zeggen: dat is niet normaal. Het is anno 2011 wel de realiteit. En dan heb ik het nog niet over scheldpartijen, bekladdingen van synagogen en nog ernstiger gebeurtenissen, waarbij geweld niet wordt geschuwd.’ Gevolgd door een pleidooi om de bestrijding van antisemitisme niet langer te laten verwateren in een ‘algemeen antidiscriminatieverhaal’.

Van Klaveren, toen nog van de PVV, vond dat de Nederlandse staat alle kosten van de beveiliging van de Joodse gemeenschap op zich moest nemen. Zijn stelling was dat incidenten als het bespugen van rabbijnen en het brengen van de Hitlergroet stuk voor stuk samenhingen met de toenemende invloed van de islam: ‘Hoe meer islam, hoe meer antisemitisme.’ Stelde de Koran immers niet dat Joden apen, zwijnen en duivelsdienaars zijn? Schreef de Hadith niet voor dat Joden moeten worden gedood? Vervolgens opende Van Klaveren de aanval op de linkse kerk, die volgens hem het islamitische antisemitisme salonfähig maakte. Zo hadden de SP-Kamerleden Sadet Karabulut en Harry van Bommel meegelopen in een demonstratie waarin was geroepen dat de Joden aan het gas moeten en had PvdA’er Ahmed Marcouch geprobeerd haatimam Al Qaradawi naar Amsterdam te halen.

Minister Donner van Binnenlandse Zaken maakte het debat ingewikkelder door te stellen dat het antisemitisme in de hand zou worden gewerkt door de voortschrijdende secularisering

Waarna de discussie over de bestrijding van de antisemitische incidenten zich als vanzelf verplaatste naar de vraag hoe goed of fout de verschillende politieke partijen zelf eigenlijk waren. Ronald van Raak van de SP: ‘De heer Van Klaveren zegt dat de SP bijdraagt aan het antisemitisme in Nederland. Dat is godgeklaagd.’ Martijn van Dam van de PvdA: ‘De heer Van Klaveren probeert mijn collega Marcouch verdacht te maken maar hij was als stadsdeelvoorzitter in Amsterdam juist een van de vechters tegen Jodenhaat op straat. De heer Van Klaveren kan nog geen millimeter in zijn schaduw staan.’

Minister Donner van Binnenlandse Zaken maakte het debat nog ingewikkelder door te stellen dat het antisemitisme in de hand zou worden gewerkt door de voortschrijdende secularisering. Daardoor bestond er steeds minder verdraagzaamheid ten opzichte van religie en religieuze uitingen. Tot grote woede van de seculiere partijen die zich in de verdachtenbank geplaatst voelden. De discussie schoot alle kanten uit. Geld voor de bewaking van Joodse instellingen leverde het Algemeen Overleg in elk geval niet op. Bij de beantwoording van de vragen herhaalde minister Opstelten van Veiligheid en Justitie nog maar eens wat de uitgangspunten van het bestaande beleid waren: ‘De beveiliging van gebedshuizen is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de Joodse gemeenschap en de lokale bestuurders.’

Aan het slot van het debat verzuchtte André Rouvoet: ‘Ik heb het gevoel dat wij niet verder zijn dan de vorige keer.’ Gerard Schouw van D66: ‘Zo modderen wij maar door.’

Haatdragende sms’jes
Op een vroege voorjaarsochtend in 2012 reed Mohammed Merah op zijn zwarte scooter in de richting van de Joodse Ozar Hatorah-school in het Zuid-Franse Toulouse. Met zijn Colt .45 begon de 23-jarige Algerijnse Al-Qaida-sympathisant in het wilde weg te schieten. Een rabbijn en drie van zijn leerlingen vonden de dood. In Amsterdam werd door de stichting Bij Leven en Welzijn onmiddellijk de bewaking van de Joodse scholen verscherpt. Voorzitter Aboed Shabi van de stichting Joods Bijzonder Onderwijs riep het ministerie op de portemonnee te trekken voor de veiligheid op zijn scholen. Het kabinet, toen nog gedoogd door Geert Wilders, zag geen aanleiding het staande beleid te wijzigen. Met het bekende argument: alle begrip voor de gevoelens van onveiligheid, maar er waren geen concrete aanwijzingen voor een aanslag in Amstelveen of Buitenveldert.

Een jaar later – in maart 2013 – besloot Dick Schoof, de nieuwe Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, het dreigingsniveau in Nederland op te schalen van ‘beperkt’ naar ‘substantieel’. De inlichtingendiensten hadden in de maanden daarvoor een nieuw gevaar ontdekt: de vele tientallen pubers uit wijken als Palenstein en Oosterwei die zich bij de jihadstrijders in Syrië hadden gevoegd en best eens met snode plannen naar Nederland konden terugkeren. Ook dat alarmerende bericht bracht geen verandering in het adagium: geen financiering van de Joodse beveiligingsmaatregelen zonder concrete aanwijzing voor een aanslag. Een voorstel van de ChristenUnie om structureel vier ton per jaar beschikbaar te stellen voor de beveiliging van Joodse instellingen werd in 2013 door de regeringspartijen weggestemd.

Een half jaar later – in mei 2014 – schoot Mehdi Nemmouche zijn Kalasjnikov leeg in de hal van het Joods Museum in Brussel. In juni begon de oorlog tussen Israël en Hamas. De zomer liep vol met pro-Gazademonstraties, waarbij het verschil tussen de Israëlische regering, de Israëlische bevolking en de Joodse gemeenschap in Nederland niet door alle betrokkenen even nauwlettend in de gaten werd gehouden. Zo riep de Marokkaans-Nederlandse rapper Appa op het Museumplein uit: ‘Zij die de Holocaust hebben meegemaakt, creëren er nu zelf één.’ Directeur Esther Voet van het CIDI, een van de meest zichtbare vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap, ontving aan de lopende band haatdragende sms’jes en tweets: ‘Je hebt bloed aan je handen’, ‘Ik wens de joden een tweede Holocaust toe’. Soms waren de berichten voorzien van hashtags als #KillJews of #HitlerWasRight. Dan was er nog de pro-Isisdemonstratie in de Haagse Schilderswijk, waar uit volle borst ‘Dood aan de Joden’ werd gescandeerd.

40 jaar CIDI: Premier Mark Rutte krijgt een keppeltje. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP
40 jaar CIDI: Premier Mark Rutte krijgt een keppeltje. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Op dat moment had Gert-Jan Segers van de ChristenUnie al een spoedoverleg met minister Opstelten aangevraagd. Het ging over een inmiddels bekend onderwerp: de beveiliging van Joodse instellingen en wie daarvoor moest betalen. Even leek het net zo te ontsporen als bij het eerdere Algemeen Overleg in 2011. Weer probeerde de PVV-fractie Ahmed Marcouch aan te wrijven dat hij een sympathisant van haatimam Al Qaradawi zou zijn. De PvdA’er sloeg terug met het verwijt dat de PVV er niet alleen ‘fascistisch-racistische ideeën’ op na zou houden maar ook ‘racistisch-fascistische vrienden’ in bijvoorbeeld Frankrijk. Maar – na stevig aandringen van vrijwel alle fracties – bleek Ivo Opstelten deze keer wél bereid in beweging te komen. Hij zegde toe met de burgemeesters van de grote steden en met de Joodse gemeenschap te zullen gaan praten over de kosten van de beveiliging. Zelf noemde Opstelten de gang van zaken een ‘doorbraak’.

Kort daarna maakte Dick Schoof tijdens een gesprek met Joodse organisaties bekend dat de lang door de autoriteiten gekoesterde doctrine (‘Eerst moet er sprake zijn van een concrete aanwijzing’) van de baan was. Voortaan zou de ‘voorstelbaarheid van een aanslag’ voldoen als criterium om steun van de landelijke overheid te krijgen. Dennis Mok: ‘In Toulouse en Brussel gebeurde precies waar wij al jaren voor hadden gewaarschuwd. Niet alleen de Israëlische ambassade en de kantoren van El Al zijn potentiële targets van terroristen, maar ook Joodse scholen, musea en gebedshuizen. De Nationaal Coördinator, de veiligheidsdiensten en de ministeries hebben veel te lang gedaan alsof er niets aan de hand was. Maar de Joden staan in de frontlinie van het gevaar. Gelukkig wordt dat nu erkend.’

Er was één tegenvaller voor de Joodse gemeenschap: concrete bedragen die voor de bewaking en beveiliging zouden worden uitgetrokken, noemde het kabinet niet.

Gewapende marechaussee

Als Mark Rutte wil laten zien dat hij bijzondere belangstelling voor zijn gesprekspartners koestert, nodigt hij hen niet uit in een van de zaaltjes op Algemene Zaken, maar in het deftige Catshuis. Op maandag 4 augustus viel die speciale behandeling een delegatie van de Joodse gemeenschap ten deel. Hoewel het hartje zomer was, gaf bijna iedereen die er in Joods Nederland toe doet acte de présence. Zo verschenen Jaap Fransman, voorzitter van het Centraal Joods Overleg, Ron van der Wieken, voorzitter van het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom, Jonathan Soesman, voorzitter van het orthodoxe Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, directeur Esther Voet van het CIDI en Dennis Mok van Bij Leven en Welzijn die dag in de ambtswoning van de premier.

Naast Rutte zelf waren van de kant van het kabinet ook vicepremier Lodewijk Asscher en Ivo Opstelten aanwezig, evenals chef terrorismebestrijding Dick Schoof. Aan de lange tafel onder de kristallen kroonluchter werden eerst kosjere broodjes geserveerd. Aan het begin van het gesprek informeerde Mark Rutte naar het persoonlijk welbevinden van zijn gasten (‘Jullie hebben vast een zware zomer gehad?’). De delegatie van de Joodse gemeenschap sprak haar bezorgdheid uit over de situatie in de Schilderswijk en het toenemende aantal antisemitische incidenten.

Al snel kreeg Dennis Mok het woord. Hij schetste hoe zwaar Joodse instellingen in buurlanden als Duitsland door de overheid worden bewaakt, terwijl dat in Nederland aan vrijwilligers wordt overgelaten. We moesten voorkomen dat Nederlandse synagogen en joodse scholen door terroristen als een ‘soft target’ zouden worden gezien, een makkelijk doelwit voor aanslagen. Mok deed een dringend beroep op het kabinet om dat gevaar te keren. ‘Waar denk je aan?’ vroeg Mark Rutte. Mok: ‘Het zou goed zijn als in de eerste weken van het nieuwe schooljaar gewapende marechaussee voor de deur van de scholen staat, ook vanwege de enorme ongerustheid onder de ouders.’ Opstelten keek bedenkelijk: gewapende marechaussee, dat is nogal wat. Maar Rutte riep spontaan: ‘Ivo, dit moeten we toch kunnen regelen?’

Bij leven en Welzijn, advertentie in NIW
Bij leven en Welzijn, advertentie in NIW

Lodewijk Asscher zei niet veel tijdens het samenzijn. Hij beperkte zich tot opmerkingen over kwesties als integratie en Holocaust-onderwijs op VMBO-scholen. Maar achter de schermen was hij al weken intensief met de terreurdreiging bezig. Hoe diep Asscher was geraakt door de ‘dood aan de Joden’ scanderende Isis-aanhangers, bleek pas enige dagen na de bijeenkomst in het Catshuis, toen hij na de wekelijkse ministerraad ongekend hard uithaalde naar zijn partijgenote Yasmina Haïfi, de Justitie-ambtenaar die had getwitterd dat Isis een ‘vooropgezet plan’ van zionisten zou zijn. Hij noemde haar uitspraak ‘onmetelijk dom’, ‘buitengewoon schokkend’ en ‘een klassieke vorm van antisemitisme’.

Het was mede op aandringen van Asscher dat Rutte zich in het Catshuis zo ruimhartig opstelde. Op de achtergrond speelde ook mee dat Eberhard van der Laan, de burgemeester van Amsterdam, het kabinet onder druk had gezet: waarom betaalde de hoofdstad wel mee aan de beveiliging van Joodse gebouwen en het Rijk niet? Maar het was vooral de premier die van de vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap de credits kreeg. ‘Door het empathische optreden van Rutte hadden we voor het eerst het gevoel: de kogel is door de kerk,’ zegt een van hen achteraf.

Aan het begin van het schooljaar stonden er inderdaad gewapende marechaussees bij alle Joodse scholen. Aanvankelijk zouden ze maar een paar weken blijven, inmiddels is hun aanwezigheid verlengd tot eind december.

‘Geen enkele minderheid heeft in Nederland zoveel te vrezen als de Joodse gemeenschap’

Toch was de kogel niet helemaal door de kerk, want over de structurele financiering van de bewaking van scholen, synagogen en musea was in de tussentijd nog niets geregeld. Daarover hielden Rutte en Opstelten zich in het Catshuis zorgvuldig op de vlakte.

Het was Arie Slob van de ChristenUnie die bij de Algemene Politieke Beschouwingen in september na ruggespraak met zijn fractiegenoot Gert-Jan Segers het kabinet opriep eindelijk over de brug te komen in wat hij een ‘erezaak’ noemde. De volgende dag zegde Rutte mede namens de minister van Veiligheid en Justitie 1,5 miljoen euro toe voor de komende vier jaar. Zou hij achter de schermen opnieuw tegen Opstelten hebben gezegd: ‘Ivo, dit moeten we toch kunnen regelen?’

Eens in de zoveel tijd reikt de Stichting Bij Leven en Welzijn een erepenning uit, een wapenschildje met de Davidster. In juni viel de eer te beurt aan Eberhard van der Laan, de zoon van verzetsstrijders uit Rijnsburg die zich had ingezet voor financiering van de Joodse beveiliging en meteen na de aanslag in Brussel het Joods Historisch Museum, het Anne Frank Huis, de synagogen en de scholen in Buitenveldert onder politiebewaking had gesteld.

Aanwijzingen

De dag na de Algemene Beschouwingen werd de penning uitgereikt aan Gert-Jan Segers, de christenpoliticus die het kabinet jarenlang onvermoeibaar aanspoorde om zijn zuinige houding tegenover de Joodse gemeenschap te laten varen. ‘Het is mooi dat het kabinet eindelijk overstag is gegaan,’ zegt hij. ‘Maar ik vind het onbegrijpelijk dat het zo lang heeft geduurd. Opstelten heeft zich er steeds achter verschuild dat de veiligheidsdiensten geen concrete aanwijzingen hadden voor een aanslag op Joodse doelen, alsof het alleen maar ging om ingebeelde zorgen. Ik begrijp dat Opstelten zijn veiligheidsmensen niet wilde overrulen, maar hoeveel aanwijzingen heb je nodig? Geen enkele minderheid heeft in Nederland zoveel te vrezen als de Joodse gemeenschap.’

Volgens Segers bevestigt de aanslag in Brussel dat de zorgen van de Joodse organisaties terecht waren, hoe vaak ze ook voor hysterici werden uitgemaakt: ‘Het kabinet kan toch niet met droge ogen beweren dat die zorgen vóór de aanslag onterecht waren en nu opeens terecht?’ Hij vindt het treurig te moeten vaststellen dat in dit land anno 2014 geen synagogedienst kan worden gehouden zonder bewakers met oortjes voor de deur, en dat Joodse kinderen op het schoolplein spelen achter hoge hekken met camera’s. ‘Het is schokkend dat dit in Nederland nodig is. Maar het is nog erger dat de Joodse gemeenschap daar al die jaren zelf voor heeft moeten opdraaien. Je mag de oorlog er tegenwoordig niet meer bij halen, maar ik zeg het toch: we hebben een ereschuld aan het Joodse volk.’