Vandaag overleed Imre Kertész. Mischa Cohen sprak Henry Kammer, de man die zes romans van Kertész vertaalde. ‘Hij liet me zien waar in 1956 de tanks hadden gereden.’
Kaddisj voor een niet geboren kind, dat boek van Imre Kertész zou iedereen moeten lezen. Henry Kammer vertaalde dat boek en nog vijf romans van de Nobelpijswinnaar.
‘Kaddisj vertelt in een bijna ijlende woede hoe het nazisme niet zomaar uit de lucht is komen vallen. Het kwaad zit in de mens en de Holocaust is niet bij toeval ontstaan maar langzaam gegroeid. Het is geen vrolijk boek, met als conclusie dat je beter geen kinderen op de wereld kunt zetten.’ Vertaler Kammer ontmoette Kertész een paar keer, in Amsterdam en in Boedapest, nog voordat de schrijver naar Berlijn vertrok. ‘Ik heb me altijd verbaasd over zijn goede relatie met Duitsland, terwijl hij als jongen van vijftien naar Auschwitz werd afgevoerd en later naar Buchenwald.’ Toen ze samen een kroegentocht door Amsterdam maakten – overigens zonder veel te drinken – bracht Kammer dat onderwerp ter sprake. ‘Ik zei dat ik het bijzonder vond dat hij zo op Duitsland georiënteerd was, ondanks de holocaust. Kertész antwoordde dat zijn ellendige geschiedenis niet was veroorzaakt door Duitsland maar door de Hongaars politieagent die hem als jongen uit een stadsbus plukte en naar de gendarmerie bracht. Daar werd hij erg slecht behandeld en tenslotte overgeleverd aan de nazi’s.’

Het verraad door een Hongaar telde voor Kertész zwaarder dan de anonieme moordmachine van de Duitsers. ‘Ik was geschokt, omdat in mijn ogen ook de holocaust uiteindelijk mensenwerk was,’ zegt Kammer. ‘Maar hij zei: “Vooral dat gezicht van die politieagent zal ik nooit vergeten.”’ Later realiseerde ik me pas goed dat Kertész, die nog maar vijftien was en niet beter wist dan dat hij een Hongaar was met het Hongaars als zijn moedertaal, zich zo totaal verraden had gevoeld door zijn landgenoten.’ Later was Kammer in het huis van de schrijver in Buda. ‘Hij opende een fles cognac en leidde me door in zijn huis, waar hij woonde tijdens de Hongaarse opstand van 1956. Hij liet ons zien waar de tanks reden en de kogelgaten die nog te zien waren in de gevels van de huizen in de buurt.’
Toen zijn werk beter ging verkopen, vooral in Duitsland en vooral nadat hij in 2002 de Nobelprijs voor de literatuur ontving, koos Kertész voor vrijwillige ballingschap in Berlijn. ‘Hij wilde niet meer in Hongarije wonen, gekwetst als hij was door de jodenvervolging in zijn vaderland. Hij beschouwde het als een verraderlijk land. De eerste jodenwetten, een numerus clausus voor joodse studenten, bedachten de Hongaren zelf al in 1938. Daardoor kon Kertész niet naar het gymnasium maar werd hij naar een aparte joodse school gestuurd.’ Anders dan zijn een paar jaar jongere collega György Konrád, net als hij een Hongaarse jood met een anticommunistisch verleden, was Imre Kertész volgens vertaler Kammer niet actief in het verzet tegen de xenofobe regering van Viktor Orbán. In 2012 verhuisde de schrijver, die leed aan de ziekte van Parkinson, uit zijn zelfverkozen Berlijnse ballingschap terug naar Boedapest, waar hij vandaag is overleden.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.