Net toen Kees van Kooten zijn mouwen had opgestroopt om te beginnen aan zijn boek over geliefde cartoonisten, kreeg hij een hartaanval. Het boek kwam er toch, maar wel in een heel andere vorm.
Het was een ideale toestand waarin Kees van Kooten twee jaar geleden belandde toen hij bij het naar school brengen van zijn kleinkinderen een hartaanval kreeg. Hij merkte het zelf maar half, tot zijn dochter zag dat hij grijs aan het wegtrekken was en 112 belde. Vanaf dat moment bevond Van Kooten zich in een vreemd euforische stemming: ‘Verbijsterd door de gedachte dat dit wel eens mijn sterfdag kan blijken, raak ik hier niet in het minst onrustig van. Integendeel. Ik ga er eens goed voor liggen en tel mijn zegeningen’. Hij komt tot het besluit dat het ‘is volbracht, mijn taak zit erop. Zo is het goed, want beter kan het nooit meer worden.’
Maar deze stemming was té mooi, het was eerder ‘een bovenzinnelijk gebeuren’ waarin hij zichzelf, héél ongebruikelijk, ‘moeiteloos en volledig’ in de hand had. De toestand was anderzijds weer wel ideaal omdat Van Kooten zijn act van de vermoorde onschuld kon opvoeren: ‘met mij is alles kits’, maar in werkelijkheid ging hij bijna dood. Je zou dit Van Kootens oer-act van het ‘doorzichtig veinzen’ kunnen noemen.
Op het moment van de hartaanval zou hij zijn begonnen aan een boek over zijn geliefde cartoonisten, een vervolg op zijn prachtige Hartstochtjes waarin hij er al een aantal uitvoerig behandelt. Het boek dat hij oorspronkelijk in gedachte had is Leve het welwezen niet geworden. Op een listige manier combineert hij nu de beschrijving van zijn verblijf in het ziekenhuis met zijn tekenaars. Dat doet hij aan de hand van het ‘humorboekje’ dat hij van ‘meneer Hartman’ heeft gekregen, met wie hij een kamer deelt. Hartman is in de tachtig, oud treinconducteur en poppenkastspeler. Terwijl hij het ‘humorboekje’ plichtmatig doorkijkt slaakt Van Kooten veinzend enthousiaste kreten. Hij vindt er meestal niks aan, maar dat zegt hij niet. Eén keer doet hij dat wel, en dan besluit meneer Hartman maar te gaan slapen, Van Kooten gebrek aan humor verwijtend.
Het boekje door te bladeren is een manier om het ondertussen over zijn eigen geliefde cartoonisten te hebben: over Steinberg, Chas Addams, Peter Arno, Gluyas Williams, Sempé, Helen Hokinson, Peter van Straaten, Kamagurka, Daumier, James Thurber, Stefan Verwey en Jaap Vegter. Ze krijgen achterin allemaal een korte beschrijving, als een micro-encyclopedie. Iemand die hij wel waardeert, maar daarin niet noemt is Ton Smits, een van de weinige tekenaars van wie tekeningen in The New Yorker hebben gestaan (afgezien natuurlijk van in onze tijd Benoît van Innis en Joost Swarte, die zelfs vele covers hebben gemaakt).
Van Kooten beklaagt zich overigens over de toestand bij The New Yorker, waar Bob Mankoff sinds 1997 de cartoonredactie beheert en volgens Van Kooten voor een woestijn aan humorloosheid heeft gezorgd. Dit is zelfs reden voor Van Kooten om na tweëenveertig jaar zijn abonnement op te zeggen, ‘met pijn in mijn nieuwe hart’. Een lans breekt hij voor Sempé. Wanneer hij na het ziekenhuis herstellende wandelingen maakt en naar het voetballen kijkt van E-tjes en F-jes op het Amsterdamse Olympiaplein, ziet hij zichzelf zoals Sempé hem zou kunnen tekenen: vanuit vogelperspectief ziet hij Van Kooten verzaligd naar de gelukkige voetballertjes kijken: ‘Dat zijn momenten van onbezwaard en bovenaards geluk. Zowel voor de rechtsbuiten/acteur als voor die ene, heimelijke wandelaar/toeschouwer’. (Overigens zou Van Kooten wel een hele jaargang Charlie Hebdo willen geven ‘voor één tekening van Sempé. Ongezien’).
Er wordt in Leve het welwezen soepel en onbekommerd gecombineerd. De zes uur onder het mes en de vijf bypasses geven ook aanleiding tot bespiegelingen over het leven zelf. Wanneer Hartman hem vraagt of hij het nog een keer zou willen ondergaan, zo’n operatie, wordt Van Kooten even klem gezet. Meneer Hartman wil in ieder geval niet meer opgelapt worden. Van Kooten telt toch maar zijn zegeningen. Hoeveel dat er ook zijn, hij is blij dat hij zich nooit bezondigd heeft ‘aan de armzalige verzuchting dat ik het leven vierde’. Hij wist altijd dat de wereld rondom hem min of meer in brand stond. Dat hij het leven ‘vierde’ was wat hem ergerde aan de tijdelijke vriend van zijn moeder. Die debiteerde tien keer per dag zijn levensmotto ‘dat vandaag gisteren morgen’ was. Het bevalt hem ook niet dat bekende Nederlanders ‘koketteren met het eigen levenseinde’. Hij schat zelf dat hij nog zo’n jaartje of tien twintig nodig te heeft om er ethisch en moreeltheologisch uit te komen. Ondertussen is wat hem betreft ‘niks nog te laat!’, zelfs al het gaat om nog écht te leren schaken. Ook al suggereert de titel anders, in Leve het welwezen klinkt tussen alle humor ook Hedonia door, Van Kootens boek over het onvermogen om écht gelukkig te zijn.
Leve het welwezen is uitgegeven door De Harmonie.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.