Door Thomas Mores Utopia met nieuwe ogen te lezen, 500 jaar aan interpretaties vergetend, denkt utopia-kenner en eerste Denker des Vaderlands Hans Achterhuis niet meer zo slecht over utopieën. Als ze maar niet allesomvattend zijn. Als het maar kléine utopieën zijn.
Op het eiland Utopia dat Thomas More in 1516 in zijn gelijknamige boek laat schetsen door de wereldreiziger Raphaël Hythlodaeus, waakt men er voor dat de bevolking onnodig hard moet werken. Voor alle burgers moet ‘zoveel mogelijk tijd aan de slavernij des lichaams worden onttrokken.’ De tijd die daardoor vrijkomt kan dienstbaar worden gemaakt ‘aan de vrijheid en de ontplooiing van de geest. Want daarin ligt naar hun oordeel de rijkdom van het leven.’
Dit is zonder meer een lofwaardig streven, al kun je je afvragen of de rijkdom van het leven vooral in de ontplooiing van de geest zit, en niet in het bouwen van huizen, het ontwerpen van bruggen, het bebouwen van de akker, of het bevaren van de zeeën. Zeker is dat het goed is dat het lichaam niet als slaaf wordt gebruikt. Deze zorg is een van de aardige kanten van Mores eiland Utopia. Minder is dat men in Utopia allemaal dezelfde kleding aan heeft. Ze hebben ook maar één stel kleren. Als ze uitgaan, gaat daar een jas of mantel overheen die op het hele eiland dezelfde kleur heeft: naturel. Geen inspirerende kleur wanneer je er veel van bij elkaar ziet.
Naast deze positieve en negatieve kanten van Utopia is er nog een derde kant. Die zou men absurdistisch kunnen noemen. In Utopia wordt het goud en zilver niet gebruikt voor het maken van sieraden, schalen, messen, vorken of kandelaars, maar voor pispotten en het nederigste vaatwerk. De ketens en zware voetboeien van slaven worden ook van goud en zilver gemaakt. Heeft iemand een misdrijf gepleegd, dan krijgt hij als teken van schande gouden ringen aan zijn vingers, een gouden keten om zijn hals en een gouden band om zijn hoofd. Goud en zilver zijn in Utopia iets minderwaardigs.
Utopia is geen ideale, maar een paradoxale, ambigue, hybride en ambivalente samenleving.
Deze drie uiteenlopende kanten van Utopia zorgen ervoor dat ‘Het verhaal van Raphaël Hythlodaeus over de ideale samenleving door Thomas More’, zoals het tweede hoofdstuk wordt aangekondigd, helemaal niet over een eenduidige ideale samenleving gaat. Het ene moment is het heel zinnig wat je leest (tijd voor de ontplooiing van de geest), het andere moment onzinnig (uniforme kleding), gevolgd door de wereld op zijn kop als goud en zilver als minderwaardig worden beschouwd.
Voor goed begrip van het boek Utopia moet de naam Hythlodaeus serieus genomen worden. Het betekent ‘hij die op sluwe wijze onzin verkoopt’. Hythlodaeus bevindt zich daarmee in dezelfde categorie als de Zotheid, de figuur die in Erasmus’ Lof der Zotheid het woord doet. Deze namen zorgen ervoor dat alles wat men leest maar tot op zekere hoogte serieus genomen kan worden: er zit immers een zotte en sluwe kant aan.
Als lezer moet je blijven denken: is dit onzin of is het zinnig, is het ernst of is het een grap, of een combinatie van de twee? Is het goed dat de inwoners van Utopia één familie zijn? Dat in Utopia niet geluierd mag worden? Dat zij speciaal aan schoonheid hechten en aan de ‘vormenrijkdom der natuur’? Dat meisjes uitgehuwelijkt worden? En dat ze door hun gelijkmatige levenswijze de rijkste opbrengst van landbouw en veeteelt hebben? Dat alles van hogerhand goed geregeld en georganiseerd wordt? In Utopia wordt een samenleving beschreven die tegelijk gruwelijk, ideaal en die onzinnig is. Utopia is geen ideale, maar een paradoxale, ambigue, hybride en ambivalente samenleving.
Toch is Utopia vijf eeuwen lang als hét voorbeeld van een ideale samenleving beschouwd, en niet als de ernstige scherts die Thomas More bedoeld heeft. Het is een boek waarin de lezer voortdurend op het verkeerde been wordt gezet. De scherts is al die tijd over het hoofd gezien.

Hans Achterhuis, de voormalige Denker des Vaderlands, schreef drie boeken over het fenomeen utopie (De erfenis van de utopie, 1998, Utopie, 2006 en De utopie van de vrije markt, 2010). Daarin wordt de utopie, ook die van Thomas More, consequent als een ramp opgevat: utopisch denken leidt altijd tot een dictatuur. Altijd wanneer er voor grote groepen wordt gedacht gaat het mis. Ter gelegenheid van het vijfhonderdste geboortejaar van Thomas More dit jaar heeft Achterhuis Utopia eindelijk min of meer onbevangen gelezen, zonder in zijn achterhoofd het gebruikelijk discours dat zegt dat Utopia een utopie beschrijft.
Voor het eerst zag Achterhuis dat Utopia geen eenduidige ideale samenleving is, maar een hybride maatschappij met goede, slechte, realistische, idealistische en betwistbare kanten. Hij ziet nu dat Utopia geschreven en gedacht is in de geest van Erasmus’ Lof der zotheid. Erasmus heeft waarschijnlijk de titel bedacht (die luidde aanvankelijk Nusquam, nergens) en de tekst drukklaar gemaakt. In zijn nieuwe boek, Koning van Utopia. Nieuw licht op het utopisch denken, veronderstelt Achterhuis dat Erasmus en More heel wat afgelachen hebben over de tekst. Dat lijkt me helemaal niet onwaarschijnlijk.
Achterhuis veronderstelt dat Erasmus en More heel wat afgelachen hebben over de tekst. Dat lijkt me helemaal niet onwaarschijnlijk.
Dat Achterhuis jarenlang in het spoor van anderen dacht, is een structureel aspect in zijn denken. Achterhuis behoort tot de generatie van de jaren zestig die de met dubbele tong gedebiteerde wijsheden van voorzitter Mao over de Culturele Revolutie met instemming indronk. Maar hij behoort ook tot degenen die zichzelf in de jaren tachtig wisten te corrigeren. Achterhuis ging steeds zelfstandiger denken en heeft van die stadia ook steeds verslag gedaan. Hij is een schrijver die zichzelf bloot geeft.
Nadat hij voorzitter Mao in Filosofen van de derde wereld (1975) idealistisch had bewonderd, zette hij zichzelf met beide benen op de grond met boeken als Het rijk van de schaarste (1988). Daarin was de realistische Achterhuis aan het woord: iemand die niet meer naar de idealistisch goede bedoelingen van mensen keek, maar naar de concrete uitkomst. Achterhuis werd geleidelijk allergisch voor alle soorten utopisch denken. Er waren voor hem geen utopieën meer, die niet tegelijk dystopieën waren.
Met zijn nieuwe boek heeft Achterhuis zich in een nieuwe fase van zijn denken gedacht: door Utopia met nieuwe ogen te lezen denkt hij niet meer zó slecht over utopieën, als ze maar niet allesomvattend zijn. Als het maar kleine utopieën zijn. Voedsel voor zijn nieuwe utopische denken vindt hij in het eerste deel van Mores Utopia, waarin More met Raphaël Hythlodaeus in gesprek is. De laatste brengt daarin de kwestie van de ‘omheiningen’ in Engeland ter sprake. De adellijke grootgrondbezitters omheinen steeds meer land en onttrekken het aan de pachters en de boeren. Ze maken er weidegrond van voor de schapen, dat brengt meer op. ‘Niet tevreden met een herenleventje waarbij zij de gemeenschap van geen enkel nut zijn’, maken ze van het land een woestenij, breken huizen af, slopen complete landstadjes en laten alleen de kerk staan, die ze als schapenstal gebruiken. Hele gezinnen moeten weg uit hun vertrouwde omgeving.
Achterhuis gebruikt deze passage als uitgangspunt voor zijn hoofdstuk over zijn nieuwe liefde, de ‘Kleine utopieën’. Wat Hythlodaeus beschrijft is een schrijnende misstand: hier wordt onteigend wat eigenlijk gemeenschappelijke grond is. Voor Achterhuis gaat het hier om wat nu ‘privatisering’ heet van gemeenschappelijk bezit. Land is net als energie, onderwijs, openbaar vervoer, zaad, water, de gevangenis en hulpverlening een gemeenschappelijk goed dat bij de gemeenschap moet blijven en niet in particuliere handen moet vallen. Het is een gebied tussen markt en staat. In de ideaalstaat Utopia wil men, net als Marx, dat alle goederen gemeenschappelijk staatseigendom zijn. Dat wil Achterhuis niet, dat is hem te totalitair en te groot-utopisch.

Achterhuis vindt dat een halt toegeroepen moet worden aan het utopische geloof in de eindeloze groeimogelijkheden van de vrije markt (waar hij De utopie van de vrije markt over schreef). Hij beschouwt dat zelfs als ‘de grote uitdaging aan het Antropoceen’, de tijd waarin de mens het voor het zeggen heeft op aarde. Afkeer van de grote utopie is bij Achterhuis veranderd in ‘utopische inspiratie’. Hij is helemaal gegrepen door kleinschalige initiatieven (dat kan zelfs ‘stadslandbouw’ zijn), door mensen die aan het ‘doendenken’ zijn en waarbij de ‘aloude franciscaanse spiritualiteit waardevol kan zijn.’ Koning van Utopia is daardoor een grabbelton aan hoofdstukken die alle kanten op gaan, van de techniekfilosofie van Francis Bacon tot Hannah Arendt, Ayn Rand, Aldous Huxley, George Orwell en de roman De cirkel van Dave Eggers over de totaal transparante samenleving. Achterhuis wordt op het laatst wat sentimenteel wanneer hij het over de ‘gezamenlijke spiritualiteit’ heeft die Martin Buber noodzakelijk achtte voor het slagen van utopische projecten. En wanneer hij de lof van het ‘olifantenpaadje’ zingt: het gaat in het leven niet om het hebben van een groot doel, ‘het gaat eerder om het op pad gaan zelf, om het genieten van het olifantenpaadje dat je maakt.’
Koning van Utopia door Hans Achterhuis is uitgegeven door Lemniscaat.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.