‘Een schrijver zonder vijanden is geen schrijver, een schrijver zonder helden is een leugenaar’, schrijft Tom Lanoye in zijn nieuwe boek. Zijn vijanden krijgen hun vet, zijn helden de lauwerkransen in deze scherpgepunte essays.

Het kan bij Tom Lanoye nooit zonder een beetje verwarring te stichten. Zijn nieuwe boek met essays en beschouwingen Revue Lanoye heeft als ondertitel Filippica (polemische replieken). Maar polemisch is maar een gedeelte van de stukken. De elegisch-bewonderende terugblikken op overleden schrijvers en vrienden, zoals de sportjournalist Jan Wauters en de schrijvers Louis Paul Boon, Jef Geeraerts en Gerrit Komrij hebben een substantieel aandeel in het boek. Lanoye kan niet eenduidig zijn, hij kan zich niet beperken tot polemieken. Hij heeft een orkest aan emoties, ideeën en opvattingen in zich. Dat zorgt voor de karakteristieke afwisseling in het boek: hoog opgevoerde schatplichtige bewondering gevolgd door snijdende analyses, bijvoorbeeld van het Vlaamse tekortschieten op het gebied van justitie, politie, emigratie en cultuur.

Zijn hardnekkige vastbijten in deze affaire gaat allerminst ten koste van Lanoye’s stilistische brille.

Als romanschrijver, dichter, essayist, toneelschrijver en zonder partij zwevende politicus zoekt Tom Lanoye altijd naar het concrete dat tegelijk symbolisch is. In Revue Lanoye is dat de affaire Jonathan Jacob, de aan amfetamine verslaafde die in 2010 in een cel in de Belgische plaats Mortsel overleed nadat hij door agenten van een antiterreureenheid was mishandeld. Of de agenten niet onnodig veel geweld hadden gebruikt werd niet serieus onderzocht. Dat werd symbolisch voor het geschuif, het getalm, het moedwillig traineren en het amateurisme van de Belgische overheid. Voor Lanoye is de Affaire Jonathan Jacob wat de Affaire Callas voor Voltaire was, en de Affaire Hans Kok in 1985 voor A.F. Th. van der Heijden: een justitiële dwaling die voor de verrotting van de samenleving staat. In de vorm van brieven aan de dode Jacob schrijft Lanoye: ‘De doodslag op jou laat zich niet alleen lezen als een kroniek van ingebakken knulligheid, maar ook als een schoolvoorbeeld van het ontlopen van gevolgtrekkingen. Postuum verspreidt jouw naam de pokken én de pest, iedere hoogwaardigheidsbekleder mijdt jouw dossier, jouw lot, jouw vloek.’ Vanaf 2013 komt Lanoye er elk jaar met Kerstmis op terug, tot er tenslotte een proces komt, waarbij zeven agenten voorwaardelijk gestraft worden, terwijl de burgemeester, Bart de Wever, de agenten ‘honderd procent zal blijven steunen.’ Dit is een voorbeeld van ‘hoe structureel het onvermogen blijft om falende of blunderende ordehandhavers tot de orde te roepen.’

Dit hardnekkige vastbijten in deze affaire gaat allerminst ten koste van Lanoye’s stilistische brille. Omdat ze in vol ornaat op Jacob werden afgestuurd hadden de agenten kisten van laarzen aan, ‘bottines’ genaamd. Reden voor Lanoye om ze steeds met het verkleinwoord ‘bottinekes’ aan te duiden, een uitstekende manier om hun martiale verschijning tot normale proporties terug te brengen.

De reden dat je deze essays met enige gretigheid leest heeft alles te maken Lanoye’s onverschrokkenheid. Ik denk daarbij aan het stuk over Charlie Hebdo waarin hij niet verhult dat hij het blad al in geen jaren meer had gelezen toen het door de moordpartij in januari 2015 bij iedereen bekend werd. En het was niet zonder reden dat hij het niet meer las: dat de redacteuren en tekenaars moesten kunnen tekenen en schrijven waar ze zin in hadden, wilde niet zeggen dat ze inmiddels niet ‘een hoop zotte, uitgebluste ouwe zakken’ waren, ‘die hun talent een paar decennia hebben overleefd.’ Charlie Hebdo was ‘te voorspelbaar’ geworden en ‘te ongenuanceerd.’

Humor is vrij is, maar gaat niet altijd vrijuit.

Lanoye knoopt er nog een boeiende overweging over humor aan vast. Dat die ook zijn bizarre kanten heeft: ‘Net als godsdienst, seks en kunst bezit ook humor een duistere, walmende kant. Ook hij kan zich laven aan machtsverlangen en superioriteitsdrift, ook hij kan vernederen en vergiftigen, ook hij kan geweld en uitsluiting helpen legitimeren.’ Waarmee gezegd is dat humor vrij is, maar niet altijd vrijuit gaat (denk maar aan antisemitische humor in de jaren dertig), ook al is het het beste er met humor op te reageren.

Dat Lanoye het over de ‘duistere, walmende kant van humor’ heeft is een onbewuste verwijzing naar Hart der duisternis, de roman van Joseph Conrad die ook voor Lanoye een symbolische rol speelt in zijn intellectuele ontwikkeling, zoals dat ook bij de vertaler van het boek, Bas Heijne, het geval is. De roman staat voor de duistere kanten van de mensheid: dat je er rekening mee moet houden dat in ieder mens een afgrond van barbaarsheid aanwezig kan zijn. Zoals in de hoofdpersoon Kurtz, die van een geciviliseerde handelsagent in Afrika verwordt tot een bandeloze en ontspoorde sekteleider in de jungle van Afrika. Ook voor Lanoye staat Hart der duisternis voor de mogelijke ‘horror, de horror’ die in de mensheid huist. Dat is ook de reden dat Lanoye zich voor de tragedie interesseert en er ook een paar voor toneel heeft bewerkt, zoals tragedies van Shakespeare en Medea.

In een van de stukken over zijn grote voorbeeld Gerrit Komrij schrijft Lanoye dat bij Komrij de humor altijd een ernstige ondergrond had. Het werd bij Komrij nooit cabaret: ‘Cabaret raakt gedateerd. De tragedie niet. Zij lacht niet uit, zij teert op de kern van het menselijk drama: onze verscheurdheid, onze aandoenlijke inconsequentie.’ Een van die inconsequenties is dat voor Lanoye ‘politieke correctheid en culturele correctheid’ niet automatisch samen vallen. Dat verklaart zijn bewondering voor Jef Geeraerts, de schrijver van de Gangreen-romans, romans waarop nogal wat kritiek mogelijk is vanwege het kolonialisme, seksisme, machismo en racisme. Maar tegelijk tonen die romans ‘pijnlijk scherp een tijdperk en een arena waarin de Belgische staatskarwats nog routineus Congolese ruggen openreet onder het mom van beschavingsplicht en ordehandhaving.’ Je krijgt door ‘deze meesterwerken’ een impressie van de ‘morele tweespalt’ waarin Geeraerts zich begaf.

Lanoye jankte bij het zingen van Obama, misschien wel om de tegenstrijdigheden, ‘om de paradox van dat soort macht.’

Lanoye krijgt door het volgen van zijn intellectuele instinct regelmatig te maken met zulke tegenstrijdigheden. Even pijnlijk als ontroerend is het stuk dat niet voor niets een paradox als titel heeft: ‘Genadeloze genade’. Het gaat over Barack Obama die vorig jaar bij de herdenking van de moorden in Charleston, South Carolina, aan het slot van zijn toespraak toonvast ‘Amazing Grace’ begon te zingen, waarna iedereen in de kerk inviel. Het gebeurde op een manier die Lanoye kippenvel van ontroering bezorgde: ‘Ik was blij dat ik neerzat.’ Dit gememoreerd hebbend vraagt hij: ‘Verdient Obama daarom onze bewondering?’ Volstrekt niet. Volgt een opsomming van wat Obama bij zijn aantreden allemaal beloofde en wat ervan terecht is gekomen. Een van zijn nieuwigheden is het oorlogvoeren met drones, een laf wapen dat op afstand wordt bestuurd en veel ‘bijkomende schade’ veroorzaakt in de vorm van onschuldige burgers. Lanoye jankte bij het zingen van Obama, misschien wel om de tegenstrijdigheden, ‘om de paradox van dat soort macht. Met zijn meedogenloze schaduwkanten en zijn momenten van glorie.’ Obama zal wel een van de meest legendarische presidenten blijken te zijn, maar Lanoye blijft de schaduwzijden zien: Obama ‘pendelend tussen Machiavelli en messias.’

In Revue Lanoye staan ook een aantal stukken over meer Vlaamse figuren en aangelegenheden die over iets ver wegs lijken te gaan. Maar ook die worden vanzelf leesbaar door het stilistische feest dat Lanoye ervan maakt.

Revue Lanoye van Tom Lanoye is uitgegeven door Prometheus.