Een docent in de literatuur die merkt dat zijn studenten niet zoveel zin hebben in het lezen van hele boeken en lange artikelen zal even vertwijfeld op zijn hoofd krabben. Maar het zal daarna niet lang duren voor hij zijn studenten op een vriendelijke maar besliste manier duidelijk zal maken dat het toch juist de bedoeling van de studie is dat ze veel lezen, en dat ze daar toch ook voor gekomen zijn. Zoals een toekomstige dokter het menselijk lichaam bestudeert, zo leest een letterenstudent zich kleine oogjes. En ook dikke, moeilijke boeken waar je eigenlijk geen zin in hebt.
Een docent die met zoiets te maken krijgt, zal niet overlopen van begrip. Maar dan hebben we niet gerekend met Thomas Vaessens, Jos Joosten en Geert Buelens, de nieuwe hoogleraren Nederlandse letterkunde aan respectievelijk de Universiteit van Amsterdam, de Radboud Universiteit te Nijmegen en aan de Universiteit van Utrecht. In verschillende artikelen in diverse kranten en weekbladen hebben ze laten weten dat ze bij de zappende en verstrooide geest van hun studenten niet meer kunnen aankomen met een lijst van boeken die ze gelezen moeten hebben, en dat ze er alle begrip voor hebben, sterker nog, het past in hun visie op de veranderende de rol en betekenis van literatuur en het lezen in deze tijd. Die visie sluit naadloos aan bij het hedendaagse zapgedrag.
Thomas Vaessens, voor wie het lezen, bestuderen en genieten van romans en gedichten toch dagelijks brood en patisserie ineen moet zijn, denkt niet dat romans en gedichtenbundels een student in de letteren nog veel te zeggen hebben. In het licht van internet, Google en baas-in-eigen-studiehoofd zouden dat ouderwetse genres zijn. In NRC Handelsblad van 21 januari, schrijft hij: ‘Zou het niet zo zijn dat zij (…) eigenlijk niet meer zo gek veel te verwachten hebben van klassieke genres als dat van de roman of de dichtbundel?’
Vaessens, Joosten en Buelens hebben alle begrip voor studenten die niet willen lezen wat er als minimum voor een studie in de letteren gelezen moet worden. Ze noemen dat ‘de heilige canon’. Eerdere hoogleraren in de Nederlandse letterkunde (de opstellers van zo’n canon Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure?) zouden bij het overhandigen van zo’n lijst canonieke boeken tegen de studenten hebben gezegd: ‘Dit is de heilige canon, vreten die handel.’
De nieuwe hoogleraren doen dat niet, want zij zijn als de dood dat ze hun ‘eigen waarden en gewoonten’ aan de studenten opdringen, dat ze hen ‘intimideren’ met wat zij allemaal zelf hebben moeten lezen. In een reactie op de opgetrokken wenkbrauwen van Kees Fens bij hun nieuwe ideeën schrijven ze gezamenlijk in de Volkskrant van 28 januari: ‘Het gaat er niet om dat wij onze studenten onze literaire waarden en gewoonten bijbrengen, het gaat erom dat ze de veranderlijkheid en werking van zulke conventies leren bestuderen.’
Het is natuurlijk pijnlijk tendentieus en een straatversie van fijnzinnigheid om te zeggen dat hun voorgangers tegen studenten iets in de geest van ‘vreten die handel’ zouden hebben gezegd. Ook is het niet waarschijnlijk dat ooit van een hoogleraar zou worden verlangd dat hij expliciet zijn ‘eigen waarden en gewoonten’ aan de studenten opdringt. Studenten moeten een heel scala van literaire waarden leren kennen, al kan het natuurlijk helemáál geen kwaad als de docent laat blijken dat zijn hartstocht voor literatuur ertoe heeft geleid dat hij een begenadigd inzicht in literatuur heeft gekregen, en bovendien een persoonlijke literaire smaak heeft verworven die ervoor heeft gezorgd dat hij het in ieder geval nóóit zal hebben over ‘vreten die handel’.
Met deze drie nieuwe hoogleraren hebben we te maken met een geheel nieuwe benadering van literatuur. Het is de zapbenadering. Die is een onderdeel van de zapcultuur, het zapisme. Het zapisme is sterk verwant aan het postmodernisme. Je zou het de voortzetting met iets andere middelen kunnen noemen. Het postmodernisme kende nog geen variant die betrekking had op het lezen. Die komt nu van het zapisme. Studenten, schrijft Thomas Vaessens, lezen vooral fragmenten. Fragmenten die zij vervolgens verbinden tot een eigen tekst, knippend en plakkend. ‘Jonge lezers van nu zijn graag zelf de auteur van de tekst die zij lezen.’
Je zou denken dat literatuur een van de culturele domeinen is waar de tijdgeest niet zomaar wordt omhelsd. In de literatuur loopt men niet aan de leiband, daar zitten de sceptische, kritische geesten. Dat geldt niet voor Vaessens, Joosten en Buelens. Zij hangen het oude idee aan dat de (economische) omstandigheden (de vermaarde marxistische ‘onderbouw’) het karakter van de cultuur (de ‘bovenbouw’) bepaalt. Heerst in de economie, de commercie, de populaire cultuur en de media een zapcultuur, dan moet in de literatuur, de beeldende kunst en de muziek sprake zijn van een zapcultuur.
Dit economisch determinisme is een aspect van wat men wel een ideologie kan noemen. Een kenmerkend ander aspect is dat het zapisme breekt met elke vorm van hiërarchie in de samenleving. Zapcultuur betekent dat je niet één programma, één boek, één schrijver voor een bepaalde tijd je volle aandacht geeft, maar allerlei verschillende programma’s, boeken, schrijvers, muziek achter en door elkaar. Het zou een geval van misplaatst favoritisme en hiërarchisch denken zijn om iets boven iets anders te plaatsen. Zapcultuur is een cultuur van radicale gelijkheid.
Zapcultuur wil ook zeggen dat de verschillende kunstvormen zelf verzapt worden en dat geen enkel genre kunst nog op zichzelf staat: alle kunstvormen worden hybride kunstvormen. Alle kunst is in het zapisme ‘interdisciplinair’ en ‘cross over’, er lopen altijd verschillende kunstvormen door elkaar. Het zou namelijk van een autoritair hiërarchisme getuigen wanneer een kunstvorm nog op zichzelf (‘geïsoleerd’) zou staan. Beeldende kunst moet met video samen, muziek met beelden, literatuur met rap. Een schrijver moet ook acteur in commercials kunnen zijn, een dichteres kan zich niet meer beperken tot het publiceren van een dichtbundel, ze moet zich ook publiekelijk presenteren, op straffe gemarginaliseerd te worden (niet gezien te worden: zijn is gezien worden).
De vermenging van kunsten heeft natuurlijk zijn aardige en vruchtbare kanten. Maar de verschillende genres hoeven daar niet voor te verdwijnen. Een boek (roman, studie, betoog) is een samenhangend geheel met een kop en een staart, en niet alléén iets om in te bladeren (te zappen) en hier en daar iets te lezen.
Deze nieuwe zapbenadering van de literatuur door Vaessens c.s. komt niet toevallig aan het licht op het moment dat de eerste delen van de nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur verschijnen. Over het schrijven van een literatuurgeschiedenis in deze zaptijden heeft Thomas Vaessens zijn ideeën opgeschreven in de Literatuurbijlage van De Groene Amsterdammer van september vorig jaar. Altijd weer vogels die nesten beginnen, het door Hugo Brems geschreven deel over de literatuur van 1945 tot 2005, doet alles wat Vaessens daarin niet meer mogelijk acht. Het schrijven van een chronologische geschiedenis van de literatuur kan niet meer volgens Vaessens, want dan ‘intimideer’ je studenten met jouw kijk op de literatuur. Brems doet precies dat: het schrijven van een chronologische, maar wel heel veelzijdige literatuurgeschiedenis, en zo neutraal mogelijk. Daar doorheen vertelt hij ook nog een thematisch samenhangend verhaal, licht hij er thema’s uit, trekt hij lijnen door. Zonder dat hij het veel nadruk geeft, trekt Brems geleidelijk een rode draad door het boek: de ontwikkeling van de Nederlandse literatuur sinds de Tweede Wereldoorlog wordt bepaald door een afwisseling van de nadruk op esthetiek of ethiek. Wanneer een stroming te lang en te veel het accent op de esthetische kanten van de literatuur heeft gelegd, zal er na verloop van tijd een reactie op komen en zal gepleit worden voor meer aandacht voor inhoud, existentiële of filosofische thema’s en meer ‘straatrumoer’. Dat verklaart de debatten rond de Revisor-schrijvers, de Maximalen, de discussies over ‘de taak van de schrijver’ en de vraag naar meer straatrumoer. Ook bij individuele schrijvers heeft zich die (vaak vruchtbare) spanning tussen esthetiek en ethiek voorgedaan, van Louis Paul Boon tot Frans Kellendonk, van Willem Frederik Hermans tot Joost Zwagerman.
Brems vat literatuur in zijn ruimst mogelijke zin op: ‘Teksten, auteurs, stromingen en tendensen, opvattingen en normen, maar ook de manier waarop literatuur gemaakt wordt, verspreid, verkocht, gepromoot, gesteund, beoordeeld en gelezen wordt.’ De Vlaamse literatuur behandelt hij gelijkwaardig, en hij heeft het over koloniale literatuur, Surinaamse, Antilliaanse, Nederlands-Indische literatuur. Stromingen en hun poëtica’s, de opkomst van pockets en paperbacks, de polemieken en debatten, de Vijftigers, de Zestigers, de columnisten, het Revisor-proza, de literaire tijdschriften, jeugdliteratuur zelfs, alle ontwikkelingen in de poëzie, de opkomst van de boekenbijlagen, de Maximalen, schrijvers tussen twee culturen, de literaire kritiek, het literaire feminisme, performance-dichters, opkomst van literaire festivals: Brems heeft ongegeneerd naar volledigheid gestreefd. Door dit alles heen gaat hij regelmatig korter of langer in op individuele schrijvers of boeken die een bijzondere impact hebben gehad.
Er is één grote afwezige in het boek: het essay. Karel van het Reve, Rudy Kousbroek, Willem Frederik Hermans, Dick Hillenius, Renate Rubinstein, K.L. Poll of Andreas Burnier komen wel ergens in een of ander verband ter sprake, maar niet als essayisten, waardoor het genre (dat zijn uitstraling op de hele literatuur heeft gehad) al te stiefmoederlijk is behandeld.
In De Groene Amsterdammer beweerde Thomas Vaessens dat er geen ‘logisch-chronologisch voortgangsverhaal’ meer te schrijven zou zijn. De literatuur zou al lang geen kunst meer zijn die nog autonoom is, zich nog uit zichzelf ontwikkelt (een schrijver wordt geïnspireerd door een voorganger, c.q. hij reageert op een voorganger), maar behoort nu tot de wereldzee van ‘teksten’. Die teksten hebben te maken met de ‘omstandigheden’, zoals de toenemende rol van de commercie in de wereld van de kunsten. De literatuur moet nu ook haar plaats binnen al die teksten veroveren. Ze is niet meer iets op zichzelf waar een solide literaire standaard bij hoort. De literatuur is niet meer gezuiverd van de wereld van handel en commercie. Vaessens noemt het een uitbraak uit de autistische wereld van die literatuur wanneer schrijvers voor bladen als Elle of Rails gaan schrijven. Hugo Brems signaleert dit natuurlijk ook, maar hij ziet het niet als een uitbraak, maar als onschuldige uitstapjes. Brems ziet ook dat er de laatste jaren van alles aan de hand is om de literatuur heen: festivals, voorlezen, dichters aan huis, verfilmde boeken, internetsites, maar dat tast de kern van wat literatuur is niet aan. Het is aardige franje, door Vaessens verheven tot een heus cultuursociologische fenomeen.
‘De traditionele voorstelling van de literatuur als piramide met één top volstaat niet meer,’ schrijft Vaessens in De Groene. De vraag is of we hier te maken hebben met een empirische observatie, of met wishful thinking van Vaessens: dat hij wil dat er geen piramide is. In ieder geval is die piramide nooit zo’n steenkolos geweest, eerder iets heel kneedbaars en veranderlijks.
In plaats van die vermeende piramide is de literatuur volgens Thomas Vaessens ‘verkaveld’. Die verkaveling zou zijn ontstaan door de vele internetsites voor literatuur, waardoor men eigen werelden (‘niches’) heeft geschapen waarin de criteria van wat ooit de ‘officiële literatuur’ was niet meer gelden. ‘Auteurs en lezers’ zouden volgens Vaessens ‘geen gedeeld referentiekader’ meer hebben. En: ‘Schrijvers bespelen andere media en houden niet meer halt bij de grenzen van het papier.’ De literatuur is veranderd in een wereld van teksten en podia, en die teksten bewegen zich, in de taal van Vaessens, in verschillende ‘literaire subvelden’, ‘nieuwe subsystemen’, ‘nieuwe literaire communities’ waarin een ‘eigen mores’ heerst die zich niets aantrekt van de ‘officiële literatuur’.
Vaessens zegt het niet onomwonden, maar het komt erop neer dat zijn idee van ‘verkaveling’ in feite een radicale democratisering van de literatuur inhoudt. In die ‘literaire subsystemen’ denkt men niet meer piramidaal, in termen van groot, groter en grootste schrijvers, maar in… ja, wat? Hij weet over die ‘nieuwe literaire communities’ zo weinig inhoudelijks te vertellen dat het vooralsnog hobby-communities zijn voor literaire amateurs.
Hugo Brems signaleert in de laatste tien jaar een ‘toenemende osmose tussen literatuur en populaire lectuur’, maar even later dat de literatuur desondanks gewoon doorgaat, ook al is ze de laatste jaren wat stuurloos, want niet gevoed door één bepaalde literaire stroming. En inderdaad, het kan niemand ontgaan zijn dat de populaire lectuur (boeken die maar half en half tot de literatuur gerekend kunnen worden, zoals Carry Slee, Marianne Fredriksson, Renate Dorrestein) tot de echte literatuur gerekend willen worden om twee vliegen in één klap te slaan: een grote oplage en literaire erkenning. Maar ondanks deze noeste pogingen om tot de literatuur gerekend te worden, er moet aan literaire kwaliteiten voldaan worden, zoals die bijvoorbeeld te vinden zijn bij schrijvers als Hermans, Kellendonk, Vestdijk Tonnus Oosterhoff of Marja Brouwers.
Dat de pogingen om de literatuur te populariseren met half-om-halfschrijvers niet echt lukken, is te zien aan de boeken die door de jaren heen de AKO, Libris Prijs of de Gouden Uil hebben gewonnen. Al die boeken behoren tot de literatuur, en dat komt omdat ze aan de hand van literaire criteria zijn gekozen door kenners van de literatuur, en niet door kenners van de economische ‘omstandigheden’ of specialisten van de Tijdgeest. Het zijn die schrijvers die voor de hedendaagse literaire criteria zorgen: zij bevinden zich niet aan de top van de piramide, maar op het plateau van de Olympus, waar ruimte is voor meer dan vier schrijvers. Voor de ‘literaire subvelden’ of ‘literaire communities’ van Vaessens is daar ook plaats, al mogen ze dan niet meer zo raar heten en mits er dan echte literatuur wordt geschreven.
Dat Vaessens zich stoort aan de voorstelling van de literatuur als een piramide heeft te maken met zijn radicale democratische gevoelens en ideeën. Hermans, Reve, Mulisch, Wolkers werden wel eens ‘de grote vier’ genoemd. Hugo Brems geeft hun de ruimte die hun toekomt, maar behandelt ze niet als goden, zoals Vaessens met zijn piramide suggereert. Brems heeft over het algemeen geen last van favoritisme. Hij heeft geen behoefte aan debat of polemiek, hij heeft ook geen zwarte schapen. Hij schrijft neutraal, beschrijvend en analyserend. Dat neutrale zou verschrikkelijk kunnen zijn, ware het niet dat Brems levendig genoeg schrijft, en in hoge mate informatief is. Door wat en hoe hij vertelt (het hoge soortelijk gewicht) leidt hij de aandacht af van zijn neutraliteit.
Brems staat natuurlijk ook stil bij de literatuur op internet, maar echte literatuur komt hij er niet tegen, afgezien van de praktische en informatieve websites van uitgeverijen, auteurs, bibliotheken, zoekinstanties. Thomas Vaessens doet ondertussen alsof zich hier een hele alternatieve wereld bevindt. Die voorstelling heeft hij nodig om te kunnen zeggen dat de ‘uitstraling’ van de ‘officiële literatuur’ volgens hem drastisch aan het verminderen is. Dat zou komen omdat er met de enorme toename van de aandacht voor allerlei vormen van cultuur in allerlei media steeds meer ‘niches’ ontstaan, die almaar minder zichtbaar zijn ‘in het uitdijende openbare domein zonder centrum.’
Alles wat Vaessens in zijn artikel in De Groene beweert, beantwoordt aan een vast patroon. De kern van dat patroon is het verdwijnen van elke ‘autonomie’ in de kunsten, en speciaal die van de literatuur. Vandaar dat overal ‘vervaging’ aan de orde is: het ‘vervagen van de traditionele grenzen tussen vormen, genres en circuits’. De zapcultuur is een manifestatie van die vervaging, net als de ‘cross-overs’, dat ‘kwaliteit’ secundair wordt, dat alle kunst interdisciplinair is of moet zijn, en dat de literatuur geen centrum (geen piramide) meer heeft: opgedeeld of verkaveld in niches die geen contact met elkaar hebben, holletjes zeg maar. Maar, die holletjes zijn ook weer niet helemaal holletjes met een eigen identiteit, want ook zij dienen ‘interdisciplinaire’ holletjes te zijn. Als het al geen ideologie is, er zit systeem in.
Hiermee is Vaessens een nakomeling van de filosofie die het vervagen van grenzen bij uitstek voorstond: het postmodernisme en deconstructivisme van Gilles Deleuze en Jacques Derrida. Maar dichter bij huis is hij met zijn visie en ideeën ook verwant aan het gedachtegoed van ‘culturele studies’, zoals dat onder meer door Ginette Verstraete in Amsterdam wordt uitgedragen. Vaessens citeert Verstraete in zijn artikel wanneer hij beweert dat de literatuurgeschiedschrijving er niet omheen kan dat in deze tijden van globalisering ‘iedere vorm van culturele lokatie en identificatie een product is van verplaatsing, vermenging, migratie en communicatie op afstand’. Met andere woorden: alles, de literatuur, de schrijvers, is tegenwoordig zonder grenzen en vermengd, behorend tot verschillende culturen en plaatsen. Maar zo eenvoudig ligt dat natuurlijk niet in de literatuur. Men kan een groot voorstander zijn van het werk van schrijvers met twee culturen en van wat Salman Rushdie ‘imaginary homelands’ noemt, zolang men Nederlands schrijft, schrijft men Nederlands, hoeveel buitenlandse invloeden men ook verwerkt.
Alle culturele, maatschappelijke en politieke verhoudingen staan voor culturalisten als Ginette Verstraete in het teken van een of andere vorm van macht: onderdrukking, uitsluiting, dominantie, hegemonie, hiërarchie. ‘Culturele studies’ wil dat alle grenzen radicaal vervagen: van landen, genres, identiteiten en klassen. Kenmerkend voor ‘culturele studies’ zijn de radicale analyses van de werkelijkheid: is Nederland een land met grenzen, dan is het meteen een land met ondoordringbare grenzen. Het Europese ‘democratisch tekort’, schrijft Ginette Verstraete in haar oratie Verstrooide burgers (2001), blijkt uit de behandeling van migranten en asielzoekers. ‘In de Europese cultuurgeschiedenis,’ schrijft ze met een radicale greep, ‘zijn de grote afwezigen al diegenen die afwijken van het witte mannelijke burgerlijke ideaal.’ Europa wordt gezien als een ‘blok’ en ‘eurocentrisme’ toegeschreven. ‘Identiteit’ is een intimiderende toe-eigening van een persoonlijk territorium. Een ‘centrum’ is in deze gedachtewereld een alles naar zich toe graaiende plek. Culturele studies wil geen centra en geen grenzen. Alle mensen zouden een ‘diaspora-identiteit’ moeten hebben, ‘verstrooide burgers’ moeten worden.
In deze geest moet men Thomas Vaessens’ sympathie zien voor de ‘doorbrekingen van de autonomie van het literaire systeem’. Het is alsof de literatuur voor hem een ondemocratisch bolwerk is, hij noemt het ook de ‘officiële literatuur’. Maar het openbreken van ‘het literaire systeem’ (deze taal komt uit de cultuursociologie van Pierre Bourdieu) zal niet verder komen dan literaire festivals en podiumoptredens van Remco Campert en Joost Zwagerman. Het is de franje van de literatuur. Zolang de Libris Prijs en de Gouden Uil niet aan een populaire derderangs schrijver worden toegekend, en de jury uit kenners van de literatuur bestaat, is er niet veel aan de hand. Dan bevindt zich daar de standaard.
Wat niet wegneemt dat we in een (om een begrip uit de psychologie te lenen) extraverte cultuur leven, een cultuur die meer dan ooit naar buiten is gericht. De literatuur is over het algemeen een meer naar binnen gerichte, ‘introverte’ wereld. Maar ze bevindt niet in een luchtledig en wordt daardoor vanzelf ook een beetje extravert. Die extravertie (schrijvers die het boekenbal bezoeken, signeren, voorlezen, interviews geven, een internetsite hebben) is voorlopig nog franje ten opzichte van de onvervreemdbaar introverte daad van het schrijven en het lezen. Daardoor raakt de literatuur haar relatieve autonomie nog lang niet kwijt en bestaat zij voorlopig niet uit Vaessens jargonrijke ‘nieuwe subsystemen’, ‘nieuwe literaire communities’ en ‘literaire subvelden’.
Het deel Geschiedenis van de Nederlandse literatuur van Hugo Brems maakt ondertussen duidelijk dat de infiltratiepogingen van de commercie (die aan de wereld van de uitgeverij nooit vreemd zijn geweest) een voortdurend gevecht vereisen van hen die aan de autonomie van de literatuur hechten, en niet graag zien dat Heleen van Royen, Carry Slee of Renate Dorrestein met de P.C. Hooftprijs aan de haal gaat. Het hoofdstuk over de ontwikkelingen bij de uitgeverijen signaleert menige verandering en verschuiving, maar de laatste jaren onmiskenbaar in de richting van het herstel van de onafhankelijke literaire uitgeverij en dus van de relatieve autonomie van de literatuur.
Literatuurgeschiedenissen zijn zelden speciaal opwindende lectuur (voor opwinding dient men zich te wenden tot een boek waarin iemand een persoonlijk, ‘egoïstisch’ overzicht geeft, zoals de onlangs verschenen Dictionnaire égoïste de la littérature française van Charles Dantzig) maar door zijn ongewone veelzijdigheid, grondigheid en heldere manier van presenteren zal het boek van Hugo Brems de komende jaren het eerste zijn dat men pakt om iets over de stromingen en gestalten in de literatuur na 1945 te weten te komen.
Hugo Brems, ‘Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005’, Bert Bakker, €35,–
Volgende week verschijnt ook ‘Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300’ door Frits van Oostrom
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.