Afghanistan

Nee, de vijand in Uruzgan was niet 'de Taliban'

Harm Ede Botje
Oktober 2008: toenmalig minister Bert Koenders brengt een bezoek aan Chora, een jaar na de slag die Martijn Kitzen reconstrueert. Foto Cynthia Boll/HH

Politicoloog en historicus Martijn Kitzen schreef een fascinerend boek over de Nederlandse operatie in Uruzgan en zijn tijd daar als inlichtingenofficier. Een gesprek met de man die zich ‘altijd heeft verbaasd en geërgerd’ over de versimpeling van de feiten: ‘Er is helemaal geen sprake van goede Afghanen aan de ene kant en de Taliban aan de andere.’

In de Nederlandse media en ook in de Tweede Kamer werd tijdens de missie in Uruzgan en ook nog tot op de dag van vandaag te pas en te onpas het begrip ‘Taliban’ gebruikt om de vijand aan te duiden. De voorbeelden zijn talloos. Zie bijvoorbeeld ‘Taliban weer verdreven uit hoofdstad Uruzgan‘ (de Volkskrant – 8 september 2016) en ‘Taliban heroveren Tarin Kowt, zes jaar na vertrek Nederlanders‘ (RTL Nieuws, 8 september 2016)

Ook tijdens een gesprek bij Pauw en Witteman op 13 december 2016 naar aanleiding van de tweedelige documentaire van Sinan Can en Thomas Blom over Uruzgan ging het over de Taliban. Zie het fragment (7.47) waar Blom zegt dat ze nog een laatste kans hadden om in Uruzgan een documentaire te maken, want ‘de Taliban was in opmars’.

 

Martijn Kitzen heeft zich ‘altijd verbaasd en geërgerd’ over die versimpeling van de feiten. Onlangs verscheen van zijn hand Oorlog onder de mensen, waarvoor hij onder meer onderzoek deed naar de missie in Uruzgan. In 2008 diende Kitzen als inlichtingenofficier in Uruzgan en dus kon hij bij het schrijven van zijn proefschrift, waar dit boek de handelseditie van is, voortbouwen op de kennis die hij in het veld had opgedaan. Kitzen: ‘Er is helemaal geen sprake van goede Afghanen aan de ene kant en de Taliban aan de andere. In Uruzgan speelde in werkelijkheid een conflict tussen stamoudsten dat al jaren gaande was. De Taliban speelden in op die strijd tussen lokale leiders.’

Heeft u een voorbeeld?
‘In 2010 was er een zelfmoordaanslag in het plaatsje Deh Rawod, er werd gezegd dat dat door de Taliban werd gepleegd. In werkelijkheid was er een lokale leider die het op een akkoordje had gegooid met de Taliban, die een zelfmoordenaar op zijn rivaal afstuurde.’

Waren er wel Taliban in Urzugan?
‘Jawel, maar het is een beweging waar je je bij aan sloot voor kortere of langere tijd – als het uitkwam. Het overgrote deel van de strijders waren lokale Taliban. Die konden zich voor het zelfde geld aansluiten bij de overheid, als ze wisten dat daar hun belangen beter gewaarborgd zouden worden.’

En dat waren dus geen ideologische hardliners, aanhangers van Al Qaeda?
‘Nee, voor het overgrote deel van de strijders zeker niet. Af en toe hadden we te maken met buitenlanders, Tsjetsjenen bijvoorbeeld. Ook Bosnisch hoorden we weleens, over de radio. Maar het gros van de Taliban bestond uit lokale mensen die zich afzetten tegen de almachtige Popalzai-stam.’

Die Popalzai-stam was na de val van de Taliban aan de macht gekomen. De latere president Hamid Karzai is een Popalzai, zijn goede vriend Jan Mohammed (een wreed man, warlord en drugshandelaar) werd gouverneur van Uruzgan. Hij hield enorm huis onder de andere stammen, die niets in te brengen hadden. Toen de Nederlanders in 2006 kwamen, eisten ze het aftreden van Jan Mohammed.In Uruzgan kon je geen oplossing bereiken zonder die twee er ook bij te betrekken.Een goede zet, zou je denken. Maar zo eenvoudig lag het niet. Jan Mohammed werd door Karzai naar Kaboel gehaald en daar tot presidentieel adviseur voor tribale zaken benoemt, hij had dus een enorme invloed. Zijn neef Matiullah Khan, die een privé-legertje onder zich had dat de weg tussen Tarin Kowt en Kandahar beheerste, bleef oppermachtig. Beide mannen hadden – opvallend genoeg – het vertrouwen van de Amerikaanse en de Australische troepen, wat de positie van de Nederlanders verder bemoeilijkte.

Kitzen: ‘Jan Mohammed bleef de facto een van de machtigste mannen in de provincie. We drukten hem uit het formele circuit, het informele circuit in. Misschien was het beter geweest wél, formeel, met hem en Matiullah te blijven praten. Dan had je invloed op hem kunnen uitoefenen en had je een ook een plek aan de tafel bij de Amerikanen en Australiërs. In Uruzgan kon je geen oplossing bereiken zonder die twee er ook bij te betrekken.’

De Nederlandse aanwezigheid in Uruzgan werd aan de Nederlandse kiezers verkocht als een ‘wederopbouw’-missie. Maar, zo constateert Kitzen, het draait al snel uit op een klassieke counterinsurgency: een strijd tegen een vijand die zich onder de bevolking bevind en daar ook in opgaat. In de aanloop naar de missie viel het woord counterinsurgency niet één keer, dat had slechte connotaties, riep herinneringen op aan de door de Amerikanen verloren oorlog in Vietnam. En dus waren de troepen niet goed voorbereid: ze wisten nauwelijks wie ze tegenover zich hadden.

Wat niet hielp, schrijft Kitzen in zijn boek, is dat de Amerikaanse commandant die in Uruzgan zit als de Nederlanders arriveerden nogal ‘kinetisch’ was. Hij zag de wereld in zwart en wit: of je was een bondgenoot of je was Taliban. Jan Mohammed was zijn grote man, daar kon hij op bouwen.

Kitzen: ‘Dat was pech hebben, de Amerikaanse groep die in 2005 in Uruzgan zat begreep veel beter hoe de lokale verhoudingen in elkaar zaten. Daarnaast werkten Defensie en Buitenlandse Zaken in die eerste fase niet goed samen. Daardoor hadden de militairen in eerste instantie geen toegang vitale informatie over de lokale bevolking, en moesten ze roeien met de riemen die ze hadden.’

‘Niet onder controle’

Groot keerpunt in de missie was volgens Kitzen de slag bij Chora in juni 2007. Honderden Talibanstrijders vielen gelijktijdig drie wachtposten aan in de Choravallei. In zijn boek analyseert Kitzen nauwkeurig wat er destijds gebeurde. Volgens hem is de aanval het gevolg van politieke intriges van oud-gouverneur Jan Mohammed. Hij zou een vertrouweling van hem, districtschef Haji Obaidullah, opdracht hebben gegeven een deal te sluiten met de Taliban. Dat had hij eerder ook al gedaan, in 2006: om aan te tonen dat gouverneur Munib (onder druk van de Nederlanders benoemd tot de opvolger van Jan Mohammed) de zaak in de provincie niet onder controle had.

In 2007 herhaalde hij zijn trucje om te laten zien dat hij nog steeds veel invloed had en om er voor te zorgen dat de Nederlanders – die ongetwijfeld in het nauw zouden worden gedreven, zo moet de oud-gouverneur hebben gedacht – de hulp in zouden roepen van zijn neef Matiullah Khan. Khan zou dan eindelijk politiechef van de provincie kunnen worden.

Maar de Nederlanders waren gewaarschuwd door lokale stammen die op voet van oorlog met Jan Mohammed leefden. Ze gingen een verbond aan met een lokale stamoudste, Rozi Khan. Hij bracht aanvankelijk slechts 25 strijders mee, maar ging praten met andere leiders in de buurt. ‘Terwijl de gevechten doorgingen,’ zo schrijft Kitzen, ‘zagen de Nederlanders Rozi Khan de hele dag koortsachtig op en neer rijden tussen de verschillende dorpen. Het resultaat van dit staaltje tribale diplomatie onder vuur werd de volgende dag duidelijk.’

Die dag kwamen honderdvijftig tot tweehonderd strijders bij de Nederlanders. Kapitein Larry Hamers – die de leiding had in Chora – dwong districtschef Obaidullah (de vertrouweling van Jan Mohammed) om de mannen de beschikking te geven tot de munitievoorraad. De strijders kregen stukje rood-wit afzetlint om hun arm om ze herkenbaar te maken als bevriende troepen.

Uiteindelijk, na drie dagen vechten en inzet van F-16’s, Apache helikopters en ook de grote pantserhouwitzer, wordt de aanval afgeslagen. Onder de vele doden waren twee Talibancommandanten, de overgebleven strijders sloegen op de vlucht. De slag was een groot succes, maar er was ook een keerzijde. Bij de bombardementen op huizen waarin de Taliban zich had schuilgehouden, kwamen tussen de vijftig en tachtig burgers om.

Geen waarschuwing?

In de tweedelige documentaire Onze Missie in Afghanistan laten Sinan Can en Thomas Blom overleven bij de slag van Chora aan het woord. Ze beklagen zich over het Nederlandse optreden, verweten ze dat niemand van te voren was gewaarschuwd.

Kitzen: ‘Ik weet dat de militairen de bevolking wel degelijk hebben gewaarschuwd, maar ik weet niet of dat tot iedereen is doorgedrongen. Het was een chaos op dat moment dat de slag losbarstte. Het blijft oorlog, dan gebeuren nare dingen.’

Maar was het nou verstandig om de pantserhouwitzer, een enorm kanon waarmee vanaf Kamp Holland granaten werden afgevuurd te gebruiken?
‘Laat ik het zo zeggen: in de chaos van de strijd hebben de Nederlanders alle middelen gebruikt die ze ter beschikking hadden. Als je geconcentreerde groepen van de vijand tegenover je hebt, is het een effectief wapen. Men dacht dat de Taliban zich in huizen verschool en dat daar geen burgers meer waren. Daar is wel van geleerd. Ik denk niet dat ze de pantserhouwitzer nog een keer in deze omstandigheden inzetten.’

Ik denk dat we in de toekomst vaker van dit soort missies zullen gaan doen. Kijk naar Libië, kijk naar Syrië.

In je boek schrijf je dat schadevergoedingen zijn betaald en dat de mensen van de Achakzai-stam genoegen namen met de compensatie.
‘De Achakzai en de Barakzai waren de winnaars van de veldslag. In de documentaire beklaagt stamoudste Abdul Khaleq zich over zijn behandeling. Ik weet dat hij na afloop van de slag volledig is gecompenseerd. Hij groeide in de jaren die volgden uit tot een belangrijke bondgenoot van de Nederlanders, hij vormde een tegenwicht voor de Popalzai van Jan Mohammed. En zijn stam is er ook echt beter van geworden, er zijn in gebied veel projecten gestart en gebouwen neergezet. Nu loopt hij te klagen op televisie. Dat begrijp ik wel, want nadat de regering Balkenende IV besloot de stekker er uit trekken, brokkelde ons gezag daar meteen af. Eind 2010 werd Jan Mohammed als een held binnen gehaald in Uruzgan en was alles weer bij het oude.’

Van de Nederlandse pogingen om de balans in het stammenevenwicht te herstellen is dus niets meer over?
‘Nee, die pogingen zijn niet duurzaam gebleken.’

Wat is de erfenis van de Nederlanders in Uruzgan?
‘We waren volgens mij goed bezig, we slaagden er in om de radicale Taliban terug te dringen, we kregen stammen aan de kant van de overheid. Maar we hadden langer moeten blijven om echt blijvend resultaten te kunnen boeken.’

In Nederland is in 2011 een evaluatie geweest, daarna is er nooit meer echt doorgepraat over de missie in Uruzgan door politici. Gemiste kans?
‘In Uruzgan hebben we ervaring opgedaan met een counterinsurgency-operatie. Dat is heel wat anders dan met het ene leger vechten tegen het andere. Ik denk dat we in de toekomst vaker van dit soort missies zullen gaan doen. Kijk naar Libië, kijk naar Syrië.

De tragiek van counterinsurgency is dat je door de geschiedenis heen iedere keer weer ziet dat politici en krijgsmachten dezelfde conclusie trekken: het is duur, kost mensenlevens en levert weinig op. Die houding leidt ertoe dat het wiel telkens opnieuw moet worden uitgevonden. Ik vind dat onverstandig en het is echt tijd om dit patroon te doorbreken. Over een paar jaar sta je weer voor de beslissing en dan is de kennis ver weg gezakt. Dan begin je net als in Uruzgan weer met een achterstand en loop je tegen dezelfde problemen aan.’

Sluit je nu aan voor slechts €4,99 per maand

Sorry, je hebt op het moment geen toegang tot dit artikel.

Waarschijnlijk heb je een abonnement zonder digitale toegang. Wil je deze content graag lezen, sluit dan snel een abonnement af.

Heb je wél een abonnement met digitale toegang, neem dan contact op met onze klantenservice: 020 – 5518701.

vn.nl is vernieuwd!

Vanaf 15 december bieden wij onze leden exclusieve online artikelen. Om te lezen, te delen en op te reageren.

  • Dagelijks de beste artikelen
  • Bovenop het nieuws
  • Kritisch en optimistisch
  • Bijdragen direct in je mailbox
  • Maandblad online lezen

Voor huidige abonnees:

Heeft u in het verleden een online account aangemaakt, dan moet u door alle veranderingen een nieuw wachtwoord aanmaken.
Meteen een nieuw wachtwoord aanmaken

Wel abonnee maar nog geen account?
Registreer je dan om direct te lezen