In haar filosofische autobiografie Roaring Nineties beschrijft Jannah Loontjens hoe filosofen als Jean Baudrillard, Martin Heidegger en Jacques Derrida haar leven en denken veranderden. Hoe vruchtbaar was dat?
Het zo in zwang zijnde denken in decennia (de jaren vijftig, zestig, zeventig) is misschien onvermijdelijk om een enige structuur aan de geschiedenis te geven, maar het is ook een procustesbed waar je niet al te lang in moet vertoeven. Je zult maar moeten samenvallen met de jaren vijftig of tachtig en alle kenmerken van zo’n decennium opgeplakt krijgen terwijl je daar nauwelijks deel aan hebt gehad. De individuele ervaring wordt volledig onder het bed geschoffeld. Jannah Loontjens (1974) identificeert zich in haar boek Roaring Nineties of hoe de filosofie mijn leven heeft veranderd met de jaren negentig waarin ze volwassen werd: ‘mijn generatie, die de nix-generatie opvolgde, vierde de vrijheid van de nieuwe mogelijkheden; een generatie van onbezorgde optimisten.’ Die generatie ‘was op weg naar een postraciale, vrije wereld, was onze naïeve, opgewekte veronderstelling’.

Die veronderstelling is niet uitgekomen, maar veel verandering heeft dat niet in haar denken teweeg gebracht. Van de Franse filosoof Jacques Derrida leerde ze dat afscheid geen afscheid is, maar ‘ook een openheid die een mogelijk wederzien in het verschiet stelt.’ Waarom heet het dan ‘afscheid’? Roaring Nineties zit vol van dit poststructureel, postmodern of deconstructivistisch gegoochel, terwijl het tegelijk een aardige geschreven autobiografie is over haar alternatieve jeugd in de Zweedse bossen, in al dan niet krakkemikkige kraakpanden in Den Haag en Amsterdam, over een studiejaar in New York en bijbaantjes tijdens haar studie filosofie als gogodanseres in hippe nachtclubs als RoXY en Supperclub. Maar de vriendelijke stijl waarin dit beschreven wordt past niet erg bij de filosofen door wie Loontjens zich laat leiden: Jean Baudrillard, Martin Heidegger, Jacques Derrida en Judith Butler. Die wilden alles vloeiend maken: de tegenstellingen, de categorieën, de genres, de identiteiten en de seksen (geen m/v meer in het paspoort). Ze vergaten dat er tegenstellingen moeten zijn om ze te kunnen doorbreken. Er moet iets gewoon zijn om ongewoon te kunnen zijn. Tegenstellingen kunnen juist heel vruchtbaar zijn. Verschillen ook. Maar Loontjens sluit zich aan bij Derrida die zich een wereld zonder verschillen voor zich zag. Hij vroeg zich af of we niet naar een ‘ideaal wij’ zouden moeten streven ‘dat in potentie altijd de ander verwelkomt en niemand buitensluit; een wij dat openstaat voor ieder nieuw individu, een ‘wij’ dat werkelijk iedereen zou kunnen omvatten en representeren? Een dergelijk ‘wij’ dient de politicus voor ogen te hebben in een streven naar samenhorigheid, zo meende Derrida.’
Loontjens verzucht een keer dat het moeilijk te zeggen was ‘waar Derrida nu werkelijk voor stond.’ Dat ‘wij’ is geheel aan de werkelijkheid ontstegen. Wat als mensen besluiten om dat ‘welkom’ van Derrida serieus te nemen en bij hem aanbelt om voor onbepaalde tijd gebruik te maken van zijn huis? Loontjens trekt uit de vaagheden van Derrida geen consequenties. Ook 9/11 verandert haar denken niet, de gebeurtenis die een ruw einde maakte aan het radicale relativisme van het postmodernisme. Nog steeds denkt ze dat taal ‘altijd anders uitgelegd kan worden’ terwijl dat niet altijd het geval is, en niet altijd zou moeten kunnen.

Loontjens schreef een scriptie over Heidegger omdat ze was gegrepen door vragen als ‘waarom is er iets en niet veeleer niets?’ en ‘wat betekent het om er te zijn? Ook voelde ze zich thuis bij begrippen als ‘zijnsverlegenheid’, ‘Sein und Dasein’, ‘het huis van Zijn’, en een vraag als ‘hoe kunnen we het ‘niets’ denken?’ De enige echte verandering die zich in Loontjens denken in Roaring Nineties voordoet is dat ze Heidegger twintig jaar later niet meer gewoon kan lezen. Dat komt door de publicatie in 2014 van de Schwarze Hefte, Heideggers dagboeken, waaruit, (ten overvloede, want dat was al lang bekend) zijn heftige antisemitisme blijkt. Ze denkt nu dat Heidegger aan grootheidswaan heeft geleden, dat hij zichzelf opsloot in zijn eigen denken, ‘zonder het aan de actuele wereld te toetsen.’ Loontjens spaart Heidegger wanneer ze tamelijk omfloertst zegt dat Heidegger zich daarmee ‘blind staarde op zijn onrealistische idealen.’ Het lukt haar in ieder geval ‘niet meer om zijn werk los te koppelen van dit morele vraagstuk.’
Ook al kijkt Loontjens nu op de jaren negentig terug als een tijd van ‘onschuld’ omdat alles nu ‘zoveel ingewikkelder lijkt te zijn geworden’, het verandert niets aan haar vloeibare identiteit. Zelfs haar vroegere zelf ligt bij gebrek aan ijkpunten niet enigszins vast: die gaat ze ‘telkens op een andere manier’ begrijpen en verklaren.

Het ‘spelen met verschillende identiteiten’ dat Loontjens graag doet kan misschien een behoefte aan luchtige theatraliteit bevredigen, maar is het zo vruchtbaar wanneer het er toe leidt dat je niet meer weet wat je wil? Loontjens gaat er voor het gemak vanuit dat we ‘geen leidende principes meer hebben.’ Dan kunnen we alle kanten op: ‘We zijn vrij om onze wil te volgen, maar wat willen we eigenlijk? En hoe weten we wat onze wil precies is?’ Dit leidt tot dolgedraaide filosofie. Loontjens durft daarna ook nog de twijfelende Hamlet in stelling te brengen (‘Wij zijn Hamlet’), alsof Hamlets twijfel jaren negentig-luxueus was en voor hem niet ‘zijn of niet niet zijn’ betekende. We hebben met Hamlet te maken met een andere categorie. Maar aan categorieën doen Derrida en Loontjens niet meer.
Roaring Nineties van Jannah Loontjens is uitgegeven door Ambo Anthos.
Bestel het hier.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.