Beschouwing / Montesquieus moderne nuance
Toen Montesquieu al ruim in de veertig was, in het midden van de jaren dertig van de achttiende eeuw, wees weinig erop dat hij de schrijver zou worden van De l’esprit des lois, het boek dat het denken over politiek zo grondig zou beïnvloeden dat elke democratie in het Westen er de (weldadige) sporen van zou gaan dragen. Hij was op dat moment de schrijver van Lettres persanes (1721), de briljante satire op Franse en oosterse zeden en gewoonten, van de pikante novelle Le temple de Gnide, en van een boek over de achtergronden van de opkomst en het verval van het Romeinse rijk.
Montesquieu had nog de reputatie van een adellijke losbol, ‘a rakish courtier’ zoals zijn biograaf Robert Shackleton het noemt. Terwijl zijn vrouw op zijn kinderen, wijnvelden en het kasteel La Brède in de buurt van Bordeaux lette, frequenteerde hij de Parijse salons waar hij zich als een gematigde verlichte geest geliefd maakte, behalve bij Voltaire. Hij zegt zelf dat hij zijn hele leven heeft geleden onder ‘de gesel’ van zijn verlegenheid, maar dat verhinderde niet dat hij bevriend raakte en correspondeerde met een heel legertje over Europa verspreide graven en gravinnen, ministers, bisschoppen, prinsen en lady’s. Daar maakte hij kennis mee op zijn reizen door Duitsland, Italië, Hongarije en Engeland in de jaren 1728-1931.
Montesquieu had weliswaar een goede juridische opleiding genoten en al respectabele functies uitgeoefend (zoals het presidentschap van het parlement van Bordeaux), en als lid van de Académie van Bordeaux voordrachten gehouden over onderwerpen als de zwaartekracht, de smaak en de herkomst van de echo, maar dat presidentschap verkocht hij na twaalf jaar in 1725. Hij wilde ergens ambassadeur worden. Dat lukte niet.
Vanaf die tijd bleef hij schipperen tussen de provincie en de grote stad, zoals hij in andere opzichten later niet altijd wist te kiezen. Het lidmaatschap van de Académie van Bordeaux zag hij graag aangevuld met het hoogste, het Parijse lidmaatschap van de Académie Française. Om de concurrentie te verslaan, riep hij de hulp in van de erudiete salonnière Madame de Lambert en habitués van haar huis. In 1728 werd Montesquieu gekozen.
Montesquieu is een exemplarisch voorbeeld van een aristocraat die zijn verstand ging gebruiken. Hij begaf zich buiten zijn stand en ontwikkelde ideeën die het algemeen belang dienden, al zag hij die van de adel niet helemaal over het hoofd. Hij schudde veel van zijn adellijke veren af; de ontvangsten op zijn kasteel werden als ‘sober’ aangemerkt en ‘soberheid’ speelt een prominente rol in De l’esprit des lois. Overdaad, in welke vorm ook, stond hem tegen. Hij bleef wel meneer de baron, maar hij werd (naast wijnboer en lettré) vooral een verrassend ruimdenkend geleerde, pendelend tussen Bordeaux en Parijs.
De basis voor de denker, schrijver en de verfijnde geleerde die de werkelijkheid als een socioloog wilde leren kennen, moet door zijn moeder zijn gelegd. Er klopte een bedelaar aan de poort van het kasteel toen ze bezig was van Montesquieu te bevallen. Zijn moeder zei dat ze de bedelaar bezig moesten houden tot het kind geboren was. Ze wilde dat hij peetoom zou worden. Dat gebeurde. Zijn leven lang heeft Montesquieu groot respect gehouden voor eenvoudige mensen, precies wat de bedoeling was. Hij was hiermee in goed gezelschap, want de ouders van zijn streekgenoot (en in veel opzichten verwante geest) Montaigne zorgden ook dat zijn doop plaatshad in aanwezigheid van paupers – ook hier opdat hij in later jaren aan hen zou blijven denken. En net als Montaigne werd Montesquieu de eerste drie jaar niet opgevoed door zijn ouders op het kasteel, maar in het gezin van de naburige molenaar. Baron de Montesquieu sprak daarna zijn hele leven met het accent dat hij daar leerde. En hij bleef op goede voet met de zoon van de molenaar, zijn ‘melkbroer’.
Ook al was er veel aan te merken op zijn boek over het Romeinse Rijk (Considérations sur les causes de la grandeur des Romains et de leur décadence, 1734), toch was het een van de eerste boeken waarin de geschiedenis echt serieus werd genomen: het boek was niet geschreven vanuit het perspectief van een politiek-religieus belang, zoals gebruikelijk sinds Bossuets Discours sur l’histoire universelle (1681). Dat was verkapte kerkgeschiedenis. Bij Montesquieu ging het christendom ineens een ondergeschikte rol in de Romeinse geschiedenis spelen.
Montesquieu bedreef hiermee een rudimentaire vorm van objectieve wetenschap: zo onbevooroordeeld mogelijk gegevens verzamelen en onderzoeken.
Voor zijn volgende grote werk nam hij ook studieus de tijd: na een kleine vijfentwintig jaar denken, lezen, gegevens verzamelen en structureren van het materiaal publiceerde hij in 1748 het bijna negenhonderd pagina’s tellende De l’esprit des lois, dat nu als Over de geest van de wetten door Jeanne Holierhoek vakkundig in het Nederlands is vertaald.
Met dit tamelijk onsystematische meesterwerk bracht Montesquieu een ingrijpende wending teweeg in het denken over de werkelijkheid: hij ging er niet meer van uit dat de wereld was geordend door een goddelijke hand, maar dat de werkelijkheid het werk was van mensen, traditie, religie, geografische, sociale en politieke omstandigheden. Het was voor hem helemaal niet meer vanzelfsprekend dat koningen regeerden op basis van ‘Gods wet’, en dat de ‘Voorzienigheid’ het voor het zeggen had. Montesquieu ging uit van ‘de aard der dingen’ en nam de werkelijkheid zoals die zich voordeed. Hij beschreef vooral en oordeelde aan de hand van een klein aantal praktische vooronderstellingen.
Een zo’n vooronderstelling had een Shakespeareaanse allure en reikwijdte: dat macht altijd corrumpeert, en daarom altijd ingetoomd en verdeeld moet worden. Om die verdeling van macht te bereiken, bedacht hij de scheiding der machten: de wetgevende, bestuurlijke en rechterlijke macht. Aldus controleerde de macht de macht.
Dat macht altijd corrumpeerde, ging lijnrecht tegen Thomas Hobbes in, zijn zeventiende-eeuwse voorganger in het ontwikkelen van politieke ideeën, bij wie juist alles om macht draaide, en wel liefst zo puur mogelijk in één absolutistische hand. Voor Hobbes was de eerste natuurwet die van de oorlog. Montesquieu zag ook wel dat er veel oorlog werd gevoerd, maar dat was volgens hem meestal het werk van heethoofden die te weinig werden tegengesproken.
In Over de geest der wetten duikt nog een ander eenvoudig maar verreikend inzicht op: dat mensen in principe vrij en onafhankelijk geboren worden. Niet alleen de in die tijd nog heel gebruikelijke slavernij kwam daarmee in een negatief daglicht te staan, ook elke andere vorm van vernederende dienstbaarheid. Macht die niet door noodzaak, verdienste of talent werd uitgeoefend, stond Montesquieu tegen. Macht mocht van Montesquieu niet onversneden bestaan, moest altijd ingeperkt worden. Na het verschijnen van De l’esprit des lois ontspon zich hierover een jarenlange discussie van Parijs tot Petersburg, maar de echo van Montesquieus invloed was overal te horen, zoals in het lemma ‘Autorité politique’ dat Diderot zelf schreef in zijn Encyclopédie: ‘Niemand ontving van de natuur het recht anderen te commanderen. Vrijheid is een geschenk van de hemel.’
Voor een politiek denker is het altijd lastig om op het juiste moment aan het belang van het individu te denken; politiek denkt veelal via het algemeen belang aan het individu. Montesquieu daarentegen vergat regelmatig het algemeen belang en dacht dan rechtstreeks aan het individu. Hij redeneerde eigenlijk altijd vanuit het kleine naar het grote, vandaar dat hem weleens particularisme werd verweten: denken vanuit individuele gevallen. Op dezelfde manier liepen zijn meningen via het hart (‘Ce n’est pas l’esprit qui fait les opinions, c’est le coeur’). Volgens Montesquieu zou de wetgevende macht eigenlijk helemaal bij het volk moeten berusten. Alleen om praktische redenen was dat niet mogelijk, vandaar dat het volk zich moest laten vertegenwoordigen. Een van de twee keer dat Machiavelli in Over de geest van de wetten ter sprake komt, kapittelt hij hem omdat bij Machiavelli gevallen voorkomen waarin hij het individuele belang geweld aandoet ten gunste van het staatsbelang. Dat mocht van Montesquieu kennelijk niet. Hij verbaasde zich er ook over dat Machiavelli (die hij wel ‘een groot man’ noemde) ‘een diepe verering’ koesterde voor de wrede César Borgia.
Montesquieu was misschien wel een groter realist dan de algemeen als realist bekendstaande Thomas Hobbes, de man voor wie de mens een wolf was die je niet moest vertrouwen. Bij Hobbes moest de mens onder de duim gehouden worden door een absoluut heerser. Montesquieu had ook niet zoveel vertrouwen in de mens, maar hij zag veel in hun praktische belang om samen te werken voor het bewaren van de vrede. Zijn vertrouwen gold zelfs niet zijn eigen stand: de adel mocht van hem in Venetië geen handel drijven omdat ze met gebruikmaking van hun status meteen een monopolie zou opzetten.
Door zijn nadruk op de belangen van het individu en zijn vrijheid werd Montesquieu na Erasmus, Pico della Mirandola en Montaigne de volgende schakel in de ontwikkeling van het humanisme en liberalisme. Hij dacht in mensen, niet in godsdiensten. Religie of godsdienst bezag hij vooral van de al of niet nuttige kant: als een middel ter verzachting van de zeden. De door calvinisten en moslims aangehangen predestinatieleer beschouwde hij als een ergerlijke doctrine die de mensen van hun eigen leven beroofde en de luiheid bevorderde omdat alles toch al door God bedisseld zou zijn.
Montesquieus ‘Over de geest van de wetten’ gaat uit van de mensen en hun omgeving, niet van een abstract idee. Het was een onderzoek naar wat mensen en hun wetten bepaalt, hun ‘determinismen’: van hun plaats in de samenleving, de algemene geest van een land, tot het klimaat en de omgeving waar ze vandaan komen. Daar moesten de wetten op aansluiten. Dat leverde ‘een pluraliteit van determinismen’ op. Maar Montesquieu wilde geen determinist genoemd worden, want ‘de mens, dat buigzame wezen’, kan alles wat gegeven is veranderen naar zijn inzicht. Hoeveel ons ook bepaalt, het berooft ons niet van de vrijheid van handelen. Uiteindelijk gaat het om het creëren van kaders (wetten) voor het realiseren van de menselijke drijfveren en mogelijkheden.
Over de geest van de wetten is bedrieglijk eenvoudig geschreven. Kennelijk was het geen bezwaar dat Montesquieu het meeste moest dicteren omdat zijn ogen zo slecht werden. Hij schreef in gewone taal over ingewikkelde materie. Hij maakte het ook (op een vruchtbare manier) ingewikkeld. Dat komt omdat hij ideeën en waarden tot hun recht wilde laten komen die niet altijd even makkelijk samengingen, soms zelfs lijnrecht tegenover elkaar stonden. Zijn duidelijke affiniteit met vooruitgang en verlichting (die vaak een breuk met het verleden betekenden), staat op gespannen voet met zijn erkenning dat traditie, zeden en gewoonten, klimaat en geografie de algemene geest van een land sterk beïnvloeden. Een reeks ‘tot gewoonten gestolde irrationaliteiten’ zouden bepalend zijn voor de geest van een land. Dat waren ‘de natuurwetten’ van de samenleving, de maatschappelijke wetmatigheden. Zoals Newton de natuurwetten ontdekte, zo probeerde Montesquieu de maatschappelijke wetmatigheden op het spoor te komen. Waarmee hij (dus enigszins paradoxaal) allerminst wilde zeggen dat die traditie en wetmatigheden niet doorbroken zouden kunnen worden. Deze manier van denken leverde de eerste patronen van een ‘samenleving’ op, en dat was iets anders dan een ‘staat’. Een samenleving was iets van mensen onderling, niet iets van God gegeven. Bij Montesquieu ontstond de sociologie.
Eenduidig is Montesquieu ook niet altijd: op de ene pagina is ‘moraal’ iets dat los kan staan van geloof omdat die betrekking heeft op mensen, en niet alleen op gelovigen, op een andere pagina komt de moraal uit geloof voort. Hij verschilde van mening met Pierre Bayle die vond dat je beter géén geloof kon aanhangen dan een bijgeloof. Montesquieu, de pragmaticus, vroeg zich af wat het minste kwaad was: een godsdienst die weleens werd misbruikt, of helemaal geen? Ook was het voor hem belangrijker dat een godsdienst de zeden verzachtte, dan dat ze waar was. Montesquieu hechtte ook niet zo aan ‘volmaaktheid’, dat was hem veel te extreem en te fanatiek, voor hem was ‘het goede’ goed genoeg.
Bij zijn onderzoek naar de natuurwetten van een samenleving stuitte hij op de diversiteit van culturen. Hij vertelt lustig over de andere zeden en gewoonten in China, Turkije of Perzië en geeft saillante voorbeelden. De meeste zeden en gewoonten verklaarde hij uit de specifieke fysieke omstandigheden van die landen. De westerse cultuur werd daardoor vanzelf niet meer de enige waar alles om draaide. Montesquieu respecteerde al die culturen als een cultureel antropoloog, behalve wanneer er van despotie sprake was. In Perzië en Turkije werden de bevolkingen ‘te gronde gericht’, schrijft hij, omdat de islam (‘die over niets anders spreekt dan over het zwaard’) daar de dienst uitmaakte: ‘De islam dringt de mensen nog steeds dezelfde destructieve geest op als waarin hij is gesticht.’ Montesquieu was eerder een cultuurpluralist dan een cultuurrelativist. Een cultuurpluralist weet dat culturen kunnen botsen, ze bestaan naast elkaar. Een cultuurrelativist doet bij voorbaat water in de wijn. Een cultuurpluralist beschouwt het verschil en de spanning tussen culturen (als die tenminste niet tot gewelddadigheid leidt) als onvermijdelijk en vruchtbaar vanwege de eventuele kruisbestuiving.
De consequentie van deze met veel rekening houdende manier van denken (‘sa pensée complexe’) is dat de maatschappij waar Montesquieu min of meer de contouren van schetst (hij was allesbehalve een systeemdenker) heel relatief maakbaar is. De maakbaarheid van een samenleving moet veroverd worden op zijn onmaakbaarheid. Een samenleving laat zich niet zomaar ‘maken’ aan de hand van een blauwdruk of utopie, daar verzet de aard van de dingen zich vaak tegen. De ‘aard der dingen’ bestaat voor Montesquieu, maar niet als iets dat niet te veranderen zou zijn als het moet.
Montesquieu was de prins van de gematigdheid en het midden. Vandaar dat hij in Enlightenment Contested van Jonathan Israel als een uitgesproken tegenvoeter van de radicale verlichters Pierre Bayle en Spinoza wordt behandeld, ook al geeft Israel toe dat Over de geest van de wetten ‘een meesterwerk’ is. Montesquieus denken lijkt erop ingesteld om van alles de scherpe kanten af te halen. In zijn analyses van de verschillende staatsvormen (republiek, monarchie en despotie) geeft hij de voorkeur aan het Engelse model van de monarchie. Een belangrijk onderdeel van die structuur is dat de adel (in het Hogerhuis) een bemiddelende en remmende werking heeft op de macht van de koning. Montesquieu was voor gelijkheid, maar men moest er rekening mee houden dat uit gelijkheid vanzelf verschil voortkomt: wanneer iemand voortreffelijker diensten vervulde of zijn talenten beter gebruikte. Kennis was niet alleen een bron van genoegen, maar maakte mensen ook mild. Het gebruik van de rede voerde tot menselijkheid, maar een tot het uiterste doorgevoerde rede was onwenselijk. Mensen voelen zich volgens Montesquieu altijd beter thuis in het midden dan aan de rand. En te allen tijde dienen de wetten de arrogantie van de macht terug te dringen. De ultieme illustratie van Montesquieus manier van denken richting het midden is de uitspraak dat een democratie kan worden gefrustreerd door de geest van ongelijkheid, maar ook door de geest van extreme gelijkheid.
Van de bijna negenhonderd pagina’s van De geest van de wetten zijn er heel wat die een uitgesproken historisch karakter hebben gekregen omdat ze in de verste verte niet meer op onze werkelijkheid slaan. Zoals de vele pagina’s die hij wijdt aan de invloed van het klimaat op de wetten. Maar daar staat tegenover dat de algemene geest van het boek allerminst verouderd is. Uit die geest is via allerlei kronkelwegen de westerse parlementaire democratie voortgekomen, waarin de verschillende machten elkaar in evenwicht houden, in ‘een dynamische balans’. Montesquieu was geen radicaal, geen ideologische hoogvlieger, geen utopist, geen systeemdenker; hij was de man van de nuance, van de tegenstrijdige drijfveren
(provincie-stad, vooruitgang-traditie), van de werkelijkheid als een ingewikkeld proces van invloeden, wensen en hindernissen. Dat speelt zich af in het dynamische gematigde midden de ruggegraat van de democratie. Exit Hobbes dus.
‘Over de geest van de wetten’ door Montesquieu, vertaling en nawoord Jeanne Holierhoek, Boom, 888 pagina’s, € 64,50
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.