Over het denken, over het gebruik van het verstand, over de rede: daar zijn genoeg boeken over geschreven. Maar niet over de ongelukkige kinderen van het denken: het piekeren, je zorgen maken, tobben en twijfelen.
Toen Immanuel Kant in zijn beroemde artikel over de vraag ‘Wat is Verlichting?’ opriep je ‘van je eigen verstand te bedienen’ had dat nogal wat consequenties. Het betekende dat men niet meer kon steunen op de regels en dogma’s van de kerk of van andere autoriteiten. Nu moest men het zelf doen, met behulp van de rede. Daarmee werd de menselijke autonomie geboren: van geloof naar rede.
Francis O’Gorman is in zijn boek Worrying: A Literary and Cultural History de laatste om deze verzelfstandiging van de mens te betreuren. Maar met het gebruik van het eigen verstand en de rede ontstond ook het zorgelijke denken omdat lang niet alles met het verstand en de rede is op te lossen: ‘Worry is het ongelukkige kind van de wending van God naar de mens.’
Zich zorgen maken, piekeren, tobben, besluiteloos zijn wordt meestal gerekend tot het soort problemen dat kan worden opgelost met een zelfhulp-boek, liefst van Amerikaanse snit. Daar wil O’Gorman verre van blijven. Voor hem is piekeren en je zorgen maken een niet te verwaarlozen aspect van het denken. Het behoort tot het weefsel van het leven. Daar kunnen gradaties in bestaan, maar op voorhand is worrying geen ziekte van de geest, maar een vorm van denken, hoe vervelend, dwangmatig, beschamend en weinig mannelijk ook. Worrying (er bestaat geen passende Nederlandse vertaling van, het is iets tussen piekeren en denken in) is een onderdeel van het scepticisme. Het is een paradox: een trage alertheid.
Een worrier (een alerte tobber) heeft het niet op al te grote optimisten. Vandaar dat O’Gorman nogal kritisch is op de negentiende-eeuwse liberale filosoof John Stuart Mill. Die vond dat door het gebruik van de rede steeds meer onomstreden waarheden zouden ontstaan. Dat was de ‘bevrijdende waarheid’. O’Gorman denkt dat aan elke waarheid haken en ogen zitten en dat Mills ‘droom van de rede’ veel concurrentie te verduren heeft van twijfel, nuances, humeuren en wat hij ‘the fine shades of feeling’ noemt. Een worrier (een wakkere piekeraar) is behept of gezegend met het vermogen om veel (soms te veel) kanten van een zaak te zien. O’Gorman vergelijkt hem met een literair criticus die goed is in het zien van verschillende betekenissen en lagen in een gedicht of roman.
Het is ook in de literatuur dat je de interessantste worriers tegenkomt: Mrs Dalloway in de gelijknamige roman van Virginia Woolf en Leopold Bloom in James Joyce’s Ulysses. Het is niet toevallig dat dit allebei romans zijn waarin de ‘stream of consciousness’ wordt beoefend: daarmee komen alle nuances van het denk-en gevoelsleven te voorschijn. O’Gorman rekent ook het personage Portia in De koopman van Venetië tot de betere worriers. Door zich zorgen te maken over het lot van Antonio nu hij Shylock niet terug kan betalen, vindt ze een manier om hem te redden: Shylock mocht een stuk vlees van Antonio snijden als hij niet kon betalen. Vlees mocht hij hebben, maar geen bloed, bedenkt Portia. En vlees snijden zonder bloed dat gaat niet. Ook al komt hij moeilijk tot besluiten, de worrier is een onderzoekende geest die door zijn vasthoudende getob iets onverwachts tevoorschijn kan toveren, zoals Portia laat zien.
Denk niet dat O’Gorman het alleen over literatuur en filosofie heeft. Het gaat in Worrying ook over piekeren en je zorgen maken om trivialiteiten en grote of kleine existentiële angsten. Zoals het wakker liggen om een vervelend gesprek de volgende dag. Of bang zijn dat je iets vergeet: of het gas wel uit is, of je de deur wel goed op slot hebt gedaan. ‘To worry’ heeft vele gezichten, tot en met je zorgen maken over de opwarming van de aarde, en het steeds maar toenemende geweld in de wereld. Piekeren en je zorgen maken zijn geen verheven bezigheden, maar voor O’Gorman staan ze toch voor een zekere wakkerheid. Hij wil het descartiaanse ‘Ik denk, dus ik ben,’ veranderen in ‘I worry, therefore I am’.
Het bewonderenswaardige aan Worrying is dat O’Gorman niets afdoet aan de noodzaak om met heel je verstand te denken, maar tegelijk niets moet hebben van het valse optimisme dat je dan nooit meer wakker zou liggen. O’Gorman bestrijdt dat er altijd sprake zou zijn van ‘juiste beslissingen’. Meestal hebben ze een staart van mitsen en maren. Hij noemt zijn onderwerp zelf ‘fuzzy’, vaag, maar hij schreef er een even nuchter als fijnzinnig boek over.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.