‘Gezag’ en ‘autoriteit’ hebben zoveel aan betekenis ingeboet dat er weer naar verlangd wordt volgens Christien Brinkgreve. Paul Verhaeghe treedt in haar voetsporen, maar heeft nog meer op zijn lever.

De Vlaamse psycholoog Paul Verhaeghe is veel meer dan psycholoog. In zijn boeken Liefde in tijden van eenzaamheid en Identiteit is hij ook politiek filosoof, socioloog en psychoanalyticus. Hij houdt zich bezig met het verband tussen de individuele psyche en het collectieve welzijn in de ruimste zin. Een crisis in de opvoeding beschouwt hij als een symptoom van een maatschappij in crisis.

Verhaeghe mag graag overdrijven, een radicaal standpunt innemen en als een Popeye goedmoedige gespierde taal bezigen. Verhaeghe mag graag overdrijven, een radicaal standpunt innemen en als een Popeye goedmoedige gespierde taal bezigen. Onze volksvertegenwoordigers, schrijft hij, houden ‘tijdens hun regeerperiode weinig of geen rekening met wat het volk verlangt.’ Kennelijk weet Verhaeghe precies wat ‘het volk’ verlangt, alsof het volk één stem heeft en dat die verlangens ergens zwart op wit zijn vastgelegd. ‘Het volk’ is natuurlijk een veel de oceanisch begrip om te weten wat daarin omgaat.

In zijn nieuwe boek Autoriteit schetst Verhaeghe regelmatig een karikatuur van zijn tegenstanders, zodat zijn eigen alternatief meer reliëf krijgt. Zo zou er ‘tot voor kort’ in de ‘traditionele politiek’ geen plaats zijn geweest voor vrouwen. Wat is ‘tot voor kort’? De laatste tien jaar lijkt me lang en kort genoeg. Maar sinds de jaren veertig, en helemaal sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, hebben er steeds meer vrouwen een rol gespeeld in de politiek.

Die ‘traditionele politiek’ (ook al zo’n vaag begrip) noemt Verhaeghe ‘bij uitstek een haantjesmodel’. Ik neem zonder meer aan dat er veel ‘haantjes’ kraaien in de politiek, maar Verhaeghe is net iets te blij met zijn vergelijking en zet hem graag nog wat aan: in het haantjesmodel ‘verlangt elk haantje steeds meer macht en wil op een steeds hogere mestvaalt staan kraaien dan het andere haantje.’ Ai ai. Ook deze uitspraak van Verhaeghe is even Popeye-parmantig als populair demagogisch: ‘Bij elke verkiezing beloven alle politieke partijen verandering; na de verkiezingen doet elke regering hetzelfde als de vorige, alleen nog doortastender’.

Deze populaire-demagogische uitstapjes naar de politiek vertroebelen dat het in Autoriteit gaat om alle vormen van macht en autoriteit: in de opvoeding, tussen de seksen, het onderwijs, de economie en de politiek. Dat is nogal breed. Net als ‘gezag’ kun je ‘autoriteit’ onvriendelijk en vriendelijke invullen: als ondoordringbaar autoritair, of als autoriteit gebaseerd op kennis, ervaring en leeftijd: in de zin van ‘hij is een autoriteit op het gebied van…’. Je zou de eerste betekenis ‘verticale autoriteit’ kunnen noemen: het gaat dan om opgelegd gezag, zonder overleg. Dit soort autoriteit is het uitoefenen van eigengereide macht.

Het over ‘verticale autoriteit’ hebben is temeer zinvol omdat Verhaeghe uiteindelijk zelf uitkomt bij wat hij ‘horizontale autoriteit’ noemt. Verticale autoriteit hoort bij wat men vroeger hiërarchisch denken noemde, denken van boven naar beneden (top-down). Daaruit bestond de patriarchale samenleving waarin vaders uiteindelijk de dienst uitmaakten.

Verhaeghe wil wel autoriteit, maar niet de oude. De ‘crisis in de opvoeding’ is veroorzaakt door het afkalven van de autoriteit van leraren, ouders en gezagsdragers in het algemeen. Er moet weer afstand en verschil komen tussen leraren en leerlingen, en tussen ouders en kinderen. Er is een nieuw soort autoriteit nodig. Daar heeft de Israëlische pedagoog Haim Omer in zijn boek Nieuwe autoriteit een blauwdruk voor geschreven die Verhaeghe in zijn boek bespreekt. Die blauwdruk is gebaseerd op het idee dat autoriteit het beste horizontaal gespreid zou kunnen worden: gespreide verantwoordelijkheid, gedragen door meerdere mensen. Verhaeghe citeert de uitspraak ‘it takes a village tot raise a child’: niet alleen ouders, maar ook leraren, vrienden, klasgenoten, clubgenoten zouden meer moeten opvoeden, als een ‘collectieve autoriteit’. Verhaeghe noemt dit met Haim Omer ‘waakzame zorg’. Verhaeghe had in dit verband ook Christien Brinkgreve kunnen citeren waar ze het in haar boek Het verlangen naar gezag heeft over ‘communicatief gezag’, niet gebaseerd op ouderwetse dwang, maar op verbondenheid en betrokkenheid.

In zijn boek ziet Verhaeghe in het collectieve vaak het heil. In het geval van de opvoeding zou een gespreide betrokkenheid (om het woord ‘collectieve’ te vermijden) wel eens gunstig kunnen uitpakken, maar Verhaeghe wil dat veel meer collectief wordt gedaan. Hij ziet in het collectief zelfs ‘de nieuwe autoriteit’. Er moet veel meer gedacht worden met het oog op wat het beste is voor het collectief, de hele gemeenschap. Verhaeghe geeft voorbeelden van bedrijven die zich op een andere, horizontale manier organiseren. Dat doet al gauw denken aan een coöperatieve manier van bedrijfsvoeren. Daar komt een scherpe sociale controle bij kijken: ‘De basis voor deze collectieve autoriteit is sociaal vertrouwen en de bijbehorende sociale controle. Op grond daarvan ontstaat de vrijwillige onderwerping die zo typisch is voor autoriteit.’

Verkiezingen hebben hun langste tijd gehad en zullen moeten worden vervangen door een ‘deliberatieve democratie.

In het verlengde hiervan gaan Verhaeghes gedachten ook uit naar radicale politieke veranderingen zodat het kapitalisme eindelijk wordt overwonnen. Verkiezingen hebben hun langste tijd gehad en zullen moeten worden vervangen door een ‘deliberatieve democratie’, een democratie waarin overlegd wordt over welke belangrijke zaken op de agenda moeten worden gezet. Ook moet er steeds minder sprake zijn van individueel bezit. Er moet meer ‘gedeeld’ worden: ‘van individueel bezit naar uitwisseling en delen’. Verhaeghe denkt hierbij zelfs aan de boormachine die toch maar het grootste deel ongebruikt in de schuur ligt en aan de heggenschaar, die ‘minder dan een dag per jaar’ wordt gebruikt.

Autoriteit houdt zich niet altijd aan zijn onderwerp en verzeilt soms in een heel andere zaken, zoals de banken en de economie. Verhaeghe wil graag alles. Op kleine schaal kan ‘autoriteit gebaseerd op horizontaal georganiseerde groepen’ misschien werken, maar wanneer het werkelijk collectieve vormen aan gaat nemen kan dit alleen maar in een ramp eindigen. Het woord ‘collectief’ heeft een veel te beladen geschiedenis om nog effectief te kunnen zijn. Verhaeghe heeft het ook te vaak over ‘vrijwillige onderwerping’ en ‘sociale controle’, woorden die kopschuw maken, ook al is dat niet Verhaeghes bedoeling. ‘Onderwerpen’ wil niemand zich, ook niet vrijwillig.

Autoriteit is uitgegeven door De Bezige Bij.