De meer dan zestig jaar in Amerika wonende Engelse neuroloog Oliver Sacks (1933-2015) schreef graag openbare brieven. Afgelopen januari liet hij in een brief in ‘The New Yorker’ weten dat hij ernstig ziek was en het niet lang meer zou maken. Zondag overleed hij.

De man die zijn vrouw voor een hoed hield, het neurologische ‘geval’ waarmee Oliver Sacks beroemd is geworden, kan beschouwd worden als het oerverhaal van alle verhalen over mensen van wie de hersenen veranderen door een ongeluk, door Alzheimer, een virus of door dementie. Het is een nuchter opgeschreven tragisch verhaal met een absurde en komische kant. De man pakt de nek van zijn vrouw in de veronderstelling dat het zijn hoed is. Sacks jeugdvriend Jonathan Miller, zelf arts en neuroloog, maar daarnaast vermaard operaregisseur en maker van een film over Lewis Carrolls boek Alice in Wonderland, zei over hun beider liefde voor de wetenschap dat die van zuiver literaire aard was.

Sacks verhalen veranderden zijn patiënten van medische gevallen in zelfstandige individuen. Ze hebben geen ziekte meer, maar een interessante en curieuze afwijking.

Een niet onbelangrijk onderdeel van Sacks fascinatie voor neurologische patiënten was de mogelijkheid er een verhaal van te kunnen maken over de wonderlijke eigenschappen van de menselijke geest. Sacks ‘verhief de casehistory tot literatuur’, schreef Hilary Mantel in 2013 naar aanleiding van zijn boek Migraine. Sacks verhalen veranderden zijn patiënten van medische gevallen in zelfstandige individuen. Ze hebben geen ziekte meer, maar een interessante en curieuze afwijking. Hij was bijna blij dat hij een bepaalde aandoening het ‘Alice in Wonderland Syndroom’ kon noemen. Het ging om patiënten die tijdens een aanval van migraine hun eigen lichaamsdelen ineens sterk vergroot waarnamen (macropsia) of juist sterk verkleind (micropsia), precies zoals Alice overkomt wanneer haar nek de ene keer uitschiet, de andere keer krimpt. Zulke patiënten kunnen zichzelf als heel klein waarnemen, maar de meubels om hen heen als reusachtig groot, zo groot dat het is alsof ze over hen heen vallen. De eerste die een recensie schreef over De man die zijn vrouw voor een hoed hield was K. Schippers, de schrijver die de werkelijkheid in zijn gedichten, romans en beschouwingen ook altijd een kwartslag anders waarneemt. De verhalen van Sacks, schrijft hij in De berg en de steenfabriek (1986), ‘zijn zo ongelooflijk en geheimzinnig dat je je door Sacks laat meeslepen zonder voortdurend te beseffen dat het hier niet om sprookjes gaat, maar om werkelijke belevenissen.’

Sacks noemde zichzelf een ‘neuroantropoloog’. Dat is iemand die het verschijnsel mens bekijkt door de ogen van het zenuwstelsel. Zoals antropologen oog hebben voor de diversiteit van mensen, zo had Sacks oog voor de diversiteit van wat er zich in de hersenen kan afspelen. Hij keek van niets op, hoe surrealistisch ook. Sacks kon je dan ook nooit met de DSM in zijn handen zien, het Diagnostisch Statistisch Handboek voor Geestesziekten waarmee men aan de hand van psychiatrische symptomen kan opmaken wat iemand mankeert. Sacks vond dat boek ‘armoedig en vaak misleidend’. Wanneer de neuroloog in Amerika dit handboek niet gebruikt wordt hij niet betaald. Voor de kennis over patiënten ging Sacks liever te rade bij negentiende eeuwse psychologen omdat ze vaak uitvoerige verslagen schreven over hun patiënten. Sacks dacht altijd in narratieve en historische termen. Hij herinnert ons er aan, zegt Hilary Mantel spitsvondig, dat ‘medicine is a science, but healing is an art.’

Sacks paarde een lotgenoot-empathie aan professionele distantie. Hij was lotgenoot omdat hij een eigen geschiedenis heeft waarin hij op vele manieren te ver is gegaan: van zijn zestiende tot zijn tweeëndertigste was hij gebruiker van verschillende drugs, waaronder amfetamine. Dat beperkte zich meestal tot de weekends, maar op het laatst niet meer. Wat hij daarbij psychisch beleefde heeft hij beschreven in zijn boek Hallucinaties en in zijn autobiografie Onderweg komt er nog eens uitvoerig op terug. Sacks deed voor een arts en neuroloog aan de vreemdste sporten, zoals gewichtheffen en honderden kilometers achter elkaar motorrijden. Hoe clever hij ondertussen als student en jonge arts ook was, hij bleef een verlegen en onhandige man die aan bodybuilding ging doen. Hij wilde er beter uit zien en zo zijn verlegenheid overwinnen. Hij deed aan bodysurfen op een manier die veel weg had van een poging tot zelfdestructie. Sacks moest op zijn tweeëntwintigste naar Amsterdam uitwijken om ontmaagd te worden en de eerste niet door angst beheerste homoseksuele ervaring op te doen. Amsterdam werd een toevluchtsoord. In Engeland kon je in 1955 nog zwaar gestraft worden als homoseksueel.

Sacks was zijn hele leven een open boek. Niet alleen in zijn autobiografieën Oom Wolfraam en mijn chemische jeugd en Onderweg, ook in de verhalen over zijn patiënten. Omdat hij zijn grenzen niet zo goed kende had hij vrienden en vriendinnen die voor zijn wetenschappelijke geweten zorgden. Sacks was ook graag leerling, zoals van zijn Russische vakgenoot A. R. Luria. Hij was zelf ook patiënt: hij was vijftig jaar lang twee keer in de week bij zijn psychiater. Door zijn tante Len liet hij zich een groot deel van zijn leven vertroetelen. Zij ‘geloofde in hem’, zei hij, en schreef hem dat ze steeds met ‘liefdevolle trots’ dacht aan ‘mijn malle, briljante en in alle opzichten prettige neef.’ Het is lichtelijk beschamend om dit over jezelf te citeren, maar Sacks, als polymorfe flapuit, kon het zich permitteren.