Ze zoeken het maar uit, na mijn dood, wat ze wel en niet kunnen gebruiken uit de vuilniszak vol afgedankte goederen die mijn lichaam dan is geworden. Voor iemand als ik, die gemiddeld drie jaar te laat zijn belastingaangifte inlevert, is elk formulier dat niet hoeft te worden ingevuld een zeurend stemmetje minder in het achterhoofd, en alleen al om die reden ben ik blij dat de nieuwe Donorwet is aangenomen. Nu maar hopen dat ik niet sterf vóór de invoering ervan.
In de tussentijd vraag ik me af of er niet tóch een lichaamsdeel is waar ze met hun transplanterende tengels vanaf moeten blijven. Of iemand iets aan mijn longen heeft, betwijfel ik: twintig jaar lang ruimhartig bijgedragen aan de winsten van de tabaksindustrie. Wel sinds twee jaar rookvrij, en misschien, als ik het leven nog een paar decenniaatjes volhoud, zijn die longen bij mijn dood voldoende hersteld om een ander van dienst te kunnen zijn. Mijn lever is weer een ander verhaal, voorlopig heb ik geen plannen om de alcoholkraan dicht te draaien. Maar voor de rest: pick your choice.
Twijfel is er alleen over de ogen. Beetje sentimenteel, beetje voor de hand liggend, en toch hoor je de mensen vaak zeggen dat hun ogen te persoonlijk zijn om af te staan. Ik bekijk ze in de spiegel, die twee glimknikkers met grijsblauwe irissen. Meen ze goed te kennen, maar als je me zou vragen om ze uit het blote hoofd na te tekenen, zou ik met iets heel generieks op de proppen komen. Nooit goed genoeg gekeken naar dat waar ik al een leven lang mee kijk.
‘In iemands ogen staren gedurende 10 minuten kan radicaal je bewustzijn veranderen,’ lees ik op internet.
En toch, het zijn ogen met een verhaal: mijn verhaal. Links -4.25, rechts -4.75, plus een gezellige cilinderafwijking. Voor een eventuele begunstigde van mijn donatie is dat trouwens irrelevant, want je kunt een oog niet in zijn geheel transplanteren, vanwege de verbinding met de oogzenuw die, naar de huidige stand van wetenschap, na het doorsnijden niet hersteld kan worden. Het hoornvlies is vooralsnog het enige bruikbare – de rest gaat in de afvalbak van het ziekenhuis of belandt misschien op de snijtafel van een student oogheelkunde. Of is dat weer een apart formuliertje?
Zweefteverij
Hoe het ook zij, wat gebeurt er met mijn verhaal? Uiteraard, dat ligt in de hersenen opgeslagen, maar mijn ogen waren de geleiders van het beeldmateriaal. Een camera zegt iets over de film die ermee geschoten is.
En ogen, ja, die vormen de spiegel van de ziel, nietwaar? Google daar eens op en je komt uit bij teksten als ‘Ogen laten de waarheid zien in elke situatie, ongeacht het masker dat we opzetten’, of: ‘In iemands ogen staren gedurende 10 minuten kan radicaal je bewustzijn veranderen.’
De gemakzuchtige vanzelfsprekendheid waarmee wij menen ‘diepere’ betekenis aan een blik te kunnen toekennen, stoort me om een of andere reden.
Het is makkelijk dit soort kul weg te wimpelen als zweefteverij, maar in feite doen we er allemaal aan mee als we ons hutjemutje in dat zaaltje van het Louvre wurmen waar de Mona Lisa hangt. Goed, het zijn misschien niet alleen haar ogen die ons bedwelmen, want als we ogen zeggen, bedoelen we vaak: blik, en iemands blik is een samenspel van ogen, oogleden, allerhande spiertjes daaromheen en de wenkbrauwen erboven. Het is dat samenspel in het gezicht van Mona Lisa dat tot die religieuze verering leidt, en laten we vooral ook haar glimlach niet vergeten. Die glimlach is misschien wel beroemder. Maar zonder die ietwat stonede oogopslag blijft er van die glimlach weinig over. Wie de lippen isoleert, zou er net zo goed minachting in kunnen lezen, maar met de ogen erbij wordt het een ander verhaal.
Kijk, daar ga ik zelf ook al weer: interpreteren, interpreteren. Dat is niet erg, maar de gemakzuchtige vanzelfsprekendheid waarmee het gebeurt, waarmee wij mensen menen ‘diepere’ betekenis aan een blik te kunnen toekennen, stoort me om een of andere reden.
Hysterische taferelen
Iemand die het diepe-betekenis-ontlenen-aan-een-oogopslag tot het uiterste heeft geëxploiteerd, is de Servische performancekunstenares Marina Abramović, en dan vooral in haar performance The Artist is Present uit 2010. Voor dat huzarenstukje zat zij tweeënhalve maand lang, zes dagen per week, vrijwel bewegingloos op een stoel in het atrium van het New Yorkse Museum of Modern Art. Bezoekers konden een voor een tegenover haar plaatsnemen en haar aankijken zolang als zij zelf wilden. Al snel vormden zich dagelijks lange rijen nieuwsgierigen, allemaal even gretig om de catatone kunstenares een paar minuten in de ogen te mogen kijken. Hysterische taferelen, als was Abramović een popster: hogepriesteres van de moderne tijd.
Een mensenblik is zo moeilijk te duiden dat je er alles in kunt lezen, uiteraard vooral wat je zelf wilt zien.
Er is een documentaire gemaakt over deze happening en die laat mooi zien wat er zowel met de kunstenares als met de bezoekers gebeurt, en dat is in veel gevallen: hevige emotie. Wangen vol rollende Máxima-tranen.
Bijzonder? Ja. Origineel? Ik weet het niet. Gemakzuchtig misschien juist, in zekere zin. Een mensenblik is zo moeilijk te duiden dat je er alles in kunt lezen, uiteraard vooral wat je zelf wilt zien. De soort-van-religieuze betekenis die mensen toekennen aan elkaar in de ogen kijken, is een placebo-effect. De placebo is effectief (want er worden emoties opgewekt), maar bevat geen werkzame stof. Er ontstaat een suggestie van mysterie en diepgang, terwijl die er niet zijn. Er is geen mysterie. Er is alleen een gebrek aan informatie – werkzame stof van communicatie: je wéét niet wat die ander denkt of voelt, maar je gaat ervan uit dat je dat toch kunt ‘lezen’ in diens ogen.
Psychologiserende kletspraat
Je zult altijd zien dat zo’n publiekslieveling school maakt. Laatst stuitte ik nog op een voorbeeld daarvan, toen ik een bezoekje bracht aan Art Rotterdam. In een hal waar het Mondriaan Fonds jonge kunstenaars liet exposeren (‘Prospects & Concepts’) trof ik een installatie aan van Sanne van den Elzen (1986), Hommage getiteld. Op zeven naast elkaar hangende videoschermen was het gezicht van de kunstenares te zien terwijl zij een belangrijke persoon uit haar leven zwijgend aankeek: een mentor, haar zus, haar broer, vader, moeder, geliefde, jeugdvriendin. Daaronder zeven schermen met daarop telkens het gezicht van die belangrijke ander. Je kijkt dus in feite ‘in stereo’ naar telkens twee mensen die elkaar aankijken. Een klassiek Abramovićiaans staaltje videokunst.
Aan die gezichten kun je helemaal niets aflezen, hooguit het besmuikte ongemak dat elkaar zo lang aanstaren bij mensen oproept.
‘In Hommage kijk je naar de betekenis van sociale relaties,’ lees ik in de catalogus, ‘en toont Van den Elzen de archetypes die “de ander” speelt in verschillende fases van iemands leven, in het vormen van een eigen, maar altijd aan verandering onderhevige identiteit.’
Het spijt me, maar dit is natuurlijk gelul. Aan die gezichten kun je helemaal niets aflezen, hooguit het besmuikte ongemak dat elkaar zo lang aanstaren bij mensen oproept. De rest is psychologiserende kletspraat.
Waarom stoort dit alles mij zo? Ik denk omdat dit soort kunst het cliché bevestigt dat ogen de spiegels van de ziel zijn, en dat wanneer je twee paar van die spiegels tegenover elkaar zet, er een uitwisseling plaatsvindt die diepgaand, betekenisvol en emotioneel is. Blijkbaar verwacht ik iets anders van kunst, blijkbaar verwacht ik van kunst juist dat zij het cliché ontkracht, bespot, ontmaskert, vernietigt. Natuurlijk mag kunst óók behagen, maar de grens met het behaagzieke is dun, en wie die grens overschrijdt belandt al snel van diepgang in goedkope esoterie.
Onze ogen ontmaskerd
Het is de wetenschap die de ontmaskerende rol van de kunst heeft overgenomen. Duik in de wetenschap en je leert dat zowel het waarnemende als het waargenomen oog oneindig veel complexer in elkaar zit dan de performancekunst van Abramovićianen doet vermoeden.
Ons eigen lichaam bedriegt ons, de ogen waar we op moeten vertrouwen voor onze visuele waarneming, zijn niet te vertrouwen.
Je hoeft maar een eerstejaars leerboek psychologie open te slaan of de plaatjes die je ogen in een visuele valkuil lokken, vliegen je om de oren. Met behulp van het juiste plaatje kun je je bijvoorbeeld bewust worden van de blinde vlek in je oog, en een aanverwant plaatje kan je bewust maken van hoe het brein de ontbrekende informatie van die blinde vlek in sommige gevallen ‘invult’.
Daar begint de ontmaskering: ons eigen lichaam bedriegt ons, de ogen waar we op moeten vertrouwen voor onze visuele waarneming, zijn niet te vertrouwen. Filosofen zien in dergelijke spelletjes graag de bevestiging dat de werkelijkheid onkenbaar is, maar dat is toch echt een onderschatting van het gezichtsvermogen dat, sinds haar ontstaan zo’n 530 miljoen jaar geleden, een evolutionaire geschiedenis heeft gekend die tot steeds geavanceerdere waarneming leidde. Waarneming: van de werkelijkheid dus, ja, de échte werkelijkheid. En voorwaar, daar hebben we een nieuwe ontmaskering te pakken, die van de onkenbaarheidsgedachte.
Nogal-wiedes-bevindinkje
Maar kunnen onze waarnemende ogen ook iets vaststellen over de werkelijkheid door te kijken in de ogen van een medemens? En wat zou daar dan te zien moeten zijn, in of rondom die ogen?
Daar is wel enig onderzoek naar gedaan. Populair is de bevinding dat als je een ander een aantal minuten aankijkt, je verliefd kunt worden – vrij vertaald naar damesbladenproza, want het ligt natuurlijk allemaal iets genuanceerder, en bovendien: hoe werkt dat dan?
Het begin van dat ‘hoe’ wordt in dergelijk onderzoek vastgesteld met eye tracking-apparatuur. Een leuk voorbeeld is een onderzoek van Mylene Bolmont, John Cacioppo en Stephanie Cacioppo uit 2014 waarin verschillende soorten foto’s werden getoond aan participanten: foto’s die romantische gevoelens opriepen en foto’s die lustgevoelens opriepen. De romantische foto’s leidden ertoe dat de ogen van participanten zich onwillekeurig op het gezicht van de gefotografeerde persoon fixeerden, terwijl de ogen in het geval van de lustfoto’s meer naar het lichaam werden getrokken.
De wetenschap heeft de rol van de kunst overgenomen waar het nieuwe inzichten betreft.
Dat lijkt misschien het zoveelste psychologische nogal-wiedes-bevindinkje, maar wij zijn ons over het algemeen niet bewust van die oogfixaties; het zijn automatische bewegingen, onwillekeurige bewegingen. Anders gezegd: onze ogen verraden ons, maar om dat verraad bloot te leggen is dus wel van die fijnzinnige eye tracking-apparatuur nodig. Met het blote oog neem je die oogfixaties van een ander niet waar. We kijken in andermans ogen en denken er het onze van – en dat onze is meestal onzin.
Er valt nog veel meer aan die oogbewegingen te ontdekken en aan de samenspraak met de hersenen – en ik vind de informatie die uit dergelijk onderzoek voortkomt, minuscuul bevindinkje na minuscuul bevindinkje, oneindig veel interessanter dan de weeïge new-agetaal die je stelselmatig hoort opduiken als het in de kunstwereld over ogen gaat. Ja, de wetenschap heeft de rol van de kunst overgenomen waar het nieuwe inzichten betreft, waar het een origineel perspectief op de wereld om ons heen betreft. Waar het ontmaskering betreft.
Onversneden horror
Blijf ik ondertussen nog steeds met mijn donatievraag zitten. Moet ik mijn ogen voor mezelf houden? Er blijkt in de wetenschap nog zo veel over ze te ontdekken dat ik het zonde zou vinden om ze te laten vernietigen of er alleen het hoornvlies vanaf te laten trekken en de rest weg te flikkeren. Maar wat móét ik er dan mee? Zonder hersenen zijn ogen in feite niets dan teelballen zonder lul.
Om werkelijk iets te bewaren van het systeem dat mij een leven lang in staat heeft gesteld te zien, het systeem dat misschien wel het zien zelf is, zou ik het integraal moeten laten conserveren – ogen én brein plus verbindende zenuwbanen. Kom je dus wel bij de sciencefiction uit, en niet alleen dat: als je niet oppast, beland je in onversneden horror.
Moet ik meteen denken aan dat verhaal van Roald Dahl, ‘William en Mary’, waarin een terminaal zieke filosoof zijn brein toevertrouwt aan een bevriend neurochirurg, die het na zijn dood uit de schedelpan licht, in een kom plaatst en het via een hart-longmachine van zuurstofrijk bloed voorziet. Het beroemde ‘brain in a vat’-gedachte-experiment in praktijk gebracht. Van de rest van het lichaam van de filosoof blijft alleen één oog intact, met de ongeschonden oogzenuw aan het brein verbonden en eveneens in het vat geplaatst, waar het hulpeloos en onbeweeglijk in vloeistof drijft.
Zonder hersenen zijn ogen in feite niets dan teelballen zonder lul.
Dan komt de weduwe van de filosoof op bezoek in het laboratorium. Tijdens hun huwelijk altijd door hem bekritiseerd en kort gehouden – in zijn afscheidsbrief benadrukt hij nog eens: ‘Drink geen cocktails. Verspil geen geld. Rook geen sigaretten. Eet geen gebak. Gebruik geen lippenstift. Koop geen televisietoestel.’
De weduwe is verrukt over de machteloosheid van dat drijvende brein-plus-oog. Ze plaatst zich in het gezichtsveld van het oog en steekt een sigaret op: ‘Ze inhaleerde diep en hield de rook drie, vier seconden vast in haar longen; en toen kwam hij ineens, woesj, door haar neusgaten naar buiten in twee dunne stralen die op het water in de kom botsten en over het oppervlak golfden in een dikke blauwe wolk waarachter het oog verdween.’
Nee, het zaakje kan toch maar beter meteen door de verpulpmachine getrokken worden, integraal: brein én ogen. Met de rest mogen ze doen wat ze willen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.