Dromen waren voor de Russisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Nabokov ideaal materiaal voor zijn verbeelding, die ging ook alle kanten op. Er was een tijd dat hij elke ochtend zijn droom noteerde.

Vladimir Nabokov, 1973/Wikimedia Commons.

Aan die vreemde combinatie van lyriek , droom en werkelijkheid waarmee Vladimir Nabokov zijn roman Lolita begint (‘Lolita, mijn levenslicht, mijn lendevuur. Mijn zonde, mijn ziel’) is te zien dat hij zich altijd graag op de rand van droom en werkelijkheid ophield. Er moest bij Nabokov een nooduitgang uit de werkelijkheid zijn, hoezeer hij ook op die werkelijkheid gesteld was. Hij liet zich geen knollen voor citroenen verkopen. Nabokov hield van een gespierde verbeelding, van ‘the muscles of the mind’. Dromen waren daarom voor hem concrete verhalen, zoals zijn romans. Dromen waren geen diepzinnigheden die geduid moesten worden. Ze vertelden alleen maar een verhaal waar je van op kunt kijken. Nabokov had veel om van op te kijken. Hij was een groot dromer.

Op 24 november 1964 noteerde hij een droom waarin zijn vader optreedt die een lezing geeft. Nabokov maakt ijverig aantekeningen en schraapt in zijn ijver iets te luid zijn keel. Vanaf het podium richt zijn vader zich ineens tot hem en zegt: ‘Zelfs als je je verveelt kun je het fatsoen hebben stil te zitten.’ De jonge Nabokov is diep beledigd. Met zorg en waardigheid antwoordt hij dat hij juist heel geïnteresseerd en met grote aandacht luisterde. Hij verlaat de zaal, in de hoop dat hij teruggeroepen zal worden. Het verbazingwekkende is voor Nabokov dat hij zijn vader in deze scène niet in herkent. Maar helemaal vreemd is het ook weer niet: in zijn dromen is zijn vader ‘always so morose and grim’, terwijl hij in werkelijkheid ‘so good-natured, and gay’ was. Met een Freudiaanse verklaring voor deze tegenstrijdigheid hoef je bij Nabokov niet aan te komen. Hij weet gewoon dat zijn vader van hem hield. En dat hij op zijn beurt van zijn vader hield. Dat hij in zijn dromen anders was dan in werkelijkheid is een niet op te lossen raadsel. Zijn vader overleed in 1922 toen Nabokov drieëntwintig was.

Ze nemen een loopje met de tijd: ze kijken terug, ze kijken vooruit, ze maken hun eigen verhalenDromen spelen een belangrijke rol in Nabokovs werk en leven. Ze nemen een loopje met de tijd: ze kijken terug, ze kijken vooruit, ze maken hun eigen verhalen, halen tijden door elkaar, verbinden mensen met elkaar die nooit bij elkaar zullen komen. Nabokovs verbeelding nam de tijd niet serieus. Hij was ook gefascineerd door coïncidenties. In januari 1951 noteerde hij een droom over zijn vader die in hun oude huis in Petersburg aan de piano een sonate van Mozart speelt. Hij maakt een droevige indruk en is verbijsterd over de grap die zijn zoon maakt: dat Toergenjev ergens iemand van vijfenveertig ‘oud’ noemt. Wanneer Nabokov deze droom noteert realiseert hij zich pijnlijk dat hij op dat moment precies even oud is als zijn vader toen die op zijn tweeënvijftigste in Berlijn werd vermoord door een kogel die voor iemand anders was bedoeld.

64 dromen

Nabokovs interesse in dromen ging zo ver dat hij eind 1964 gedurende drie maanden een ‘experiment’ uitvoerde, onder meer om er achter te komen of dromen inderdaad voorspellend kunnen zijn. Zodra hij wakker werd noteerde hij wat hij zich herinnerde. Op 118 indexkaarten deed hij verslag van 64 dromen. Hij hield het zo feitelijk mogelijk, geen interpretaties, maar wel met een nabokoviaanse helderheid, wat zorgt voor juweeltjes van beknoptheid. Deze 64 dromen, genoteerd van oktober 1964 tot begin januari 1965, is de basis van het boek Insomniac Dreams. Experiments with Time by Vladimir Nabokov van Gennady Barabtarlo. Daarin gaat het veel over de filosofie van de tijd, maar het interessantst zijn Nabokovs droomverslagen.

Hij werd tot dit experiment aangespoord door het boek An Experiment in Time van de vliegtuigingenieur John W. Dunne, verschenen in 1927. Die bewees daarin op een wiskundige manier dat tijd niet bestond, om het maar grof te zeggen. De tijd gaat niet voorbij, alles blijft altijd aanwezig: Nothing Dies, zoals een ander boek van hem heet. Dunne beschreef bij herhaling gebeurtenissen in dromen die zich drie dagen later in de werkelijkheid voordeden: ‘Voorspelende dromen zijn normaal, maar niemand staat erbij stil’. Dat dit verschijnsel nooit zo is opgemerkt komt omdat men doodeenvoudig verzuimt het verband te leggen. Men is de droom alweer vergeten wanneer de inhoud werkelijkheid wordt. Wie zijn droom opschrijft kan het mirakel verifiëren. Doordat het vaker voorkwam werd het voor Dunne ‘incontestable’. Niet alleen Nabokov was hiervan onder de indruk, ook Aldous Huxley, J.B. Priestly, James Joyce, Walter de la Mare en T.S. Eliot zagen er wel iets in. Dunne had het vuur van de oprechte amateur (hij cursiveerde er lustig op los om zijn betoog te onderstrepen), maar hield zich verre van de spiritualiteit of de mystiek. Wel hadden zijn verklaringen, schrijft Barabtarlo, ‘a dreamlike quality’. Het verschijnsel van de déjà vue, je iets herinneren dat je eerder hebt gezien, kreeg er een nieuwe bron bij. Dat eerder zat dan in een droom.

Vladimir en Vera Nabokov, 1969/Wikimedia Commons.

Nabokov maakte echt werk van het noteren van zijn dromen. En niet alleen die van hem, ook die van zijn vrouw Vera. Soms zijn die dromen zo vervaagd dat Vera Nabokov ze vergeefs aan het laatste draadje tevoorschijn probeert te trekken (‘tried in vain to pull one of them out by the end of the thread.’) Door het opschrijven van de dromen werden ze scherper en gedetailleerder, ‘zoals firma’s die hun reclame sturen nadat je er iets gekocht hebt.’ In een van de eerste dromen is Nabokov met zijn vrouw aan het dansen. Ze is luchtig en zomers gekleed. Ineens kust een man haar in het voorbijgaan. Nabokov grijpt de man en slaat zijn hoofd zo hard tegen de muur dat het ‘aan een vleeshaak gehangen kan worden.’

Het louter noteren van de dromen betekent dat er zich verbazingwekkende dingen in kunnen afspelen. Een enkele keer laat Nabokov zijn verbazing blijken, zoals wanneer hij schrijft gedroomd te hebben dat zijn vrouw Vera is vrijgelaten uit een Portugese gevangenis. Tussen haakjes verzekert hij: ‘We have never been to Portugal’. De producent van deze droom, een onafhankelijke droominstantie, is een soort schrijver: die verzint gewoon iets dat nooit heeft plaatsgevonden. Even vreemd is dat Nabokov over zijn ouderlijk huis in Petersburg droomt. Er komt pianomuziek uit een bepaalde kamer, maar in die kamer heeft nooit een piano gestaan. Toch zit zijn vader aan een piano, terwijl hij in werkelijkheid nooit speelde.

De producent van deze droom is een soort schrijver: die verzint gewoon iets dat nooit heeft plaatsgevondenNa drie maanden, eind december 1964, begint Nabokov zijn belangstelling in het experiment te verliezen. Met name het verifiëren van eventueel voorspellende dromen gebeurt niet. Het wordt door de dagelijkse beslommeringen vergeten. Toch was het niet helemaal voor niets. Menig droomverslag zou de bron van een verhaal kunnen zijn. Zoals het verslag van 31 oktober over de tantrums van de vijfjarige Vladimir die zijn liefhebbende moeder tot wanhoop en tranen wisten te brengen. Er ontstaat een hopeloos contrast tussen de lieve moeder en het redeloos schreeuwende kind dat er op een of andere manier van geniet, terwijl het eigenlijk niet de bedoeling is dat hij haar zo van streek brengt. Hij stortte zich er compleet in (‘I let myself go completely’). Dat zijn broer Sergej met hem mee ging doen was niet de bedoeling, dat ‘spoilt the matter.’

De gekoesterde vlinderverzameling van Nabokov/Wikimedia Commons.

In 1964 moest Nabokov zijn omvangrijkste roman Ada nog schrijven (verschenen in 1969). Daarin staat een niet onbelangrijk hoofdstuk over dromen: de oude hoofdpersoon Van Veen besteedt het vierde hoofdstuk in het tweede deel geheel aan het beantwoorden van de vraag ‘Wat zijn dromen?’ Hij maakt een indeling in allerlei soorten. Gewone nachtmerries (paspoort vergeten), beroepsdromen (dat je boek is verschenen terwijl je nog met de drukproeven in de weer bent), erotische dromen (door Nabokov ‘an erotic vision’ genoemd), horror stories (vlindernet vergeten wanneer je een zeldzame vlinder voorbij ziet komen). Van Veen wil niet, net als Nabokov, dat alles in dromen symbolisch, allegorisch of moralistisch wordt uitgelegd. Dromen zijn ‘willekeurige taferelen, triviaal of tragisch, viatisch of statisch, bizar of vertrouwd, waarin min of meer plausibele gebeurtenissen worden opgesmukt met groteske details.’ Eén van die groteske details is wat Nabokov op 8 december 1964 noteert over een droom waarin hij en Vera thee drinken bij vrienden. Ook aanwezig is een heel erg oude, ziek ogende Leo Tolstoi. Tegen zijn vriend zegt Tolstoi: ‘Ik hou niet van zijn Lolita, maar hij is goed in het beschrijven van het Russische landschap.’ ‘Silly’, voegt Nabokov er aan toe.

Insnomniac Dreams. Experiments with Time by Vladimir Nabokov
Gennay Barabtarlo, Princenton University Press.
Hardcover, 224 p., £ 19,95.