Zijn wij in de loop van de geschiedenis betere mensen geworden? Hebben we iets geleerd? Dat die vraag niet volmondig wordt beantwoord in een boek met essays over morele vooruitgang zegt genoeg. Het blijft tobben.

Waarom horen we niets meer over het verbeteren van de mens? Het is alweer wat jaren geleden (2008) dat het Rathenau Instituut boeken uitgaf als Reshaping the Human Condition waarin de mogelijkheden van ‘human enhancement’, mensverbetering, werden onderzocht. In 2013 verscheen nog Goed beter, betwist, een publieksonderzoek naar mensverbetering, waarin geprobeerd werd de patstelling te doorbreken tussen voor en tegenstanders van ‘prestatieverbeteraars’, de ‘geheugenpil’ en andere wondermiddelen die menselijke tekorten en ongemakken zouden kunnen opheffen. Nu het er op gaat lijken dat die mensverbetering voorlopig beperkt zal blijven tot knutselen aan het lichaam met plastische chirurgie, is het onderwerp bijna geruisloos verdwenen.

Het valt niet te bewijzen, maar ik mag graag denken dat Elementaire deeltjes, de veelgelezen roman (en daarna het toneelstuk) van Michel Houellebecq, bijgedragen heeft aan het onaantrekkelijk maken van de mensverbetering. De broer van hoofdpersoon Bruno, de moleculair bioloog Michel, heeft daarin ontdekt hoe je mensen eindeloos kunt manipuleren en klonen. Maar dat betekende wel dat een einde kwam aan hun genetische en sociologische individualiteit. De verschillen tussen mensen zouden ondergeschikt worden aan de overeenkomsten. Men zou verlost zijn van onwenselijke eigenschappen als egoïsme, wreedheid, woedeaanvallen, geobsedeerdheid door seks, hebzucht, geldingsdrang en jaloezie. Michel wordt zelf zo’n zombie, een getemde mens uit wie het leven verdwenen is. Zijn broer Bruno heeft nu juist veel van die eigenschappen en vertolkt het lege bestaan in een westerse samenleving die last heeft van een moreel bankroet.

Het valt niet mee om na het lezen van romans als Elementaire deeltjes, of Houellebecqs laatste roman Onderwerping, nog aan enige morele vooruitgang bij de mens te denken. De mens, is het sterke vermoeden, zit moreel aan de grond, hij weet het niet meer. Het is daarom fascinerend om te zien hoe filosofen en ethici omgaan met een vraag die in deze tijd niet snel gesteld wordt: Worden wij betere mensen? Het is de titel van een boek met essays over morele vooruitgang samengesteld ter gelegenheid van het afscheid van Bert Musschenga, hoogleraar ethiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Reformatorisch gedachtegoed speelt geen rol

Het valt meteen op dat geen enkele bijdrage uitgaat van het morele reformatische gedachtegoed dat de basis is van de Vrije Universiteit. Dat speelt in de wetenschap der ethiek kennelijk geen rol. Door alle auteurs (afkomstig van alle Nederlandse en Vlaamse universiteiten) wordt uitgegaan van de diversiteit van wereldbeschouwingen, als een vanzelfsprekendheid. Vandaar dat morele zekerheid, bij gebrek aan een vaste standaard, als niet aanwezig wordt beschouwd. De beantwoording van de vraag zou dan neerkomen op natte vingerwerk, maar dat zou tekort doen aan de grondigheid waarmee er toch naar een antwoord wordt gezocht.

De vraag of wij betere mensen aan het worden zijn terwijl de wereld in brand staat is absurd. Helemaal als die vraag wordt beantwoord in logische formules. De vraag wordt niet of nauwelijks beantwoord, maar bovenal grondig geproblematiseerd. In de ethiek gaat het om goed of kwaad, maar dat is maar bijzaak als het hier gaat over de Verlichting en de vooruitgang, over morele vooruitgang na de Holocaust, de moraal van de zakenman, de moraal van de economie, de morele vooruitgang in de medische zorg, en wat de filosoof nog tussen de ethici doet. Wanneer de nieuwe hoogleraar in de ethiek aan de Vrije Universiteit, Martin van Hees, de vraag beantwoordt of er wel van morele vooruitgang gesproken kan worden als we geen vaste morele standaard hebben, gaat hij als een formele logicus te werk, inclusief formules. Uitgaande van de morele onzekerheid in het Westen zet hij niet minder dan het ‘probabilistisch redeneren en temporeel relativisme’ in. Hij concludeert uiteindelijk dat morele vooruitgang zou kunnen bestaan uit ‘de toenemende zekerheid over de mate waarin we onzeker zijn.’ Dit is een geheel nieuwe soort ethiek, ver weg van de wereld van goed of kwaad.

De vraag of wij betere mensen aan het worden zijn terwijl de wereld in brand staat met financiële crisis, bomaanslagen, oorlogen en honderdduizenden vluchtelingen is absurd. Helemaal als die vraag wordt beantwoord in logische formules. Tegelijk is dit zoals het is: we leven in vele werelden tegelijk, zowel met het wereldnieuws dat rampen en oorlogen meldt als met de binnenwereld van de logica, ook als die wordt toegepast op de vraag of er sprake is van morele vooruitgang.

Voltaire aan zijn bureau. Gravure door Baquoy (Wikimedia Commons).
Partiële, duurzame vooruitgang

Volgens Van Hees mag er dan geen logische ‘fundering’ mogelijk zijn voor een morele stellingname, het kan toch geen kwaad om er in dit verband aan te herinneren dat er verschillende feiten en gebeurtenissen zijn geweest die garant staan voor enige blijvende morele vooruitgang: de afschaffing van de slavernij, gelijkheid voor de wet (ongeacht sekse, huidskleur, godsdienst of klasse), de afschaffing van het kolonialisme, de opstelling van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het stemrecht, de emancipatie van de vrouw en de democratie als minst slechte staatsvorm. Dit is allemaal beter dan het was. Maar helaas: er zijn ook vele andere feiten en gebeurtenissen waaruit blijkt dat de mensheid geen steek vooruit is gegaan en hardleers is. Van een algemene morele vooruitgang kun je niet spreken, dan zou de mensheid collectief volwassen zijn geworden, wel van partiële, duurzame vooruitgang. De duurzame verbeteringen zoals de afschaffing van het kolonialisme, zijn helaas vervangen door nieuwe grote problemen zoals dictatoriale regimes in voormalige kolonieën, hardnekkig racisme, milieuvervuiling en vreemdelingenhaat.

Immanuel Kant ontwikkelde het idee over de loop van de geschiedenis als een proces waarin de mensheid haar redelijke vermogens zou ontwikkelen. Illustratie: Wikipedia.

De vraag of mensen moreel vooruit zijn gaan is een eenvoudige vraag, maar het antwoord is ingewikkeld. Dat was wel anders toen Leibniz in 1696 de vraag of ‘de wereld in volkomenheid toeneemt’ bevestigend beantwoordde. Hij beweerde zelfs dat we in de best denkbare wereld leefden. Daarop was hij gekomen door een onnavolgbare formele redenering, maar dat werd natuurlijk niet zo gelezen: Voltaire maakte Leibniz in zijn satire Candide belachelijk door steeds maar te herhalen dat we toch in de best denkbare wereld leven, terwijl ondertussen Candide bloot werd gesteld aan alle denkbare rampen, oorlogen en mishandelingen. Na Leibniz ontwikkelde Kant zijn idee over de loop van de geschiedenis als een proces waarin de mensheid haar redelijke vermogens zou ontwikkelen. Dat proces wordt voortgestuwd door spanningen en strijd (‘antagonismen’) en dat is tegelijk de motor van de vooruitgang: al doende ontstaan er wetten en regels waaraan men zich ondergeschikt maakt.

Die spanningen en strijd, de motor van dit process, noemde Kant ‘ungesellige Geselligkeit’, aangezien de mens tegelijk sociaal als asociaal is ingesteld. Hij zoekt gezelschap, maar kan ook de neiging niet onderdrukken om ruzie te maken en zijn ‘eer-heers- en hebzucht’ uit te leven. Maar dezelfde Kant komt ook de eer toe als eerste de blauwdruk te hebben geleverd voor de vredelievend samenwerkende organisatie van staten, wat veel later, in de twintiger jaren van de vorige eeuw, de Volkerenbond werd en nog weer later de Verenigde Naties. De oprichting van zo’n internationale organisatie voltooide voor Kant pas de ontwikkeling van de redelijke menselijke vermogens. Die vonden daarin hun bestemming. Het antwoord op de vraag Worden wij betere mensen? is ondertussen toch ‘nee’. We blijven gewoon mensen.