‘Sierlijk snijden in eigen vlees.’ Menno Wigman verpakt zijn genadeloze kijk op ons bloedeigen fin de siècle in tijdloze taal. De dichter viert zijn vijftigste verjaardag met de vijfsterrenbundel Slordig met geluk. Wat gaat schuil achter zijn succes?

Menno Wigman (1966) had zijn geloofsbrieven al klaar liggen ver voordat hij debuteerde. Hij vertaalde in zijn jonge jaren klassieke, zwart-romantische dichters als Baudelaire en Nerval en de zware Duitsers Rilke en Thomas Bernhard, bezorgde en introduceerde de postume bundel Liefdesstratenplan van de meer om zijn zelfmoord dan om zijn gedichten bekend geworden jonge poète maudit Nico Slothouwer, en speelde in diverse punkbandjes. Geloofsbrieven met een zwart randje. Toen kwam in 1997 zijn debuut, vol klassiek ogende gedichten, getiteld ’s Zomers stinken alle steden.

Lees ook‘Misschien ben ik gek, maar ik ben niemand tot last’2 februari 2018

Maar wat betekende dat? Was inmiddels, na de roerige Maximalen halverwege de jaren tachtig en met de doorbraak van vrijheidsminnende, onconventionele dichters als Tonnus Oosterhoff en K. Michel niet juist een geheel nieuw geluid aangebroken, dat geassocieerd kon worden met het postmodernistische anything goes? Schudden niet overal dichters van de meest uiteenlopende snit het verleden en de traditie van zich af? En dan komt daar opeens een jonge dichter aanzetten met ouderwets gedegen werk: sonnetachtige verzen vol strakke structuren, binnenrijm, heuse versvoeten, verwijzingen naar oude dichters en denkers. Weliswaar hadden we al Gerrit Komrij en Jean Pierre Rawie leren kennen, beoefenaars van het gedisciplineerde, traditionele gedicht, maar hun werk was toch anders besnaard, het vermeed de hedendaagse wereld of maakte er vol ironie en sarcasme gehakt van, maar deze Wigman leek er, ondanks zijn schijnbaar klassiek-romantische geaardheid, juist vol door geraakt te worden. Zijn gedichten waren tegelijk ouderwets en hedendaags. En dan die titel! De gedichten van zijn generatie waren inderdaad verstedelijkt; met de natuur als vat van symbolisme en levenslessen was het al een tijdje gedaan, je kon rustig met een stad in je titel aankomen, dat zeker, maar een stinkende stad? Wat betekende die afkeer? Was ze oprecht? Het antwoord is niet zo makkelijk te geven. Immers de zwart-romantische dichters, met wie Wigman zich zo sterk associeert, meenden het ongetwijfeld, maar ze poseerden ook, hun spleen en Weltschmerz waren zowel echt als onecht, zowel zuiver als gespeeld. Zo lijkt het ook bij Wigman te zijn.

Een karakteristiek gedicht uit zijn debuut is ‘Media vita’; de dichter is dan nog maar net dertig, maar bevindt zich zo te zien reeds in een diepe midlifecrisis: ‘En midden in het leven, / halverwege zijn verdwaasde / en gevierendeelde dagen, / staart hij naar de vijand in de spiegel die hem op de vleugels van zijn leugens / naar een steeds weer nieuwe mond moet dragen.’

De jonge dichter als zijn eigen vijand die ondanks zijn leugens toch almaar voort moet dichten; het is gekozen lot en doem ineen, en dus schrijft Wigman door, tot op de dag van vandaag: over verloren liefdes, vergankelijke momenten, wereldafzijdige eenzaamheid, wanhoop, verveling, gekte, zelfbevrediging en de dood. Niets nieuws onder de zon, vandaar ook misschien dat navrante zomerse effect: stinkende steden, alles door en door rot, maar jij moet verder. ‘Wat een bestaan’, zucht de jonge dichter, en: ‘Niemand kan mij nog genezen.’

Een neus voor verval

Het meest karakteristieke gedicht uit ’s Zomers stinken alle steden is wel ‘Jeunesse dorée’, waarin die eeuwige eigenschap van jonge hemelbestormers als volgt wordt samengevat: ‘was alles al gezegd, nog niet door hen.’ Bondiger kan het haast niet. Maar tegelijkertijd verraadt het gedicht en zo’n regel ook iets van de tegenstrijdige impulsen van de nieuw-romantische decadent: het bestaan mag dan onvervuld zijn, de dichter slechts een navolger van grote voorgangers, hij wil toch niet als een stamelende stumper overkomen, integendeel, hij is een estheet met mooie woorden in zijn ransel.
Dit alles kan men bij zo’n debuut nog verklaren als koketterie van een aanstormende dichter met een neus voor verval, maar nu, bijna twintig jaar en vier bundels verder, moeten we wel concluderen dat het Wigman menens is en dat hij steeds aangrijpender en technisch verfijnder op de thematiek van zijn eersteling heeft weten voort te borduren. Vol zelfinzicht ook. Als hij in zijn laatste, zojuist verschenen bundel Slordig met geluk terugkijkt op het oude gevoel deel uit te maken van een ‘lost generation’ schrijft hij: ‘Als zoon van een verziekte generatie sneed / ik sierlijk in mijn vlees.’ Sierlijk zal zijn poëzie blijven, maar hij zal ook steeds harder snijden.

In de bundels die volgden op ’s Zomers stinken alle steden wordt de vorm steeds strakker, de afwisseling van korte en lange zinnen steeds dwingender en de op de loer liggende sentimentaliteit steeds meer door koele grammatica beteugeld. In Slordig met geluk ontwaart men zelfs sporen van een van de strengste en daarom schijnbaar allang versmade vormen van de poëzie, het rondeel, met z’n herhaling van hele zinnen. Wigman is sowieso een vakman van de oude stempel. Vrijwel altijd bestaan zijn regels uit vijfvoetige jamben, een cadans die hij tijdens zijn voordrachten met zijn arm lijkt aan te geven. Daarbij zijn zijn verzen muzikaal in de ouderwetse zin van het woord. Wat te denken van een strofe als deze: ‘In dit gedicht is niet aan mij gedacht. / Wat zou het ook? Die vreemde in de tram, / die man daar in die witbeslagen ruit / ben ik. Een vlek. Een veeg. Nog niet gewist /en als de dood te worden uitgelicht.’

Wigmans poëzie voltrekt zicht tussen deze twee polen, het besef dat poëzie zinloos is maar dat de dichter toch niet anders kan.

Gedicht-gedacht-uitgelicht, vlek-veeg, wat-wit-gewist, het is allemaal goed overdacht. Net zo coherent is de beeldspraak, als hij het in een van zijn verzen bijvoorbeeld heeft over doorgeroest verdriet, je uit je hoop zagen en het geheugen dichtspijkeren. Geen losse flodders bij deze vakman.
Ook de bundels zelf zijn zorgvuldig gecomponeerd. Zo schrijft Wigman met ingang van zijn tweede bundel steeds een in- en een uitleidend gedicht die als een soort tegenhangers van elkaar dienstdoen. In Zwart als kaviaar (2001) begint hij met deze woorden: ‘ik verbeeld me niets // wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig / lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.’ en hij eindigt met de vraag ‘hoe diep ik nog de waarheid lieg. / Pas in deze woorden sta ik op.’ Tussen deze twee polen, het besef dat poëzie zinloos is maar dat de dichter toch niet anders kan, voltrekt zich voortaan Wigmans poëzie. Hij lijkt de vrijbrief te hebben gevonden om zijn obsessies en trauma’s te luchten.

In memoriam-gedichten

Obsessie nummer één is wel die oude hoofdrolspeler in de kunst: de dood. Niet toevallig is Wigman een van de meest gevraagde dichters voor het project Eenzame uitvaart, waarbij dichters een vers schrijven en voorlezen aan het graf van een verder door iedereen vergeten dode. In Slordig met geluk staan in memoriam-gedichten voor zulke uiteenlopende figuren als prins Friso, Gerrit Komrij, Maarten van Roozendaal, Thomas Blondeau. Een van zijn mooiste gedichten over de dood treffen we aan in ‘Levensloop’ uit Dit is mijn dag (2004), waar hij over zijn vader schrijft: ‘Hij stierf / zoals hij in zijn Opel reed: beheerst, / correct, zijn ogen dapper op de weg. // geen zin in dom geworstel met de dood.’ Zijn voorbeeld maakt de dichter sprakeloos. De onvermijdelijkheid van de dood is ook onderwerp in gedichten als ‘Rauwkost’ (‘Hij zat zijn dood te voeden in de kroeg / en hij wist het’) en ‘Moe in Amsterdam’, waaruit een soort identificatie met de moribunde hoofdpersoon schuilgaat: ‘Hij wist dat het zou komen, dat gevoel / dat achter alle ramen van de stad / het leven beter dan het zijne was.’

De dichter, die het afgelopen jaar zelf geveld werd door een geheimzinnige hartkwaal, wordt er in Slordig met geluk persoonlijk mee geconfronteerd: ‘Twee weken in mijn eigen graf gekeken, / zo diep dat ik het haast begeven had.’ Haast geen toeval bij iemand die in zijn jonge jaren al schreef: ‘Ik leefde snel en telde af, dat was toen mode. / Ik telde doden, steeds meer doden’.

De femme fatale

Maar het is niet alleen het einde van het leven dat Wigman telkens opnieuw bezingt, het is ook het einde van de liefde. In ‘Beddendood’ over het langzaam wegkwijnen van de aanvankelijke hartstochtelijke liefde komen ze samen: ‘De liefde brak voor onze ogen stuk / en het heet beddendood en het is klaar.’

‘Iets met lipstick haalt me neer’ – Wegmans hele werk is doordrongen van de aanwezigheid van de femme fatale. ‘Iets met lipstick haalt me neer’ schrijft Wigman in Slordig met geluk. Zijn hele werk is doordrongen van de aanwezigheid van de femme fatale, ook daarin is hij schatplichtig aan de zwarte romantiek. ‘Proost me toe en neem me mee’ verzucht de dichter, alvorens ‘je mij je straat je huis je lichaam binnenleidt’, maar hoe dwingend en onvermijdelijk de vrouwelijke aantrekkingskracht ook is, het loopt zelden goed af. In ‘Mijn helft’ gaat het om nachtelijke frustratie in bed, gefnuikt verlangen om het nog een keer te doen: ‘Ik heb het koud / en teken stil mijn kansen uit: nog één / keer één te zijn, twee blinde dieren, god / in bed en echt, een leven lang / uit haar spelonk van bont opstaan / hoe zou dat zijn?’

Maar al die illusies van exclusieve liefde en erotiek worden toch ook steeds weer gecontrapunteerd door de gedachte dat iedereen het doet en dat de vrouw onverbiddelijk deel uitmaakt van de buitenwereld, de massa. ‘Zij altijd’ begint nog hoopvol: ‘Daar komt ze uit een mist van mensen: de geliefde’ om te eindigen met desillusie: ‘daar gaat ze in een mist van mensen’. Talloze minnaressen duiken op in Wigmans werk maar telkens verdwijnen ze ook weer, en dus zijn de eenzame uren, doorgebracht in melancholie en onanie, even talrijk als de herdersuurtjes.
‘Tot mijn pik’ heet het openingsgedicht van Mijn naam is legioen (2012), naar een gedicht van de Arabische dichter Rashid Ibn Ishaq dat Wigman door vriend Hafid Bouazza werd aangereikt, en het gaat over de troosteloosheid van de lust: ‘je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe / van wie je ziedend van je zaad ontdoet. // Geen hoop, geen zin, geen bedvriendin. En naakt / als water sliert wat heupwerk door mijn hoofd. / Oktober. Veertig en geen bed werkt over.’
Dertig, veertig, vijftig jaar, augustus, oktober, november, denk maar niet dat er iets aan je hopeloze liefdes verandert.

Foto: Koos Breukel
Openbaring in de H&M

Een vaste vijand in Wigmans poëzie is de buitenwereld, de massa. In het spoor van dichters als Adrianus Roland Holst die het over ‘de velen’ had en Geerten Gossaert die sprak van ‘het gemeen’ heeft Wigman het over ‘mensenvee’, een ‘eksterplaag van mensen’, ‘restvolk’, ‘metro’s met druk vlees’. Geen wonder dus dat plaatsen met veel volk waar hij zijn gal over kan spuwen in overtal zijn: winkels, warenhuizen, metro’s. Geen poëzie waarin zoveel bedrijfsnamen voorkomen als die van Wigman, hij heeft het over ‘de droefenis van copyrettes’, een ‘Openbaring in de H&M’, ‘De moedeloze geilheid van een V&D / op dinsdagmiddag’, troosteloos gewinkel in ‘Tuincentrum Osdorp. In ‘Kaufhaus des Westens’ wordt het warenhuis genoemd ‘een massagraf / dat blaakt van hoop en voor het donker / rouge, speelgoed en horloges koopt’. Voor het donker dus, oftewel voor de dood invalt. Bij Wigman danst de mensheid op een koord dat haar onverbiddelijk ten ondergang voert.

De dichter voelt zich bij dit alles buitengesloten, gelukkig maar zou je zeggen, nu hoeft hij tenminste niet deel te nemen. ‘Sla voedsel in en sluit de deur’ schrijft hij ergens en in ‘Brief aan een luie vriend’ haalt hij de bekende maxime van Pascal aan ‘dat alle / ellende van de mensheid / maar één oorzaak heeft, namelijk dat men niet in staat is / rustig in een kamer te blijven’, maar de kern van zijn afkeer van de massa is niet de massa zelf en haar jachtigheid, maar het gevoel dat hij er zelf verloren in raakt: ‘Vluchtheuvels. Winkelstraten. Zebrapaden. / Het was of ik nooit nodig was geweest’ heet het in ‘Een soort thuiskomst’; de vervloekte buitenwereld wijst hem steeds opnieuw op zijn eigen kleinheid, nietigheid en onbeduidendheid, in ‘Burger King’ ontdekt de met een ‘mond vol Proust en Bloem’ rondlopende dichter tot zijn verbazing ‘dat alles wat zo laag / en lelijk is zo sterk en stevig staat.’ Het is in de grond een existentieel probleem, een gevoel van verlatenheid: ‘Wie huist nog waar hij woont?’ vraagt Wigman zich af in navolging van zijn grote voorbeeld Rilke: ‘Ich hab’ keine Geliebte, kein Haus, keine Stelle auf der ich lebe.’ Gevolg van dit antidemocratische gevoel, dat zo haaks staat op veel hedendaagse poëzie, is trouwens ook een flinke portie zelfhaat; ‘Waarom, mijn lichaam, heb ik nooit in je geloofd?’ schrijft hij in ‘Afscheid van mijn lichaam’.

Afkeer van stad

Als je dan zo slecht tegen het stadsgewoel, de terreur van de massa en je eigen misère kan, trek dan de natuur in, zou je zeggen. Maar nee, ook dat doet Wigman niet. Landschappen en natuur spelen nauwelijks een rol in zijn werk en die enkele keer dat ze opduiken, weet Wigman er wel raad mee. In ‘Gedicht zonder weerbeschrijving’ uit zijn laatste bundel schrijft hij ‘Vergeet de onzin van natuurlyriek en schop / de weerberichten uit de poëzie’ en een gedicht later heeft hij het zelfs over de natuur als groen braaksel: ‘O sleep me uit dit groene braaksel weg.’ Ook voor lijstduwer van GroenLinks is hij niet in de wieg gelegd.

De waarheid is natuurlijk dat Wigman zijn haat en afkeer van stad en massa juist nodig heeft om te kunnen schrijven, zoals zijn schrijverschap ook niet zonder weglopende geliefdes kan. Als een poëtische lijder aan Münchhausen by Proxy koestert hij zijn zieke, ‘liefdeloze wereld’. Het wekt dan ook geen verbazing dat deze in de grond misantropische schrijver een tijdje stadsdichter van Amsterdam was, zijn gehate biotoop waarvan hij de leegheid en het verval op zijn programma kon zetten.

Als je dan zo slecht tegen het stadsgewoel, de terreur van de massa en je eigen misère kan, trek dan de natuur in, zou je zeggen.Een vierde motief dat Wigmans werk beheerst is dat van de psychopathologie: waanzin en misdaad. In het seizoen 2005/2006 bracht Wigman als ‘writer in residence’ drie maanden door op de Willem Arntsz Hoeve. Het verslag dat hij ervan gaf in zijn prozadebuut Het gesticht (2007) is tamelijk licht verteerbaar, zoals hij in het algemeen in zijn zorgvuldig terloopse proza meer de zwierige en anekdotische kanten van het dichterschap uitvent, maar hij hield er ook een aantal knarsende gedichten aan over, zoals het grappige ‘Godverdedomme’, een stijloefening in krom pathologisch Nederlands. Ook de misdaad komt ruim aan bod in Wigmans oeuvre, van ‘Het dievengilde op lijn 5’ tot ‘De vrede moe, Vijf gedichten bij oude politiefoto’s’, vol criminaliteit en moordpartijen. In zijn tweede prozabundel Red ons van de dichters uit 2010 kondigt hij aan een lang gedicht over de RAF te gaan schrijven, een tot nu toe onvoltooid project, maar de intentie zegt genoeg.

Wigmans fascinatie voor waanzin en geweld lijkt me ingegeven door een sluimerend gevoel van verwantschap; ook hier gaat het immers vaak om eenzame, onmaatschappelijke figuren, verre verwanten van de dichter zelf, zoals hij zich in ‘Outcast’ beschrijft, zittend in de tram, te midden van het volk: ‘Wat als ik zomaar de Messias was /en hier op deze tramlijn liefde bracht. / Stel dat ik gek van haat en razernij /een mes in jullie kille nekwerk stak?’

Hang-up met dood en verderf

Dood, waanzin, eenzaamheid, de fatale geliefde, die thema’s gecombineerd met de strakke vorm van zijn gedichten: het is allemaal naadloos te herleiden tot de zwarte romantiek. Ouderwets spul, zou je kunnen zeggen, zo uit de canon van Mario Praz’ The Romantic Agony. Wat maakt Wigman dan toch tot zo’n belangwekkend dichter? Ik denk dat hij juist in deze postmoderne epoche, waarin de poëzie licht, open, praatziek is geworden, zich van alle mogelijke registers bedient en zich eigenlijk niks meer lijkt aan te trekken van de traditie, dienst doet als het geweten van de Nederlandse poëzie. Hij is in zekere zin de meest dwarse dichter van Nederland met zijn behoudende en tijdloze repertoire. ‘Voor bijna alles heb ik mij geschaamd’ schrijft hij in het gedicht ‘Levensloop’ maar dan toch niet voor zijn orthodoxe hang-up met dood en verderf. Hij heeft het zelfs over het ‘frisse pessimisme en allesbehalve laffe escapisme’ van de decadenten dat ons zou moeten aanspreken.

Denk overigens niet dat zijn werk in het geheel geen ontwikkeling kent. Aanvankelijk kon je bij hem twee soorten verzen onderscheiden, die over zijn eigen wisselvallige lot en die over de armzalige wereld om hem heen, maar die twee zijn steeds dichter bij elkaar gekomen en in de laatste twee bundels vermengd tot gedichten waarin alles fuseert: verachting en begoocheling, afkeer en schoonheidsbeleving. Met die fascinerende mix is hij de Baudelaire van copyrettes en Vinexwijken.

Menno Wigman verpakt zijn even genadeloze als indringende kijk op onze tijd en maatschappij, ons bloedeigen fin de siècle, in tijdloze taal. Hij is een van de weinige, zo niet de enige bijdetijdse dichter die nog waarlijk iconische gedichten schrijft zonder zich te generen voor vakmanschap en pathetiek. Gefundenes Fressen voor de soms in veel geouwehoer en druktemakerij verdwaalde poëzieliefhebber die wel weer eens een dichtregel wil lezen die hij kan onthouden en citeren.

Zojuist verschenen, en hier te koop: Slordig met geluk, Prometheus, 64 p., € 14,95.