Meer dan vijftig jaar bevindt Max de Jong (1917-1951) zich in de marge van de Nederlandse literatuur op grond van één lang gedicht. Het wachten was op zijn dagboek. Het is nu verschenen, maar het is niet wat men ervan verwachtte.
Omdat Geert van Oorschot het dagboek van Max de Jong met De avonden van Van het Reve en Bij nader inzien van Voskuil tot de drie grote monumenten van de literatuur omstreeks het midden van de vorige eeuw rekende, mag de verschijning van de 848 pagina’s wel een gebeurtenis heten. Van Oorschot kon het tenslotte weten. De Jong was in de jaren veertig een vertrouwde gast bij hem en zijn vrouw, bovendien was hij de uitgever van Heet van de naald, het vermaard geworden uit 91 kwatrijnen bestaande gedicht over een misgelopen liefde. Kennelijk had Van Oorschot iets van het dagboek gelezen. Ook al weigerde de familie al de jaren na De Jongs dood in 1951 het te openbaren, er was een kopie van gemaakt die in 1990 illegaal in een beperkte oplage is uitgegeven. Argument van de familie om het niet te publiceren was dat De Jong het zelf niet zou hebben gewild. En omdat een van de familieleden het te saai vond. Na de helft gelezen te hebben was hij gestopt.

De verwachtingen omtrent het dagboek waren ook gespannen omdat Nico Keuning er uit citeerde in zijn biografie van Max de Jong Altijd het tinnef om je heen (2000). Na het verschijnen van Ik ben een echt genie, de briefwisseling van De Jong met Hans van Straten in 2014, bereikte de hoeveelheid tantaliserend biografisch materiaal zijn grens: nu nog het dagboek en dan was het rond. Daarin zouden bijvoorbeeld details staan over de gang van zaken rond de misgelopen liefde: Neel Wibaut, de Amsterdamse Beatrice, die, nadat ze naar Amerika was verhuisd, werd opgevolgd door haar zus Constance Wibaut, de bekende modeontwerpster en tekenares, aanvankelijk voor Vrij Nederland, daarna voor Elsevier Weekblad.
Door wat we over Max de Jong uit zijn gedichten, brieven en de biografie van Keuning weten is hij een hoogst intrigerende figuur geworden. Maar zijn dagboek levert daarvoor weinig extra materiaal. Het is loei saai. De sarcastische, onbehouwen, cynische, zielige, felle, subjectivistische, over het paard getilde, overgevoelige, gepikeerde, loslippige, vinnige, absolutistische, wandelende chronique scandaleuse is vooral in zijn brieven aan Hans van Straten te vinden. Het dagboek is het huishoudboekje van zijn dagelijkse beslommeringen, besognes en doen en laten met geen of weinig diepgang, inhoud, dichterlijke of persoonlijke substantie. Geen uitweidingen, geen beschouwingen, geen saillante kijk op mensen, maar vooral het dagelijkse gemier en gewanhoop over geldgebrek, werkgebrek, liefdegebrek, rustgebrek en inspiratiegebrek. De boeken die hij leest: hij noemt ze wel, maar zegt er niets over, behalve één zin over Het land van herkomst van zijn voorbeeld Du Perron. Daar kan hij eerst moeilijk doorheen komen, maar dan ineens wordt hij erdoor gegrepen.
Het dagboek is het bijna niet om door te komen verslag van een heroïsche mislukking.
Het dagboek is het bijna niet om door te komen verslag van een heroïsche mislukking. Maar het is nauwelijks heroïsch, ja misschien vanwege alle moeite die hij doet om eens een rustige kamer te krijgen, of een baantje bij een uitgeverij als correcter. De saaiheid wordt maar beperkt gecompenseerd door wat er in saat over het literaire leven in die tijd. Zelf blijft hij literair steken, al moet het oordeel daarvoor nog steeds worden opgeschort omdat we zijn bundel Essays in zakformaat nog niet kennen, indertijd door verschillende uitgevers afgewezen.
In de jaren die het dagboek bestrijkt, 1947-1951, bezoekt De Jong dagelijks het besloten eethuis De Biekorf in Amsterdam. Van dat dagelijkse bezoek doet De Jong steeds verslag, aangekondigd met de afkorting ‘Bk’. Dat verslag kun je zonder schade overslaan. Het is steevast tenminste een halve pagina roddel over wie er waren, hoe ze keken, hoe aardig of onaardig ze tegen hem waren, hoe lang ze bleven, wie met wie misschien iets heeft, met wie hij sprak (niet waarover), dat de eigenaar hem niet zag staan. Dit is een voorbeeld van zo’n dagelijks verslag, 9 november 1949:
‘Er was iets met Carrie. Maar blijven hangen tot ik door Jobs meegenodigd werd. Tussen haakjes. Wim komt bij Jobs op d’r kamer. Bij Carry Cohen met Frieda, Jobs, Jaap, Wim en een vent van Carry. Vent beneden peil. Carry een saai meisje, pas in Amsterdam. Een complete stomvervelende theevisite met mislukte spelletjes en alles. In geen tijden zoiets beleefd. Hele avond verknoeid. Jobs heeft een voorkeur voor Jaap. Alle meisjes hangen aan die getrouwde Jaap. Een lichte afweer van Jobs jegens mij. Trouwens ook een paar snijdende opmerkingen van Jaap mogen incasseren. Met Jobs er heen gefietst en terug naar de stalling gelopen. O ja, Jobs zei dat er twee maal twee mensen weggebleven waren van de Bk. om erotische opmerkingen, die ik over ze gemaakt had, maar dat had Jan Meier gezegd, dus dat doet er niet toe, hij had trouwens niet kunnen zeggen wie. Erger was, dat zowel Frieda als Wim Wimmers me vroegen of Annelies Ehrlich weggebleven was om iets, wat ze met mij had gehad, verzekerd van geen sprake van.’

Met enig gevoel voor het groteske is het mogelijk het leven van De Jong tot tragi-komische proporties op te krikken. Het is absurd hoe de kleinste misère bij hem uitloopt op de totale existentiële wanhoop, op ‘bestaansangst’: een kleermaker die een jasje te krap maakt. Een jas waaraan de riem ontbreekt. Dagen achtereen gaat hij erop uit om een riem te zoeken. Overhemden waar de armen uit vallen. Broeken die afzakken. Steeds maar weer terug naar de kleermaker. Schoenen zonder veters. Het eindeloos zoeken naar een passend matras voor zijn bed, waarbij hij zich meer dan eens laat belazeren. Elke dag wakker worden met de keiharde radio van de buren. Of elke dag wakker worden door het zingen van de buren. Elke dag wakker worden door geblaf van een opgesloten hond. Zijn fiets, waarvan een as gebroken is, gemaakt, maar dan na een dag weer gebroken. Geteisterd worden door straatlawaai, daarna door iemand die de hele en elke dag piano speelt. De hospita die (omdat hij er zelf een zwijnenstal van maakt) zijn kamer laat schoonmaken wanneer hij slaapt. Altijd gedoe met hospita’s, vandaar dat zijn autobiogafie (waarvan alleen fragmenten bestaan, niet gepubliceerd) Mijn hospita’s zou gaan heten.
Om van het bewonen van kamers af te komen gaat hij kijken of hij geen directiekeet kan huren of kopen. Maar geld heeft hij niet, lange tijd ook geen werk. Er staat elke dag wel iets over geen geld hebben in het dagboek. De Jong is de postwissel- en cheques-man: van verschillende kanten krijgt hij van familieleden geld, vooral van zijn tante Mali, in het geheim zijn suikertante genoemd, die hem elke maand geld stuurt, en die hij ook elke maand om meer vraagt in brieven waarmee hij haar probeert te lijmen. De Jong is ook een notoir lener van geld. Tot hij correctiewerk voor de Arbeiderspers gaat doen, en later voor de Wereldbibliotheek, al blijft ook dan de geldnood.
De Jong was niet gespeend van enige zelfkennis. Zo weet hij dat hij er goed in is om op het verkeerde moment verkeerde opmerkingen te maken. Niet dat hij die verkeerde opmerkingen daarna niet meer maakt, maar hij weet het tenminste. Na met iemand een gesprek te hebben gevoerd schrijft hij: ‘Ik zou mezelf niet geweest zijn, als ik me niet een te cru zinnetje had laten ontglippen.’ De Jong had de onweerstaanbare neiging om af te breken, zand in de raderen te gooien, te intrigeren, te verstoren. Wanneer iemand hem sadistisch noemt staat er: ‘Over dat sadisme nog eens nadenken. Noodsadisme.’ Dat is niet slecht gezien: De Jongs aandrang om verkeerde dingen te zeggen is de drang om uit zijn eigen nood te breken door in de aanval te gaan.
Een van de mensen die hij in het eethuis De Biekorf regelmatig spreekt is Gerard van het Reve, vaak in gezelschap van Hanny Michaelis. Met Van het Reve heeft hij iemand die hij niet zo makkelijk kan aanpakken, integendeel, die neemt zelf het initiatief. De Jong schrijft over hem: ‘Die knaap legt het er op toe om me te ridiculiseren, gaat steeds door in de trant van “Wanneer kom je nou in een redactie”?’ Na verloop van tijd raakt De Jong bekend met het ‘verneukeratieve toontje’ van Van het Reve: daar ‘kun je helemaal niets op terug zeggen.’ Dat is zuur voor de man die zelf bekend staat om zijn ‘puntige gezegden’.
Tot de mensen wier naam in het dagboek genoemd worden (maar niet veel meer dan genoemd): Geert van Oorschot, Adriaan Morriën, Louis Lehmann, Hans Gomperts en Gerrit Borgers, behoort ook Willem Frederik Hermans. Ook al is Hermans’ debuut Conserve nog niet verschenen, op grond van een aantal verhalen heeft De Jong vrij snel door dat Hermans kan schrijven en als persoon niet is uit te vlakken. Op 13 april 1948 schrijft hij: ‘In de lift gestaan met W.F. Hermans, hij vroeg wat ik deed, en dus voor de zoveelste keer van AP en Priestley verteld, mijn vastheid van optreden laat tegenover deze knaap altijd weer verstek gaan.’ Merk op dat hij Hermans, net als Van het Reve, een ‘knaap’ noemt.
De Jongs obsessie met vrouwen, zijn ‘polygame ascetisme’, zoals hij het zelf in Heet van de naald passend paradoxaal noemt, neemt heel wat van het dagboek in beslag. Hij is permanent op zoek naar een vrouw, hij beschrijft hoe hij naar ze kijkt, beoordeelt ze, lonkt, noteert hun reacties (vriendelijk, afhoudend, toeschietelijk, afkerig), vraagt ze mee uit, wil ze meenemen naar zijn kamer, soebat eindeloos met ze, en het loopt meestal op niets uit. Vrouwen houden hem vaak op een afstand omdat hij er zo onappetijtelijk uit ziet, en een buik aan het krijgen is. Een bijna dagelijks terugkerende verschijning in het dagboek is Hilly. Die ziet hij in De Biekorf. In al die jaren die het dagboek bestrijkt is er sprake van aantrekken en afstoten tussen die twee, maar ze worden nooit intiem (zijn misschien wel ooit intiem geweest). Mocht er al echt iets tussen Hilly en De Jong zijn (wat niet eens duidelijk wordt), dan zou een verhouding stuklopen op De Jong weigering om te trouwen. Hilly vindt hem zelf ‘te sloom’. Hij op zijn beurt vindt haar ‘te dom’, al probeert ze alles van Shakespeare te lezen.
Om meer kans te maken bij de vrouwen gaat hij op dansles.
De Jongs verhouding tot vrouwen heeft iets van het ‘noodsadisme’ dat hij had ten opzichte van mensen in het algemeen. Alle vrouwen zijn voor hem tweede keus nu hij Neel Wibaut, de vrouw op de achtergrond van Heet van de naald, niet heeft kunnen krijgen. Terwijl hij haar niet eens persoonlijk heeft gekend, alleen gezien (en ‘bespied’) tijdens de zomerkampen van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. Hij stuurt haar in 1939 een aan haar gewijd gedicht dat in het tijdschrift Groot Nederland staat. Zij dankt hem daar voor, maar ze weet niet wie hij is. Hij zoekt ook geen contact met haar. Neel Wibaut staat voor de onbereikbare liefde. Het is niet de bedoeling dat ze echt in zijn leven verschijnt. Dat is anders met haar zus Constance (‘Stans’), met wie hij in 1943 contact zoekt omdat hij wil dat ze een verhaal van hem illustreert. Maar ook om haar te ontmoeten, ook al weet hij dat het tot niets zal leiden. Wanneer hij haar daarna in 1948 toevallig voorbij ziet ‘scheren’ noteert hij: ‘Mijn God, hoe kan ik ooit met Hilletje trouwen in een wereld, waarin Wibauten bestaan.’ Door de afwezigheid van een echte vrouw in zijn leven bleef De Jong hunkeren. Dat werd de basis van een roman over het ‘zonder zitten’ die hij wilde schrijven. Om meer kans te maken bij de vrouwen gaat hij op dansles. Daar doet hij in vele passages in het dagboek minutieus verslag van. Het is bijna een complete cursus tango, rumba, samba en quick-step, afgewisseld met de Weense en Engelse wals.
De schrijver en dichter Max de Jong zitten maar zeer ten dele in het Dagboek. Wil hij uitgroeien tot meer dan de dichter van Heet van de naald, en tot meer dan de flitsende briefschrijver, dan zal er nog meer uit zijn nalatenschap in de openbaarheid moeten komen. Zoals zijn autobiografische aantekeningen Mijn hospita’s, de losse ‘notulen’ van gesprekken en gebeurtenissen waarvan sprake is de biografie van Keuning en de Essays in zakformaat. Ook al zijn die kennelijk niet van het hoogste niveau, uit wat Keuning er over schrijft en wat het dagboek er over meedeelt, met name een essay over Nietzsche, dat eerder in het tijdschrift De nieuwe ploeg van de Wereldbibiotheek heeft gestaan, de moeite waard zijn. Ook een essay over essayistiek en het eerlijke schrijven, getiteld, ‘Een uitstapje naar de begane grond’, wekt nieuwsgierigheid. Max de Jong blijft dus een continuing story.
Dagboek van Max de Jong is uitgegeven door Van Oorschot.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.