Tussen de vele boeken waarin gepleit wordt voor langzamer leven (‘Stil de tijd’, ‘Neem de tijd’, ‘Onthaasting’) valt een boek met een pleidooi voor een mateloos leven natuurlijk op. Maar overtuigt het ook?

Wat is een pruttelkritiek? Dat is een kritiek over een boek met een sympathieke strekking maar waarop je op bijna elke pagina iets hebt aan te merken. Aan een rusteloos aantal uitroeptekens en vraagtekens in de marge geen gebrek. Zoals in mijn exemplaar van het door De Bezige Bij uitgegeven Rusteloosheid. Een pleidooi voor mateloos leven van de Gentse hoogleraar ethiek Ignaas Devisch. Eén zo’n uitroepteken staat bij de amicale manier waarop Devisch het over de zeventiende eeuwse filosoof Blaise Pascal heeft: ‘Geen vrolijke Frans, die Pascal.’ Dat zet niet helemaal de toon, maar toch.

Rusteloosheid is in mensen ingebakken, zeiden Coornhert in de zestiende en Thomas Hobbes in de zeventiende eeuw al. Dat bevestigt Devisch nog maar eens, gesteund door denkers van Pascal tot Freud en van Girard tot Sloterdijk. Anders dan de vele boeken die er nu voor pleiten langzamer te gaan leven, beschouwt Devisch ongedurigheid niet als een probleem, maar juist als een voorwaarde voor het nemen van initiatief en het ontplooien van creativiteit. Je zou kunnen tegenwerpen dat aan het nemen van initiatief en het ontplooien van creativiteit nu niet bepaald gebrek is nu op elke hoek van de straat een bedrijf wordt opgestart en de rat race nog volop gaande is. Maar Devisch kijkt terecht niet alleen naar onze tijd om de waarde van rusteloosheid te onderbouwen. Hij gaat desnoods terug naar de schijnbaar rustige veertiende eeuw om een dynamische koopman op te diepen die er niet genoeg van kon krijgen om zijn bezit te vermeerderen. Ook wil hij daarmee aantonen dat er altijd al ‘iets’ in mensen heeft gezeten dat hen steeds rusteloos vooruit jaagt ‘naar meer en beter.’

Hij stapelt de ene reden op de andere om juist kalmer aan te doen, maar kiest toch voor de dynamiek van het moderne hectische leven.

Deze goed te verdedigen visie op de drijfveren van het bestaan ligt al in de inleiding vast maar wordt pas in het laatste deel van het boek uitgewerkt. Tweederde wordt daardoor besteed aan de verklaring van de moderne rusteloosheid. Dat neemt heel wat ruimte in beslag en daarin herhaalt Devisch zich mateloos. Hij stapelt de ene reden op de andere om juist kalmer aan te doen, maar kiest toch, bijna tegen beter weten in, voor de dynamiek van het moderne hectische leven. Wanneer Devisch schrijft ‘Zo vormen we lange rijen om nieuwe versies van bepaalde producten te kopen of “limited editions” te bemachtigen’, dan is dit geen extreem voorbeeld van onzinnige rusteloosheid. Dit hoort erbij, al lijkt het er op of Devisch het ook wel een beetje overdreven vindt. Dat ‘iets’ in onszelf dat ons voortjaagt op jacht naar meer en beter, zorgt er bij Devisch op andere plaatsen voor dat we ons ‘voorbijlopen.’

Er waart veel ambivalentie door het boek. Devisch geeft veel voorbeelden van het te veel, maar trekt er geen consequenties uit. Zo is het niet zeker of er enige kritiek meespeelt wanneer Devisch het heeft over de ‘mimetische begeerte’ van René Girard, de Franse filosoof die beweert dat ons verlangen zich altijd spiegelt aan anderen. Met andere woorden: we zijn voortdurend aan het imiteren. Dat is tot op zekere hoogte zeker het geval, maar ook in de mate waarin Devisch meegaat met Girard? Die imitatie van anderen houdt bijvoorbeeld in dat ‘we met elkaar concurreren om liefde, om “likes” op Facebook en “volgers” op Twitter of op andere fora.’ Is dit niet iets speciaal voor pubers? Dat imiteren betekent ook dat we ‘veel zaken nastreven zonder dat we ze nodig hebben.’ Zelfs onze identiteit wordt volgens Devisch door anderen bepaald. Zelfs zo dat we zelf niets zijn: ‘Niet zozeer wie of wat we zijn doet ertoe, maar wie we zijn in verhouding tot anderen.’

Zo ondermijnt Devisch zijn eigen pleidooi door argumenten aan te dragen om niet mee te gaan met de grenzeloze en rusteloze drang om steeds iets anders, nieuws, hogers, meer en beters te willen. Het ‘multitasken’ kan alleen maar tot overspannenheid leiden, de ‘keuzestress’ kan alleen leiden tot helemaal geen keuze meer willen maken. Alle moderne fenomenen ondergraven zeker voor de helft het pleidooi voor mateloos leven: de ‘versnelling’ van alles lokt uit tot meer en te veel doen in dezelfde tijd. De ‘secularisatie’(dat er geen hiernamaals is en dat alles in dit ene leven moet gebeuren), lokt ertoe uit om alles in dit ene leven te proppen. De ‘individualisering’ betekent dat je vooral uit jezelf (en niet uit anderen) moet halen wat er in zit. ‘Zelfrealisatie’ wordt zo’n onrustig dwingende eis dat de hulp van welke mindsetter dan ook wordt ingeroepen. Allemaal plausibele argumenten om niet al te zeer mee te doen aan de race.Maar hoe verhoudt zich dit dan tot het individualisme van de moderne tijd waar Devisch zoveel werk van maakt? Je kunt niet goed een individu zijn door alleen te zijn wat je in anderen ziet. En wat met de ‘rusteloosheid’ die volgens Devisch alles te maken heeft met ‘de drang iemand te zijn.’ ‘Iemand’ wil zeggen: niet iemand anders. En wat met de ‘moderniteit’, waarvan Devisch zegt dat het gelijk staat aan ‘het idee dat we zelf betekenis geven aan de wereld en niet langer ons lot willen ondergaan.’ ‘Zelf betekenis geven’ wil zeggen: dat je die betekenis niet door anderen laat bepalen.

Thomas Hobbes

Devisch laat in zijn betoog een groot aantal denkers langskomen die iets bijdragen aan zijn beschrijving en analyse van de rusteloosheid. Zo ook Thomas Hobbes, de schrijver van Leviathan, het boek uit 1651 over de vorm en macht van de kerkelijke en wereldlijke staat. Devisch’ lectuur van het boek is wel een heel bijzondere. Het is begrijpelijk dat hij Hobbes als een medestander ziet omdat voor Hobbes de mens een en al onrust was (‘de mens is de mens een wolf’), maar Hobbes zou volgens Devisch ook een pleitbezorger zijn van grenzeloze vrijheid: ‘Iedereen heeft de vrijheid om een leven naar eigen wens en voorkeur op te bouwen’ parafraseert Devisch uit Hobbes’ boek. Maar zo staat het er niet bij Hobbes. Bij Hobbes heeft de mens zijn vrijheid voor het grootste deel juist uitbesteed aan de absolute heerser. In wat er over is (dat wat ‘de soeverein bij het opstellen van regels (…) buiten beschouwing heeft gelaten’) is hij vrij. Maar dat betekende zeker niet dat Hobbes zorgde voor ‘een bestaan zonder grenzen’, integendeel. In werkelijkheid maakten in zijn tijd het geloof, de clerus en de staat de almachtige dienst uit. Devisch schrijft desondanks dat ‘de mogelijkheden eindeloos’ waren in de zeventiende en achttiende eeuw. De ‘mogelijkheden eindeloos’? Er was een Franse Revolutie nodig om iets van die mogelijkheden te scheppen. En dat betekende nog allerminst dat het inrichten van de wereld ‘de zaak van de mens zelf’ was geworden, zoals Devisch schrijft. En dat de wereld toen werd ‘wat de mens ervan maakt.’ Dat duurde nog wel even.

Devisch laat zich regelmatig verleiden tot interessant ogende zinnen die nergens op slaan.

Devisch laat zich regelmatig verleiden tot interessant ogende zinnen die nergens op slaan. Zoals: ‘De mens wordt heen en weer geslingerd tussen rust en verveling.’ Hij heeft ook de sterke neiging om te generaliseren en iedereen overal bij te betrekken, ook al voel je je in de verste verte niet betrokken: ‘Kortom, mensen blijven steeds verlangen naar iets anders. Op het moment dat ze iets hebben verworven, zijn ze alweer op zoek naar het volgende .’ Devisch trekt uit deze banaliteit niet de conclusie uit zijn ‘pleidooi voor een mateloos leven’ door zo’n observatie niet bepaald wordt ondersteund. Wat moeten we met ‘mateloosheid’ als het om mensen gaat die de waarde van iets niet meer inzien omdat ze al naar het volgende verlangen? Dat zou een pleidooi voor hersenloosheid zijn.

Rusteloosheid. Pleidooi voor een mateloos leven van Ignaas Devisch is uitgegeven door De Bezige Bij.