Aan het einde van haar boek The Monarchy of Fear. A Philosopher looks at our Political Crisis legt Martha Nussbaum haar kaarten op tafel, zoals ze het zelf noemt. Op dat moment heeft ze zich als filosoof al meer dan tweehonderd pagina’s beziggehouden met de politieke crisis in Amerika en de wereld. Het is tijd om het boek hoopvol af te sluiten. Dat is kenmerkend voor de Nussbaum van de laatste jaren: vanuit haar positie als filosoof die enige afstand heeft genomen, de mensheid de goede weg wijzen.
Nussbaum is steeds meer een nudger geworden: na omstandige analyses van verschijnselen geeft ze duwtjes in de goede richting. In het geval van de kaarten die ze op tafel legt, gaat het om haar voorstel om een nationale dienstplicht (national service) van drie jaar voor jongeren in Amerika in te stellen. Amerikanen ontbreekt het namelijk aan ‘a sense of the common good.’ Vandaar. ‘Ze denken te vaak in narcistische termen: in wat is goed voor mij en mijn familie.’
De Amerikaanse zin voor vrijheid is zo radicaal dat men bij het begrip ‘nationale dienstplicht’ onmiddellijk naar zijn geweer grijpt.
‘very compelling idea’
Een nationale dienstplicht in Amerika van maar liefst drie jaar moet ervoor zorgen dat ‘many essential services’ blijven bemand bij een regering die zich alleen maar terugtrekt, zoals bij de ouderenzorg, de infrastructuur en de kinderverzorging. De gedachte er achter is dat Amerikanen zich ook bewust worden van de diversiteit aan mensen in hun land: ‘We live apart from one another.’ Nussbaums bedoeling is dat de jongeren met alle soorten mensen, rangen en standen kennismaken en ook in steden en gebieden terechtkomen waar ze anders nooit zouden opduiken. Een miljonairszoontje kan dan zomaar in een achterstandswijk belanden. Wat nog niet zo gek is. Ook zou elke burger iets van zijn werk en tijd aan zijn land schuldig zijn.
Zelf vindt Nussbaum het een ‘very compelling idea’, maar het is een volslagen onrealistisch gedachte. De Amerikaanse zin voor vrijheid is bij ongeveer de helft van de Amerikanen (globaal de Trumpstemmers) zo radicaal dat men bij het begrip ‘nationale dienstplicht’ onmiddellijk naar zijn geweer grijpt, hoe positief men ook over het begrip ‘nationaal’ denkt.

Nussbaum maakt die dienstplicht tot een onderdeel van haar nieuwste idee: ze bedacht ‘schools of hope’ waar ‘practices of hope’ worden beoefend. Bij ‘schools of hope’ moet men denken aan de kunsten, vooral aan poëzie en muziek. En aan ‘kritisch denken’ in scholen, universiteiten en volwassen discussieclubs. En ook aan ‘religieuze groepen voor zover ze liefde en respect praktiseren voor anderen.’ En aan ‘solidarity groups’, die zich toeleggen op het rechtvaardiger maken van de samenleving op een geweldloze en ‘dialogical way.’
Elk van deze ‘scholen’ ‘bevat een enorm potentieel voor een hoopvolle toekomst,’ schrijft Nussbaum. Ze is zich er kennelijk niet van bewust dat ze alleen maar een suggestief etiket (‘schools of hope’) plakt op iets dat misschien helemaal niet zo met ‘hoop’ bezig is. Gewoon nuttig en creatief werk wordt door haar ineens in de wereld van de hoop, de metafysica en de religie getrokken. Het beoefenen van een kunst, het schrijven van gedichten, het componeren van muziek is ineens een ‘practice of hope.’
De ‘hoopscholen’ duiken op nadat Nussbaum wel eerst de ‘angst’ tot de allesbepalende emotie in Amerika heeft verklaard. Zoals gebruikelijk laat Nussbaum niet na om het idee dat angst Amerika heeft overspoeld te onderbouwen met een psychologische verantwoording. Die gaat ver terug: wij worden al angstig geboren. Angstig én hulpeloos. Deze virulente combinatie zorgt ervoor dat wij als baby noodzakelijk absolutistische monarchen zijn die maar hoeven te krijsen of ze worden voorzien van eten, drinken en complete verzorging. Ouders zijn slaven van deze tierende en krijsende monarchjes.
Nussbaum wil eenvoudig de knop omdraaien en angst vervangen door hoop: ‘to flip the switch from fear to hope.’
Angst wordt kwaadheid
Opvoeding en culturele ontwikkeling zouden deze toestand in mildere banen moeten leiden, maar er blijft veel van hangen. Zoveel dat het Nussbaum tot de generalisatie ‘America is an angry country’ brengt. Angst wordt vaak omgezet in kwaadheid. Anderen krijgen daarvoor al gauw de schuld en dan ontstaan zondebokken. Mannen verwijten vrouwen van alles, en vrouwen mannen. De moslims hebben het gedaan of immigranten verwijten de regering dat ze in onzekerheid leven. De armen kunnen de rijken niet uitstaan omdat ze de kloof tussen mensen onoverbrugbaar te maken. Dit gebeurt allemaal op een hysterische manier, volgens Nussbaum, ‘fear-driven’, gedreven door angst.
Dit mag allemaal waar zijn omdat we genoeg taferelen hebben gezien van schreeuwende en tierende mensen (vooral tijdens de Amerikaanse verkiezingscampagne in 2016), maar voor hetzelfde geld kun je zeggen dat het niet angst is die deze hysterie voorbrengt, maar juist zelfvertrouwen, gesteund door de helft van het land en door rechtse kranten, internetsites en nieuwszenders, van Vox tot Breitbart. Dat allerlei kleine en grote angsten dagelijks een rol spelen in het leven zal niemand ontkennen, maar Nussbaum maakt er, net als van de hoop, een vaag metafysisch begrip van door het ‘ubiquitous’, alomtegenwoordig, te maken.
Angst kan heel rationeel zijn omdat er concrete aanleiding voor is. Angst kan irrationeel zijn omdat er te vage aanwijzingen zijn, in de sfeer van vermoedens. Angst heeft ook goede kanten wanneer hij voorkomt dat iets verkeerd lijkt te gaan. Nussbaum gebruikt een combinatie van de eerste twee, waardoor de angst voor een groot deel in de lucht hangt. Deze vage angst, die algeheel zou heersen, heeft ze nodig om des te meer werk te maken van de hoop. Nu iedereen ten prooi is aan angst moet men volgens Nussbaum eenvoudig de knop omdraaien en angst vervangen door hoop: ‘to flip the switch from fear to hope.’ Alsof dat psychologisch zo eenvoudig zou zijn als er werkelijk sprake is van angst.
De ‘schools op hope’ van Martha Nussbaum zijn een veel te dramatische en sentimentele aanduiding voor waar ze voor staan.
Selectief en exclusief
Op de achtergrond van alles wat Nussbaum in The Monarchy of Fear schrijft heeft zij Gandhi, Nelson Mandela en Martin Luther King Jr. geposteerd als de leidsmannen voor haar ‘politiek van de hoop.’ De hoop van deze voorbeelden, die daarvoor hebben betaald met een dramatisch leven, was een onderdeel van hun concrete strijd: de hoop op een bepaalde uitkomst voor hun land en zwarte bevolkking. De ‘schools op hope’ van Martha Nussbaum zijn, in vergelijking daarmee, een veel te dramatische en sentimentele aanduiding voor waar ze voor staan. Die hebben die vage hoop niet nodig om hun concrete werk te doen.
Dat Martin Luther King het in zijn speeches over hoop had, is inhoudelijk en retorisch heel begrijpelijk: om zijn toehoorders te inspireren en niet op te geven. Maar hoopretoriek moet selectief en exclusief zijn, en niet worden toegepast, zoals bij Nussbaum, op het beoefenen van de zachte kunsten, het aanhangen van een geloof, protestbewegingen ondersteunen of de Socratische dialoog beoefenen door de tegenstander aan het woord te laten.
De stap terug die een filosoof volgens Martha Nussbaum moet doen om van enige afstand alles waar te nemen, verruilt zij zelf steeds vaker voor het activistisch bedenken van niet meer dan suggestieve ideeën, zoals de ‘schools of hope.’ Om toch vooral niet wereldvreemd te zijn.
The Monarchy of Fear. A Philosopher looks at our Political Crisis door Martha C. Nussbaum is uitgegeven door Simon & Schuster en wordt geïmporteerd door Van Ditmar. De vertaling verschijnt in oktober bij Atlas Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.