Waarom laat ik me de mond snoeren door mannen die van niets weten, vroeg de Amerikaanse schrijfster Rebecca Solnit zich af in een baanbrekend essay. Nu is het voor het eerst in het Nederlands vertaald.

Lees ookMansplainers, leg liever dingen uit aan jullie kleuterdochters8 maart 2017Ik heb nog steeds geen idee waarom Sallie en ik naar dat feestje gingen in het bos boven Aspen. Alle gasten waren op een stijlvolle manier saai en ouder dan wij, zo oud dat wij als veertigers doorgingen voor de jongedames van het gezelschap. Het huis – een rustieke luxehut op zevenentwintighonderd meter hoogte, met elandgeweien, een houtkachel en overal kelims – was fantastisch, als je van Ralph Lauren-achtige chalets houdt. We stonden op het punt te vertrekken toen onze gastheer zei: ‘Nee, blijf nog even, ik wil met jullie praten.’ Het was een imposante man met veel geld.

Terwijl de andere gasten verdwenen in de zomernacht liet hij ons wachten, tot hij met ons aan zijn authentieke massief houten tafel ging zitten en tegen me zei: ‘Zo… Ik begrijp dat je een paar boeken hebt geschreven?’

‘Behoorlijk wat, eigenlijk,’ antwoordde ik.

Op een toontje waarmee je de zevenjarige dochter van je vriendin naar haar fluitlessen vraagt, vervolgde hij: ‘En waar gaan die zoal over?’

De zes of zeven boeken die op dat moment waren verschenen, gingen over van alles en nog wat, maar ik begon hem, op die zomerdag in 2003, te vertellen over het meest recente, River of Shadows. Eadweard Muybridge and the Technological Wild West, dat gaat over het verdwijnen van tijd en ruimte en de industrialisering van het dagelijks leven.

Zodra ik Muybridge had genoemd, onderbrak hij me. ‘Ah, wist je al dat er dit jaar een héél belangrijk boek over Muybridge is verschenen?’

Ik ging zo op in de mij toegewezen rol van groentje dat ik best wilde geloven dat er (misschien) nóg (wel) een boek over hetzelfde onderwerp was verschenen en dat ik dat op de een of andere manier had gemist. Hij begon te vertellen over dat héél belangrijke boek – met de zelfgenoegzame blik die ik maar al te goed ken van mannen die graag lang uitweiden, starend naar de vage verre horizon van hun eigen autoriteit.

Laat ik hier wel even melden dat mijn leven is bezaaid met geweldige mannen, zoals de talloze redacteuren die me sinds mijn jonge jaren hebben aangehoord, aangemoedigd en gepubliceerd, mijn grenzeloos lieve jongere broer en mijn fantastische vrienden die, net zoals de klerk uit De Canterbury-verhalen die ik me nog herinner van meneer Pelens lessen over Chaucer, ‘zelf graag iets leren en anderen graag iets leren’.

Toch zijn er ook die andere mannen. Zoals meneer Heel Belangrijk, die zelfgenoegzaam zat te brallen over dat boek dat ik had moeten kennen, totdat Sallie hem onderbrak en zei: ‘Maar dat is haar boek.’ Of in elk geval probeerde dat te zeggen.

Hij ging onverstoorbaar verder. Ze moest wel drie, vier keer herhalen dat het mijn boek was voordat het eindelijk tot hem doordrong. En toen trok hij wit weg, als in een negentiende-eeuwse roman. Dat ik echt de schrijfster was van dat heel belangrijke boek dat hij uiteindelijk niet eens bleek te hebben gelezen, maar waar hij een paar maanden eerder in de New York Times Book Review een artikel over had gezien, viel zo moeilijk te rijmen met de keurige hokjes waarin hij zijn wereld had onderverdeeld dat hij sprakeloos was – heel even, en daarna begon hij weer lekker lang uit te weiden. We waren nu eenmaal vrouwen, dus wachtten we beleefd tot we buiten gehoorsafstand waren voordat we hard begonnen te lachen – wat we zijn blijven doen.

Hun laatdunkendheid traint vrouwen in zelftwijfel en sterkt mannen in hun ongefundeerde zelfoverschattingIk hou wel van zulke voorvallen, waarbij geniepige en moeilijk aantoonbare krachten ineens onder het gras vandaan komen en zo duidelijk worden als bijvoorbeeld een anaconda die een koe heeft verorberd of een olifantendrol op het tapijt.

Zwijgen is instemmen?

Natuurlijk, mensen die op feestjes langdurig uitweiden over futiliteiten of complottheorieën zijn van beide geslachten, maar het ongebreidelde, confronterende zelfvertrouwen van volkomen onwetenden is in mijn ervaring geslachtsbepaald. Mannen leggen me altijd alles uit, mij en andere vrouwen, ongeacht of ze weten waar ze het over hebben. Sommige mannen.

Iedere vrouw begrijpt wat ik bedoel. Het is de laatdunkendheid van mannen die lastig kan zijn voor vrouwen in allerlei sectoren, die vrouwen ervan weerhoudt zich uit te spreken en van zich te laten horen, als ze dat al zouden durven, die jonge vrouwen de mond snoert door ze – zoals bij intimidatie op straat – het gevoel te geven dat dit niet hun wereld is. De laatdunkendheid van mannen die vrouwen traint in zelftwijfel en zelfbeperking en mannen sterkt in hun ongefundeerde zelfoverschatting.

Het zou mij niet verbazen als de Amerikaanse politieke ontwikkelingen sinds 2001 deels te maken hebben met een daarmee samenhangende soort ‘doofheid’, zoals bijvoorbeeld jegens Coleen Rowley, de FBI-medewerkster die al in een vroeg stadium waarschuwde voor Al-Qaeda. Al luisterde de regering-Bush eigenlijk nérgens naar, ook niet naar de beweringen dat Irak geen banden met Al-Qaeda had, net zomin als massavernietigingswapens, of dat de oorlog geen ‘makkie’ zou zijn. (Zelfs mannelijke experts wisten niet door te dringen tot dit fort van zelfgenoegzaamheid.)

Bij die oorlog speelde arrogantie misschien een rol, maar de oorlog waar ik het over heb, is een oorlog die bijna iedere vrouw dagelijks voert met zichzelf en het idee dat ze overbodig is, een oorlog die haar haar stem afneemt en waar zelfs ik, ondanks een vrij geslaagde carrière als schrijfster (die uitgebreid onderzoek doet en feiten natrekt), nog last van heb. Uiteindelijk liet ik Meneer Belangrijk met zijn protserige zelfvertrouwen immers toch over mijn minder stevige zelfverzekerdheid walsen.

Vergeet niet dat ik veel meer bevestiging heb gekregen van mijn recht om te denken en spreken dan de meeste vrouwen. En dat ik heb geleerd dat de nodige zelftwijfel juist helpt om te kunnen begrijpen, verbeteren, luisteren en ontwikkelen, hoewel te veel zelftwijfel verlammend werkt en mensen die blaken van zelfvertrouwen arrogante idioten zijn. Tussen die twee polen bestaat een mooie middenweg waar de seksen naartoe worden gedreven, een gastvrije evenaar van geven en nemen, waar we allemaal zouden moeten samenkomen.

Extremere versies van onze situatie bestaan bijvoorbeeld in landen in het Midden-Oosten, waar de getuigenis van een vrouw geen juridische waarde heeft, waardoor een vrouw niet kan getuigen dat ze is verkracht als er geen mannelijke getuige is om de mannelijke verkrachter te weerspreken. En die is er zelden.

Geloofwaardigheid is een essentieel overlevingsmiddel. Toen ik nog jong was en net begon te begrijpen waar feminisme over ging en waarom het nodig was, had ik een vriendje met een oom die kernfysicus was. Tijdens een kerstfeest vertelde die man – alsof het iets luchtigs en grappigs was – dat de vrouw van een buurman uit zijn wijk vol bomproducenten ooit midden in de nacht naakt haar huis uit was gerend, gillend dat haar man haar probeerde te vermoorden. Maar, vroeg ik, hoe wist u dat dat niet waar was? Waarop hij geduldig begon uit te leggen dat het om keurige middenklassers ging en het dus simpelweg onmogelijk was dat haar man haar probeerde te vermoorden. Het leek hem waarschijnlijker dat ze niet goed snik was.

Zelfs het laten opleggen van een straatverbod – een betrekkelijk recente juridische mogelijkheid – vergt genoeg geloofwaardigheid om de rechtbank ervan te overtuigen dat een of andere vent een bedreiging vormt, en vervolgens mag je hopen dat het door de politie wordt gehandhaafd. Een straatverbod werkt meestal trouwens toch niet.
Geweld is een manier om mensen het zwijgen op te leggen, ze hun stem en geloofwaardigheid te ontnemen en jezelf te doen gelden als degene die over hun bestaansrecht beslist. Elke dag worden er in de Verenigde Staten ongeveer drie vrouwen vermoord door hun echtgenoot of ex-echtgenoot, en het is een van de voornaamste doodsoorzaken onder zwangere vrouwen. Aan de basis van de strijd van feministen om verkrachting, huiselijk geweld en seksuele intimidatie op het werk wettelijk te erkennen als misdaad, ligt de noodzaak om vrouwen geloofwaardigheid te geven en te zorgen dat ze gehoord worden.

Vrouwen werd pas echt de status van mens toegekend toen de ernst van geweld tegen hen werd ingezienVolgens mij werd vrouwen pas echt de status van mens toegekend toen de ernst van het geweld tegen hen werd ingezien, toen de grote dingen die hen tegenhouden en vermoorden juridisch werden aangepakt, vanaf halverwege de jaren zeventig – lang na mijn geboorte dus. En wie wil stellen dat seksuele intimidatie op de werkvloer niet een zaak is van leven of dood, moet bedenken dat de Amerikaanse marinier Maria Lauterbach op haar twintigste waarschijnlijk is vermoord door een hoger geplaatste collega, op een winteravond, vlak voordat ze zou gaan getuigen dat hij haar had verkracht. De verkoolde resten van haar zwangere lichaam werden gevonden op de vuurplaats in zijn achtertuin.

Constant beweren dat hij weet waar hij het over heeft en zij niet, al is het maar terloops, laat het lelijke in deze wereld voortbestaan en verduistert het licht. Na de verschijning van mijn boek Wanderlust in 2000 merkte ik dat ik me minder snel liet wegpesten van mijn eigen interpretaties en waarnemingen. Rond die tijd heb ik me ook tweemaal verzet tegen het gedrag van een man, om vervolgens alleen maar te horen te krijgen dat de gebeurtenissen heel anders waren gelopen dan ik beweerde en dat ik subjectief, oneerlijk, te fantasierijk en overspannen was – oftewel: een vrouw.

Meestal zou ik zijn gaan twijfelen aan mezelf en me hebben ingehouden, maar met mijn publieke status en aanzien als geschiedschrijver durfde ik voet bij stuk te houden. Helaas krijgen maar weinig vrouwen zo’n oppepper en moeten er miljoenen vrouwen op onze planeet rondlopen die wordt verteld dat ze geen betrouwbare getuige zijn van hun eigen leven en geen gebruik mogen maken van de waarheid, nu niet en nooit niet. Dat gaat verder dan Uitleggerige Mannen, maar behoort wel tot dezelfde archipel van arrogantie.

Mannen blijven me alles uitleggen, nog steeds. En geen enkele man heeft ooit zijn excuses aangeboden voor het onterecht uitleggen van dingen waar ik verstand van had en hij niet. Maar volgens de statistieken heb ik misschien nog een jaar of veertig te leven, dus wie weet. Al ga ik niet wachten tot ik een ons weeg.

Vrouwen vechten op twee fronten

Een paar jaar na die idioot in Aspen was ik in Berlijn om een lezing te geven; de marxistische schrijver Tariq Ali nodigde me uit voor een diner met een mannelijke schrijver, een vertaler en drie wat jongere vrouwen, die nogal mak waren en vrijwel het hele diner hun mond hielden. Tariq was geweldig. Misschien was de vertaler niet blij met mijn aandeel in het gesprek, maar toen ik vertelde hoe Women Strike for Peace, een bijzondere maar weinig bekende in 1961 opgerichte beweging tegen kernwapens en oorlog, had geholpen bij het uitschakelen van de communistenjagers van de House Committee on Un-American Activities (HUAC), haalde meneer Heel Belangrijk naar me uit. HUAC bestond begin jaren zestig niet eens, beweerde hij stellig, en dat een vrouwengroep zo’n belangrijke bijdrage had geleverd aan de ondergang van HUAC was sowieso onzin. Hij zei het met zo’n diepe minachting en agressieve zelfverzekerdheid dat erop ingaan me een angstwekkende oefening in zinloosheid en een uitnodiging tot meer beledigingen leek.

In die tijd had ik denk ik een boek of negen geschreven, een ervan deels gebaseerd op verslagen uit de eerste hand en interviews met een vooraanstaand lid van Women Strike for Peace. Maar uitleggende mannen denken nog altijd dat ik een leeg vat ben dat moet worden gevuld met hun kennis en wijsheid, om het maar even met een lichtelijk obscene metafoor te zeggen. Een freudiaan weet vast wat zij hebben en ik niet, maar intelligentie zit niet in je kruis, zelfs niet als je een lange melodische zin van Virginia Woolf over de haast ongemerkte onderwerping van vrouwen met je piemel in de sneeuw zou kunnen schrijven. Terug in mijn hotelkamer deed ik op internet wat speurwerk en ontdekte dat Eric Bentley in zijn doorslaggevende geschiedenis van de House Commitee on Un-American Activities de groep Women Strike for Peace verantwoordelijk houdt voor het ‘uitdelen van de genadeslag bij de ondergang van HUACs fort’. Begin jaren zestig.

Dus begon ik een essay (over Jane Jacobs, Betty Friedan en Rachel Carson) voor The Nation met dit voorval, deels als sneer naar een van de onaangenaamste mannen die me ooit dingen heeft uitgelegd. Gast, mocht je dit lezen: je bent een puist op het gezicht van de mensheid en een obstakel voor de beschaving. Ga je schamen.

De strijd met Mannen die Alles Uitleggen heeft veel vrouwen platgewalst, uit mijn generatie en de aankomende generatie, die we juist zo hard nodig hebben, hier en in Pakistan en Bolivia en Java, om nog maar te zwijgen van de talloze vrouwen die me voorgingen en die niet eens werden toegelaten tot het laboratorium, de bibliotheek, het gesprek, de revolutie of zelfs maar de categorie ‘mens’.

Women Strike for Peace was opgericht door vrouwen die er genoeg van hadden koffie te zetten of het typewerk te doen, zonder stem of zeggenschap in de beweging tegen kernwapens van de jaren vijftig. De meeste vrouwen vechten oorlogen uit op twee fronten: de eerste op het terrein van het onderwerp dat aan de orde is, de tweede om zich simpelweg te mogen uiten en ideeën te hebben, te worden beschouwd als iemand die feiten en waarheden kent, waarde te hebben, een mens te zijn. Het gaat al beter, maar deze oorlog zal nog tot na mijn dood voortduren. Ik blijf vechten, voor mezelf natuurlijk, maar ook voor alle jongere vrouwen die iets te zeggen hebben, in de hoop dat ze het op een dag vrijuit ten gehore kunnen brengen.

Postscriptum

Tijdens een etentje in maart 2008 zei ik grappend, zoals ik al veel vaker had gedaan, dat ik een essay ging schrijven met als titel ‘Mannen leggen me altijd alles uit’. Iedere schrijver heeft een stal vol ideeën die nooit op de renbaan belanden en het was niet de eerste keer dat ik puur voor de lol met deze pony aan de wandel ging. Mijn gast, de briljante theoretica en activiste Marina Sitrin, drong erop aan het te schrijven opdat mensen zoals haar jongere zus Sam het zouden kunnen lezen. Om jonge vrouwen te laten inzien dat gekleineerd worden niet het gevolg is van hun eigen geheime gebreken, maar van de oude, vertrouwde genderstrijd, en dat het de meeste vrouwen op een zeker moment in hun leven overkomt.

Gekleineerd worden was een ervaring waar een vrouw zelf voor koos. Het was allemaal haar eigen schuldDe volgende morgen zette ik het in één ruk op papier. Wanneer iets er zo snel uit komt, heeft het al sinds langere tijd ergens in het achterhoofd vorm gekregen. Het wilde gewoon geschreven worden, verlangde ongeduldig naar de renbaan en galoppeerde naar buiten zodra ik achter de computer ging zitten. Omdat Marina in die tijd langer uitsliep dan ik, serveerde ik het haar bij wijze van ontbijt, en stuurde het later die dag naar Tom Engelhardt bij TomDispatch, die het algauw online zette. Het verspreidde zich in rap tempo, zoals meestal met essays op Toms site, en dat doet het nog steeds, mensen blijven het plaatsen en delen en becommentariëren. Niet eerder is werk van mij zo intensief gebruikt. Het raakte een gevoelige snaar.

Sommige mannen gingen uitleggen dat het eigenlijk geen genderbepaald fenomeen is dat mannen dingen aan vrouwen uitleggen. Waarna vrouwen er vaak op wezen dat mannen die erop hamerden dat ze het recht hebben ervaringen van vrouwen weg te wuiven, doorgingen met het uitleggen van dingen op precies de manier die ik bedoelde. (Voor de duidelijkheid, ik geloof zeker dat ook vrouwen dingen op neerbuigende wijze kunnen uitleggen aan mannen. Maar dat is niet representatief voor het enorme machtsverschil dat nog veel macabere vormen kan aannemen, of voor het wijdverbreide patroon van hoe gender werkt in onze maatschappij.)

Andere mannen begrepen het wel en reageerden goed. Het essay was tenslotte geschreven in een tijd waarin mannelijke feministen echt begonnen mee te tellen en het feminisme leuker was dan ooit, ook al zagen sommige mensen zelf niet hoe leuk ze waren. In 2008 kreeg ik bij TomDispatch een e-mail van een oudere man uit Indianapolis om me te laten weten dat hij ‘nog nooit een vrouw tekort had gedaan op het werk of in de privésfeer’, waarna hij me verweet dat ik niet met ‘normale mannen’ omging of in elk geval ‘mijn huiswerk niet goed had gedaan’. Vervolgens gaf hij me nog advies over hoe te leven en wijdde hij uit over mijn ‘minderwaardigheidscomplex’. Volgens hem was gekleineerd worden een ervaring waarvoor een vrouw zelf koos en kon ze er ook voor kiezen die niet te hebben, het was allemaal mijn eigen schuld.

De website ‘Academische mannen leggen me altijd alles uit’ werd opgezet en honderden universitaire vrouwen deden hun verhaal over hoe ze werden gekleineerd, bevoogd, besproken enzovoort. De term ‘mansplaining [een samentrekking van het Engelse ‘man en ‘explaining] werd kort daarna gelanceerd en soms aan mij toegeschreven. Maar in feite heb ik die niet bedacht; mijn essay en alle mannen die de term belichaamden dienden kennelijk als inspiratie. (Ik heb zo mijn twijfels over het woord en gebruik het zelf vrijwel nooit; volgens mij wekt het iets te veel de indruk dat het gaat om een aangeboren afwijking van mannen, in plaats van dat sommige mannen onnodig van alles uitleggen en tegelijkertijd niet horen wat ze moeten horen. Mocht het in mijn stuk niet duidelijk genoeg zijn: ik vind het fantastisch als mensen me dingen uitleggen die me interesseren en waar ze meer verstand van hebben dan ik, het gaat pas mis als ze me dingen uitleggen waar ze geen verstand van hebben en die ik al weet.)

In 2012 maakte de term ‘mansplained, volgens The New York Times een van de beste woorden van het jaar 2010, zijn entree in de mainstream politieke journalistiek. Helaas mede door ontwikkelingen in de actualiteit: TomDispatch plaatste ‘Mannen leggen me altijd alles uit opnieuw in augustus 2012 en min of meer tegelijkertijd maakte de Republikeinse afgevaardigde Todd Akin zijn beruchte opmerking dat abortus niet nodig is voor verkrachte vrouwen omdat ‘vrouwen bij een daadwerkelijke verkrachting manieren hebben om de hele boel beneden af te sluiten. Het werd een gepeperde verkiezingstijd met allerlei onjuiste en bizarre pro-verkrachtingbeweringen van mannelijke conservatieven. En met wat zout erbij dankzij feministen die uiteenzetten waarom het feminisme noodzakelijk is en waarom zulke mannen zo eng zijn. Het deed me goed een van de stemmen te zijn in dat gesprek; mijn stuk kende een enorme opleving.

Gevoelige snaren: mijn essay waart nog steeds rond. Het punt dat ik wilde maken, was nooit dat ik me meer onderdrukt voel dan anderen. Ik wilde alleen laten zien dat dit soort gesprekken het smalle uiteinde kunnen zijn van een wig waarmee ruimte wordt gecreëerd voor mannen, die van vrouwen wordt afgenomen, ruimte om te spreken, gehoord te worden, rechten te hebben, deel te nemen, gerespecteerd te worden, een volledig en vrij mens te zijn. Dat zulke gesprekken een manier zijn om met beleefde woorden macht uit te drukken, dezelfde macht die met onbeleefde woorden of fysieke daden van intimidatie en geweld, en vaak zelfs door hoe de wereld in elkaar zit, vrouwen het zwijgen oplegt, ze uitwist en wegvaagt als gelijken, als deelnemers, als mensen met rechten en veel te vaak als levende wezens.

De strijd van vrouwen om te worden behandeld als mensen met het recht om te leven, vrij te zijn en mee te spelen in de culturele en politieke arena gaat voort, en soms is het een behoorlijk grimmige strijd. Ik was zelf verrast toen ik mijn essay schreef, dat begon met een grappig incident en eindigde met verkrachting en moord. Het drong tot me door dat klein maatschappelijk leed tot hetzelfde geheel behoort als gewelddadig het zwijgen opleggen en bruut doden (en ik denk dat we vrouwenhaat en geweld tegen vrouwen beter zouden begrijpen als we alle machtsmisbruik als één geheel zouden zien, en huiselijk geweld niet los van verkrachting en moord en aanranding en intimidatie, online of thuis of op het werk of op straat; dit alles als een geheel beschouwend is er een duidelijk patroon).

Er te mogen zijn en te mogen spreken zijn fundamentele rechten om te overleven, je waardig en vrij te voelen. Ik ben dankbaar dat ik na een vroege jeugd waarin me het zwijgen werd opgelegd, soms met geweld, uiteindelijk toch een stem heb gekregen, en zo voor altijd ben verbonden met de rechten van de mensen die geen stem hebben.

Rebecca Solnits essaybundel Mannen leggen me altijd alles uit (originele titel: Men Explain Things to Me) verschijnt eind maart bij Uitgeverij Podium, vertaling Hester Tollenaar, met een voorwoord van Marja Pruis, 144 p., € 17,50

Meer mansplaining? Of liever meer óver mansplaining? Schrijf je in voor de nieuwsbrief van Vrij Nederland.