Uri Rosenthal heeft in een lijvig maar interessant boek (Waarnemer, adviseur, beslisser) opgetekend wat hij in zijn leven tot nu toe heeft meegemaakt. Beter gezegd: zoals hij het heeft meegemaakt. Een kortere manier om dat te zeggen zou zijn geweest: hij heeft zijn memoires of autobiografie geschreven, maar zelf gebruikt hij die woorden niet.
Dat zijn ook woorden die gereserveerd lijken voor grote staatslieden, en Uri heeft veel gedaan maar als groot staatsman zal hij de geschiedenis niet ingaan. Hij was minister van Buitenlandse Zaken van oktober 2010 tot november 2012, opereerde daarnaast jarenlang prominent in de wetenschap en de politiek (VVD), maar nogmaals, als mondiaal boegbeeld zal hij niet herinnerd worden.
Wat wel is blijven hangen, was zijn valse start als bewindsman. Bij zijn aanvangsspeech dichtte hij de verzamelde diplomaten en ambtenaren een rustiek (lees: gemakkelijk) bestaan toe. Een faux pas die hij nog heeft gepoogd goed te maken door zijn goede vriend en promovendus Arthur Docters van Leeuwen samen met een commissie te laten uitzoeken waar de schoen eigenlijk precies wrong.
Economische diplomatie
Een andere volgorde was beter geweest, en een tikje professoraal eigenwijs klinkt dan ook zijn appreciatie van het eindrapport uit 2014 van Docters van Leeuwen: ‘Twee jaar na mijn vertrek voor mij bekende kost’. Helemaal uit de lucht gegrepen was Uri’s binnenkomer ook weer niet: hij beschrijft in zijn boek hoe hij bij zijn entree de interne nota Een Beter BZ in handen kreeg die er niet om loog en (zo luidt de conclusie van Rosenthal) dat Buitenlandse Zaken zijn monopolie op buitenlands beleid was kwijtgeraakt.
BuZa was weinig toegankelijk voor sterren uit andere departementen, en de doorstroming van jongeren (met name vrouwen) kon veel beter.
Nog onvriendelijker gezegd: andere instellingen vonden zelf hun weg in het buitenland en konden Buitenlandse Zaken wel missen, soms als kiespijn. De bezuinigingsdruk was hoog en het postennetwerk werd ingekrompen, BuZa was weinig toegankelijk voor sterren uit andere departementen, en de doorstroming van jongeren (met name vrouwen) kon veel beter.
Ook de missie van het departement moest anders. Diplomaten moesten van Uri meer economische diplomatie bedrijven: scheepswerven, baggeraars en agro-industriëlen verdienen veel geld voor Nederland. Bij ontwikkelingssamenwerking en zelfs mensenrechtenbeleid moest ook de knop om: niet the world, maar the Netherlands First!
Dat heeft Rosenthal kritiek opgeleverd, en ons een boeiende en nuchtere verantwoording. Rosenthal, die een fors deel van zijn boek wijdt aan herinneringen aan zijn rol als crisisonderzoeker, schrijft goed en heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan een vorm van publieke verantwoording die er in Nederland in vergelijking met het buitenland maar bekaaid vanaf komt. Namelijk: een gedocumenteerd en zo nodig te verifiëren verslag van doen en laten in het ontoegankelijke gebied van de buitenlandse politiek, waar de marges voor een klein land als Nederland smal zijn en de productie van wetgeving laag. Het gaat meer om de creativiteit van het onderhandelen dan het ‘leveren’ van een per regeerakkoord afgesproken hoeveelheid regels en wetten in een procedureel aangeharkt land. Dat maakt het meten van succes in de buitenlandse politiek zo moeilijk.
Fascinatie voor crisis
We laten hier dus even zijn rol als crisisbestuurskundige en binnenlands VVD-politicus onderbelicht, anders dan op te merken dat hij in theorie wel donders goed wist dat wetenschapper en adviseur elkaar niet voor de voeten moeten lopen, maar dat in de monopolistische praktijk die scheiding niet is vol te houden.
Met weinig zelfkritiek, of groot zelfvertrouwen – het is maar hoe je het wil noemen – trad Uri in 2010 nog meer in de schijnwerpers als minister van Buitenlandse Zaken.
Rosenthals fascinatie voor crises is opmerkelijk, want dat zijn nu juist de situaties die met een hoog snelkookpangehalte hebben, en waar een bestuurskundige zijn procedurele en routinematige inzichten niet goed op kwijt kan. Maar als je veel crises vergelijkt en onderzoekt, zijn ook in die reeksen vaste patronen te ontdekken en ga je crisiskunde een aparte wetenschap noemen.
Met weinig zelfkritiek, of groot zelfvertrouwen – het is maar hoe je het wil noemen – trad Uri in 2010 nog meer in de schijnwerpers als aantredend minister van Buitenlandse Zaken. Dat klusje zou hij voor Mark wel even klaren, al was het departement niet zijn eerste keus. De ironie is dat er uitgerekend op dat ministerie meteen een lichte crisisstemming heerste, maar misschien kun je ook wel zeggen dat Uri Rosenthal die door zijn hierboven beschreven valse start heeft aangemoedigd of zelfs uitgelokt.
In de hoofdstukken die Uri aan zijn verblijf op de Apenrots wijdt, blijkt zeker wel toewijding aan het bestaansrecht van de diplomatie als vak, maar is toch ook tussen de regels goed te lezen hoe ongemakkelijk de verhouding tussen baas en uitvoerders vanaf dag één bleef. Uri moet weinig hebben van corporale ambassadeurs die met excellentie aangesproken willen worden.
De slangenkuil van het Midden-Oosten
Idealisme, waarden als vrijheid en democratie en de bevordering van de internationale rechtsorde waren zeker aan Rosenthal besteed – in dat opzicht is het boek een rehabilitatie van een als kil en realistisch weggezet bestuurskundige – maar de kansen op succes zijn voor een klein land in een tijdsbestek van amper twee jaar nu eenmaal niet groot.
Iran is in veel opzichten een akelig land, maar Rosenthals analyse van het nucleair conflict tussen Israël en Iran is ronduit betwistbaar.
Daarbij gold nog de handicap dat Rosenthals diplomaten in éen opzicht misschien wel realistischer waren dan hun chef: de omgang in de slangenkuil van het Midden-Oosten. Uitgangspunt in Rosenthals visie is dat Israël goed is, en de Palestijnen en Iran fout. Nu was dat deel ook wel weer nodig om zich aan het thuisfront te verzekeren van gedoogsteun van de PVV om het kabinet-Rutte overeind te houden, maar ook van het ‘principiële’ pro-Israëlbeleid dat Rosenthal wenste. Dat gaf hem enig krediet in Tel Aviv dat andere Europese landen niet hadden, maar veel heeft die unieke positie niet opgeleverd.
Iran is in veel opzichten een akelig land, geen misverstand daarover, maar Rosenthals analyse van het nucleair conflict tussen Israël en Iran is ronduit betwistbaar. Hij gaat er zonder meer van uit dat Iran een kernwapen wil.
Hier frons ik de wenkbrauwen, het is allemaal net een centimeter anders. De (bekende) feiten en rapportages zeggen begin 2012 inderdaad dat Iran geen toegang verschafte tot de verdachte locatie Parchin aan de inspecteurs van het IAEA (International Atomic Energy Agency). Dat het IAEA ‘geloofwaardige’ indicaties had dat Iran ook na de ontdekking van de verrijkingsfabriek in Natanz in 2003 activiteiten heeft ontplooid die relevant (waren) ‘to the development of a nuclear explosive device‘ en dat ‘some continued after 2003; and that some may still be ongoing‘.
Het IAEA zegt niet in staat te zijn aan te tonen dat Iran de boel niet belazert, maar over ‘harde bewijzen’ spreken de rapporten niet. Ook later dat jaar rapporteert het agentschap dat satellietfoto’s, na een periode van rust sinds 2002, op activiteit in Parchin duiden. Dat is verdacht maar het zijn geen ‘harde bewijzen’.
De in 2015 gesloten nucleaire deal met Iran neemt deze zorgen juist minstens tien jaar weg, en Iran heeft intussen verscherpt toezicht aanvaard. Het houdt zich ondanks de eenzijdige terugtrekking van Trump uit het akkoord volgens het Weense atoomagentschap nog immer aan de bepalingen. Ik denk dat het in 2015 gesloten akkoord het best haalbare was. Rosenthal mag daar natuurlijk anders over denken, maar moet die ‘harde bewijzen’ dan wel leveren.
En vandaar de openingszin: Uri Rosenthal heeft in een lijvig boek alles opgetekend uit zijn carrière, zoals hij het heeft meegemaakt.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.