2018 had het jaar moeten worden waarin het derde kabinet-Rutte zijn voorgangers Rutte I (met gedoogsteun van Wilders) en II (de grote coalitie van VVD en PvdA) moeiteloos in populariteit voorbij zou streven. Aan alle voorwaarden was voldaan: economische groei in plaats van krimp, het begrotingstekort dat in een begrotingsoverschot was omgeslagen, er hoefde niet meer voor miljarden bezuinigd te worden.

Het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ stond bol van de goede voornemens. De onderhandelaars hadden advies van onder meer SCP-directeur Kim Putters en SER-voorzitter Mariëtte Hamer ingewonnen en dat leverde veelbelovende teksten op als: ‘Politiek moet gaan over Nederland én Nederlanders, minder over cijfers en Den Haag’, ‘Nederland moet niet alleen vooruit gaan in de statistieken, Nederlanders moeten dat ook zelf ervaren’ en ‘Ons doel is om een sterk land nog beter te maken voor iedereen, nadrukkelijk ook voor mensen die nu het gevoel hebben dat de overheid er niet meer voor hen is.’ Rutte III wilde de geschiedenis ingaan als belangenbehartiger van de gewone man.

Afschaffing van de dividendbelasting

Maar vanaf het debat over de regeringsverklaring liep het anders. Dat kwam vooral door die ene maatregel die op het allerlaatste moment door de VVD het coalitieakkoord was binnengesmokkeld: de afschaffing van de dividendbelasting. Tot in oktober 2018 bestookte de linkse én rechtse oppositie Rutte met het verwijt dat hij de belangen van buitenlandse beleggers in Shell en Unilever boven die van de gewone Nederlander plaatste.

Jesse Klaver vroeg zich af hoe Rutte de onderwijzers, verpleegsters en buschauffeurs kon uitleggen dat hij liever 2 miljard stak in afschaffing van de dividendbelasting dan in verbetering van hun arbeidsvoorwaarden. Lilian Marijnissen maakte de premier uit voor ‘marionet van de multinationals’. Lodewijk Asscher doopte zijn kabinet om in ‘Shell I’. Thierry Baudet wilde weten wie de baas was in Nederland. Geert Wilders hield het kort en bondig op de formulering: ‘En nu wegwezen!’

Opmerkelijk is hoe intensief fractieleiders en ministers aan de vooravond van een cruciaal verkiezingsjaar hebben geoefend op een minder koele en zakelijke toon.

Pas het matineuze sms’je van Paul Polman aan Mark Rutte (‘We blijven in Londen’) maakte een eind aan de martelgang van de premier. Het geld werd voor een groot deel in het midden- en kleinbedrijf gestoken en regeringspartijen als D66 en ChristenUnie haalden opgelucht adem: nu kon Rutte III zich eindelijk gaan profileren als kabinet dat wilde investeren in onderwijs, zorg, klimaat en werkgelegenheid.

Helaas haalde minister Bruno Bruins een streep door de rekening. Zijn onhandige reactie op het faillissement van het MC Slotervaart in Amsterdam en het IJsselmeerziekenhuis in Lelystad (‘We zijn niet de bank’, ‘het gaat ons niet om het bewaken van een stapel stenen’) gaf de oppositie de gelegenheid de VVD-bewindsman met een ‘koelkast’ te vergelijken. Bovendien: waarom werden banken die dreigden om te vallen wel door de overheid gered en ziekenhuizen niet? De mislukte poging van Rutte en Koolmees om met de sociale partners tot een pensioenakkoord te komen, maakte het er voor het imago van het kabinet niet beter op.

Zal dat in 2019 anders gaan? Opmerkelijk is hoe intensief fractieleiders van de coalitiepartijen en ministers aan de vooravond van een cruciaal verkiezingsjaar hebben geoefend op een minder koele en zakelijke toon. Gert-Jan Segers wordt niet moe te herhalen dat zijn ChristenUnie het ‘rauwe kapitalisme’ wil bestrijden. Sybrand Buma zei op de Dag van de Christendemocratie dat hij ‘naast de onderklasse staat’. Volgens CDA-rekenwonder Wopke Hoekstra zou de politiek moeten draaien om ‘medemenselijkheid, omkijken naar de ander en klaarstaan voor elkaar’. Aan empathisch taalgebruik ontbreekt het niet. Nu nog daden graag.