Over de digitale wereld wordt meestal geschreven door de kloosterlingen van het wereldwijde web. Miriam Rasch pakt het in haar essays anders aan: zij kijkt er naar vanuit de literatuur.

Miriam Rasch zingt in Zwemmen in de oceaan: Berichten uit de postdigitale wereld de lof van de digitale oppervlakkigheid in tamelijk diepzinnige essays. Ze zegt zich verwant te voelen met de barbaar: de man die zich nergens vast wil leggen, alleen maar van het een naar het andere surft, zoals Alessandro Baricco die beschrijft in De barbaren. Maar Rasch heeft wel de zeven delen van Marcel Prousts Terug naar de verloren tijd gelezen en dan heb je niets aan de instelling van de barbaar. Ze leest ook boeken als Looking Away: Phenomenality and Dissatisfaction, Kant to Adorno. En, iets dichter bij huis, De domesticatie van het noodlot: De wedergeboorte van de tragedie uit de geest van de technologie. Er heersen dus vruchtbare tegenstrijdigheden in Zwemmen in de oceaan: een bestudeerde nonchalance, een luchtige spanning, een freewheelende dynamiek en een dialektiek tussen verveling en grote onrust. Aan deze tegenstrijdigheden is te zien dat we op vertrouwd hedendaags terrein zijn.

De mens ‘doet’ aan de computer en wordt tegelijk ‘gedaan’

Jammer dat Rasch met haar begrip ‘postdigitaal’ in de ondertitel onnodige verwarring creëert. ‘Postdigitaal’ wil voor haar niet zeggen dat het digitale tijdperk achter ons ligt. ‘Het begrip luidt juist de fase in dat het digitale vanzelfsprekend is geworden, nog nauwelijks te onderscheiden is van het non-digitale. De digitale wending is volbracht, er is geen weg terug.’ Dat mag dan zo zijn, postdigitaal zal als begrip geen ingang vinden omdat de digitalisering nog in volle gang is. De ‘postdigitale conditie’ van de mens waar Rasch het over heeft is dan ook gewoon de digitale conditie.

Die digitale conditie van de mens is paradoxaal: de mens wordt geacht door de computer en internet nog vrijer te zijn dan hij was, maar hij wordt door dat internet ook in de boeien geslagen, kanten op gestuurd die hij niet wil. ‘Aan de sturende invloeden van buitenaf valt niet te ontsnappen’, zoals Rasch schrijft. De ‘gemeenschap’ waarin je je begeeft wanneer je van internet gebruik maakt en digitaal communiceert ‘wordt zowel begeerd als gevreesd, er wordt onder geleden en naar gezocht.’ De mens ‘doet’ aan de computer en wordt tegelijk ‘gedaan’. De techniek waar je mee te maken hebt is een ‘pharmakon’, gif en medicijn tegelijk.

Bij onze dromen kunnen ze nooit komen

Wie zich in de digitale wereld begeeft moet een ‘bestudeerde nonchalance’ ontwikkelen, je moet je er aan over kunnen geven en er tegelijk ontspannen buiten staan. Dat is voor de tegenstrijdige Rasch nog niet zo eenvoudig. Zij is iemand met sterke clubneigingen. Ze wil graag ergens bij horen en tegelijk ook weer helemaal niet.

Hoe zeer Rasch ook verslingerd is aan de de digitale wereld, ze heeft een hekel aan de transparantie en de afkalving van de privacy waartoe die kan leiden. Met haar boek wil ze tegenwicht bieden aan ‘het menselijk-industrieel complex van Silicon Valley’. Getallen en doorgevoerde transparantie vertegenwoordigen voor Rasch de ondubbelzinnigheid. Haar grote angst is dat de digitale wereld zo ‘transparant’ wordt, alles openbreekt en zichtbaar maakt, dat de onzekerheid, de ambivalentie, de dubbelzinnigheid en het geheim uit het leven verdwijnen. In het essay ‘Tegen transparantie’ (als titel verwijzend naar het essay ‘Tegen interpretatie’ van Susan Sontag) zet ze zich af tegen Dave Eggers die in zijn roman De cirkel ook tegen totale transparantie is. Hij denkt dat Silicon Valley op die totale doorzichtigheid uit is. Daar gelooft Rasch niet in. Zij denkt dat de digitalisering nooit zo ver gaat dat van totale transparantie sprake is. Bij de dromen, gedachten en wensen zal men nooit kunnen komen: mensen zullen altijd hun geheimen houden. Men zal ons nooit helemaal kennen, want we kennen onszelf maar zeer ten dele.

Voor iemand die zich met huid en haar onderdeel voelt van de oppervlakkige digitale wereld schrijft Miriam Rasch met analoge, jargonvrije intelligentie. Je zou niet zeggen dat ze zich verwant voelt met de platte wereld van Baricco’s surfende barbaar die ‘altijd een volgend punt ziet om naar toe te navigeren in een zee van mogelijkheden.’ Die barbaar zoekt wel de ‘intensiteit van de wereld’, maar dat komt neer op ‘een gevoel van openheid en mateloosheid dat hem almaar voortstuwt.’ Rasch heeft net als Baricco’s barbaar de neiging om zich over te geven aan ‘het oceanisch gevoel’ dat van de drank en van de ‘afleidingsmachine’ internet komt, maar bij Rasch zit toch een rem ingebakken. Als het erop aan komt is voor haar die surfende barbaar ‘een conglomeraat van oppervlakkigheid en willoosheid waar ik ondanks mijn gevoelde verwantschap verre van wil blijven.’

Alessandro Baricco, de auteur van ‘De barbaren’. Foto: Horst Galuschka/HH

De weerstand tegen de surfende barbaar van Baricco moet te maken hebben met de Grote Onrust die zich van Rasch meester maakte op haar veertiende. ‘Grote Onrust’ is hetzelfde als een gevoel van ‘beloftevolheid’ dat bezit van haar nam. Om die beloftevolheid recht te doen kan ze die willoze barbaar niet gebruiken. Ze is via het boek van Marli Huijer over discipline, het werk van Karl Ove Knausgård, Haruki Murakami en Peter Sloterdijk op zoek naar een manier om haar oceanische gevoel en haar Grote Onrust te ‘kanaliseren’ en om te buigen tot een ‘scheppende kracht.’ Dat is haar in deze essays al aardig gelukt.

Maar haar behoefte aan oppervlakkigheid krijgt ook nog zijn kans. In het laatste essay heeft Rasch het over de erotiek van het waarnemen, het loutere kijken ‘dat zich verliest in het oppervlakkige aanschijn van de wereld.’ Dat is kijken zonder de verantwoordelijkheid betekenis toe te kennen, te interpreteren, een oordeel te vellen, te begrijpen. Rasch noemt dit waarnemen ‘slechtskijken, verder niets’. Het slechtskijken is wel een voorwaarde voor ‘echt kijken’, maar niet meteen, later, eerst gewoon kijken. Dat is nog hard werken, want het is moeilijk om geen diepte onder de oppervlakte te veronderstellen en betekenissen te geven. Rasch noemt dit zich overgeven aan het genieten van de oppervlakte haar ‘fenomenofilie’.  Ook die, zoals bijna alles in deze amusante en vaardige essays, loopt uit op een paradox: ‘O, laat de fenomenofiel een klein stukje van de wereld behouden, vrij van betekenis en schreeuwend om betekenis maar weerstand biedend tegen betekenis, een klein stukje van het internet waar je keihard mag kijken zonder iets te kunnen doen, hoeven vinden, willen zeggen, waar je kunt zitten, klitten, klikken en horen: het was de waarneming sufferd, kijk dan.’

Zwemmen in de oceaan. Berichten uit een postdigitale wereld van Miriam Rasch is uitgegeven door De Bezige Bij.