Immanuel Kants aansporing om je van je eigen verstand te bedienen is uit de hand gelopen nu Twitter en Facebook van het verstand een lachertje hebben gemaakt. Dat is een van de thema’s in het nieuwe boek van filosoof Coen Simon.
In zijn nieuwe verzameling filosofische essays Oordeel zelf hoopt Coen Simon dat zijn lezers zich niet al te zeer laten beïnvloeden door wat hen aan meningen wordt opgedrongen door de sociale media. Dat is een vrome wens want dat oordeel is sterk afhankelijk van wat hij zelf de paradox van de Verlichting noemt. Symbool van de Verlichting is de uitspraak van Immanuel Kant in het laatste kwart van de achttiende eeuw dat mensen hun onmondigheid aan zichzelf te danken hebben. Ze moeten de moed hebben zich van hun eigen verstand te bedienen.
Dat hebben velen wel gedaan de afgelopen twee eeuwen, maar daar is verandering in gekomen met de opkomst van de sociale media, vooral Twitter en Facebook. Het gebruik van het eigen verstand is uit de hand gelopen. Kants bedoeling was dat men door het gebruik van het verstand het eigen subjectieve en particuliere perspectief zou onderdrukken en blijk zou geven van een ‘verruimde geest’ die met een algemeen gezichtspunt over de dingen zou nadenken. Kant noemde dit vermogen ‘sensus communis’, het gemeenschappelijke zintuig, ‘het zintuig waarmee we als het ware allemaal tegelijk de werkelijkheid waarnemen.’ Maar wat zich nu in overweldigende mate voordat is niet de sensus communis, maar de sensus privatus, de particuliere exclamatie, onnadenkende uitroep, de eendimensionale verontwaardiging, de ongereflecteerde uiting, het schelden. Daar heb je geen moed voor nodig.
Kantiaans denken
Aan deze sensus communis en sensus privatus gaat nog iets vooraf. Dat we ons eigen verstand kunnen gebruiken en ergens een mening of standpunt over kunnen hebben is het gevolg van wat Kant de ‘copernicaanse wending’ in het denken tijdens de Verlichting noemde. Door de bron van de kennis bij de waarnemer te leggen (‘het kennende subject’) en niet meer te laten beheersen door klaarliggende dogma’s, vastgeroeste autoritaire verhoudingen en ingesleten gewoonten, uitgevaardigd door kerken en notabelen, kwam de mens zelf als denkend en opiniërend wezen in het middelpunt te staan.
Als Kantiaan wil Coen Simon deze autonome positie van mensen niet graag aantasten.
Maar erg waardig zijn ze die autonomie niet wanneer de gemedialiseerde wereld louter bestaat uit elkaar volgende eilandjes die bezig zijn elkaar schouderklopjes geven. ‘Zonder sensus communis, zonder je te willen verplaatsen in de blik van de ander, is een mening geen oordeel, maar een ongereflecteerde uiting die ons niet van het dier onderscheidt.’ Simon is voor het bevorderen van een Kantiaanse ‘gemeenschappelijke cultuur en een gedeelde leefwereld’ op basis van drie stelregels: ‘durf te denken, durf te proeven, en vertrouw je eigen smaak.’ Kern van de zaak is dat ‘proeven’ van een andere smaak, dat je je autonomie relativeert en je probeert te verplaatsen in de blik van de ander.
Het gebruik van het eigen verstand is uit de hand gelopen.
Coen Simon beoefent een huiselijke, enigszins verhalende filosofie waarin hij vaak zijn jonge kinderen laat optreden. Dat is meestal functioneel en behoort tot zijn principe dat alles, ook de filosofie, tot normale en alledaagse proporties teruggebracht moet kunnen worden. Dat wordt door Simon in positieve zin ‘oppervlakkigheid’ genoemd. Wanneer je de oppervlakte in de gaten houdt, het niveau waarop iedereen zich bevindt, ben je genoodzaakt begrijpelijk voor zo veel mogelijk mensen te denken en te schrijven: ‘Wie de oppervlakte verontzachtzaamt, kan in wetenschappelijke bewoordingen ongemerkt de grootste onzin beweren’, want de leek (‘de oppervlakte’) begrijpt het toch niet, schreef hij in het boek waarmee hij in 2012 de Socratesbeker won: En toen wisten we alles.
Het gezag van de traditionele media
Die oppervlakkigheid kan ook wel eens tegen Simon werken. Zelfs in een essay tegen de oppervlakkigheid waarin hij bestrijdt dat kunst en cultuur alleen nog maar ‘leuk’ hoeven te zijn. Als kunst en cultuur alleen maar leuk zijn betekent dat het einde van ons oordeelvermogen, denkt Simon. Aan kunst en cultuur kunnen we ons oordeel scherpen omdat ze zo weinig ‘hard’ zijn. Juist dan is het de kunst om zo min mogelijk onzin te debiteren.
Na dit te hebben gezegd neemt het stuk een opvallende wending: Simon vraagt zich af of de kwaliteit van de huidige kunstkritiek wel hoog genoeg is om van het esthetisch oordeel een publieke zaak te maken, een zaak waarover zinnig gediscussieerd kan worden. Het antwoord van Simon is behoorlijk oppervlakkig: ‘ik geef de huidige kunstkritiek één ster.’ En waarom? ‘Omdat de traditionele media hun gezag kwijt zijn’ en ‘digitalisering ervoor zorgt dat we overal en nergens een oordeel over de nieuwste films, boeken, exposities en theaterstukken kunnen tegenkomen.’ Die wildgroei mag er zijn, maar in kranten als de NRC, Volkskrant, De Groene of Trouw staan gewoon elke week de stukken over kunst, films, theater en boeken van Sandra Smallenburg, Hans den Hartog Jager, Koen Kleijn, Rutger Pontzen, Wieteke van Zeil, Stefan Kuiper en al die andere critici. Ze zijn op papier of digitaal te lezen, en dat is niet ‘overal en nergens’. Wanneer uit recensies over boeken, films of theater wordt geciteerd in advertenties, komen de citaten altijd uit kranten of weekbladen, de ‘traditionele media’, nooit uit grabbeltonnen als Twitter of Facebook.
Even oppervlakkig is Simon wanneer hij het heeft over de verhouding tussen de wetenschap en de burger. ‘De wederzijdse afhankelijkheid tussen de deskundige en leek, tussen wetenschapper en burger, vormt een van de slechtst onderhouden steunpilaren onder de moderne samenleving’, schrijft hij. Dit lijkt mij ook een slag in de lucht. Er zal altijd veel aan verbeterd kunnen worden, maar er worden nog nooit zoveel boeken uitgegeven waarin de burger op een begrijpelijke manier kennis kan nemen van alle mogelijke wetenschappelijke zaken. En elke krant heeft een dagelijkse pagina Wetenschap en in het weekend een heel katern waarin Hendrik Spiering, Karel Knip, Ionica Smeets, Martijn van Calmthout, Robbert Dijkgraaf, Piet Borst, Bas Haring of Ellen de Bruin de kloof tussen wetenschap en burger proberen te dichten.
Simon suggereert ook dat het in de wetenschap alleen om harde feiten en ‘onwrikbare waarheden’ gaat. Ik dacht nu juist dat de wetenschap het over ‘de voorlopige aard van de waarheid’ eens was: dat de ene ‘waarheid’ zomaar door een andere vervangen kon worden – als de sensus communis denkt dat die beter is. Elke ‘waarheid’ is dan een cliffhanger.
Oordeel zelf door Coen Simon is uitgegeven door Ambo/Anthos
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.