Kan een boek over ‘de filosofie van het plezier maken’ meer bevatten dan een opsomming van festivals, kermissen en dansparty’s? Leuk hè van Michael Foley wel.
Geen betere manier om over een bepaald onderwerp te schrijven dan door iemand die er een grondige hekel aan heeft, maar zich over zijn afkeer heen wil zetten. De weigering om het onderwerp serieus te nemen transformeert eerst in een zakelijke jacht naar feiten. Daarna verandert de onwillige blik (bijvoorbeeld op de uitbundige massa van een popconcert) langzaam in verwondering en nieuwsgierigheid.
Zo ging het met Michael Foley toen hij besloot zich te verdiepen in wat mensen bedoelen wanneer ze zeggen dat ze iets ‘leuk’ vinden. Zelf heeft hij een ‘instinctieve afkeer van elke vorm van groepsinspanningen.’ Maar ‘leuk’, begreep hij al snel, betekent dat iets in een sociaal verband plaatsheeft en niet iets individualistisch is. Tegen jezelf zeg je niet dat iets ‘leuk’ is, wel tegen iemand die naast je staat. Die wordt meteen onderdeel van dat ‘leuk’, alsof je het daar samen natuurlijk over eens bent.
Foley’s boek over ‘de filosofie van het plezier maken’ heeft de wat al te leuke titel Leuk hè. Het heeft ook een wat al te populair uiterlijk voor een serieus boek van bijna vier honderd pagina’s waarin het leuk van alle kanten wordt beschreven (antropologisch, psychologisch, sociaal). Foley was voor dit boek goed voorbereid. Hij is ook de schrijver van Lang leve het gewone, een boek waarin hij lessen trekt uit ‘het dagelijks leven.’ Hij doet daarin aan ‘herbetovering’ van alles in zijn omgeving. Alle gewone dingen om ons heen zijn namelijk onttoverd door de overmacht van betoverende zaken als iPhones, tablets, twitter, televisie, videocamera’s en TomToms. Kan daar een eenvoudig machientje als een puntenslijper tegenop? Of een bureaulamp? Of een nietmachine?

Om te laten zien hoe die herbetovering in zijn werk gaat roept Foley geen kleine getuigen op: James Joyce die in Ulysses één gewone dag in het leven van Leopold Bloom beschrijft aan de hand van een aaneenschakeling van schijnbaar triviale zaken. Alles wat Bloom doet krijgt daardoor gewicht en een zekere betovering. De ultieme betovering doet zich zelfs voor in de vorm van ‘epifanieën’, openbaringen, flitsen van helder inzicht.
Volgens Foley gebeurt hetzelfde in A la recherche du temps perdu van Proust, al zijn naar mijn idee daarin de zinnen soms te lang om die betovering soepel te laten verlopen. Zijn derde getuige is Georges Perec die in Het leven een gebruiksaanwijzing alles laat afspelen op de vele verdiepingen van een huis met de wonderlijkste huurders, hun spullen, entourage en geschiedenis. Alles krijgt bij Perec zijn rechtmatige plaats, status en betekenis.
Alles moet leuk zijn
In Foley zit dus een grote bereidheid om dingen leuk te vinden, maar wel individueel, liever niet samen met anderen. Toch moet hij het over dat ‘samen’ hebben. Het was Foley natuurlijk opgevallen dat tegenwoordig alles ‘leuk’ moet zijn. Werk moet leuk zijn, onderwijs moet leuk zijn, religie, zelfs politiek protest moet een leuke kant hebben. Alles wat ook een enigszins bittere smaak heeft moet gezoet worden.
In Foleys werk zit een grote bereidheid om dingen leuk te vinden, maar wel individueel, liever niet samen met anderen.
De samenleving heeft zich zo ontwikkeld dat men de inspanningen en de ernst die bij het leven komt kijken niet meer puur wil ondergaan. Men is bijna ongemerkt verwend geraakt. Er is een neiging tot hedonisme in het dagelijks leven ontstaan. Voor consequent hedonisme is niet genoeg geld en ruimte, maar er wordt alles aan gedaan om zoveel mogelijk een joyeus leven te leiden. Wanneer je wat anderen leuk vinden niet zo leuk vindt manoeuvreer je je, denkt Foley, in een lastig parket: ‘Weigeren om in leuk te geloven is vergelijkbaar met in de vroege middeleeuwen atheïsme belijden en wordt met eeuwige verbanning uit de sociale netwerken (het modern equivalent van de brandstapel) waarschijnlijk net zo streng bestraft.’ Foley beschouwt zichzelf als a-leuk en heeft een hekel aan alles wat tegenwoordig voor leuk doorgaat: ‘nachtclubs, discotheken, dj’s, het strand, popconcerten, festivals, carnaval, verkleedpartijen, trouwerijen, feestjes, barbercues, woordraadselspelletjes, monopoly, scrabble, voetbalwedstrijden, charismatische religieuze belijdenis, carnavaleske demonstraties.’
Voor een leuk-heiden weet Foley zich desondanks goed te verplaatsen en te informeren over wat leuk zoal voorstelt. Hij weet dat hij diep moet afdalen in de krochten om er achter te komen wat mensen leuk vinden. Zo bezoekt hij de Idler Academy in zijn stad, de lanterfantacadamie, een instelling voor het doen van ‘leuke activiteiten’ zoals mozaïek maken, boekbinden, knutselen met lovertjes, kalligraferen, ukelele spelen en haken. Dit is wel het dieptepunt, maar wat te denken van de elk jaar in Londen plaatshebbende World Naked Bike Ride, een fietsrally waaraan honderden naakte mensen meedoen? Of de mensen die afkomen op de mislukkende stand-upcomedy van amateurs? Er ontstaat ook zo iets als ‘Het nieuwe plezier’. Dat is plezier met een serieus doel. Zoals bij The London Joy Club die hun leden beloven ze ‘allerlei technieken te leren om in je lijf af te dalen, je vreugde te voelen en ervoor te zorgen dat die voor altijd bij je blijft.’ Dit behoort tot het meer ongelukkige leuk.
‘Leuk’ bestaat helemaal nog niet zo lang. Foley houdt het op de achttiende eeuw met het geleidelijk losser worden van de banden met de kerken. De kerken waren getrouwd met de ellende en de ernst. De mens moest lijden om in de hemel te kunnen komen. De achttiende eeuw werd de grote tijd van de satire, de spot, de commedia dell’arte en de komedie. Het idee van de vrijheid dat door de Franse Revolutie werd verspreid hield ook een bevrijding in van de loutere ernst van het leven. De mens heeft altijd wel gespeeld (in de vorm van rituelen, gewoonten, tradities, vaste feesten), maar in de achttiende eeuw kwam het idee op dat kinderen spelenderwijs, dus op een leuke manier, moesten leren. Het zorgeloze spelen van kinderen werd een voorbeeld. De Engelse dichter William Wordsworth was een van de eerste die de kindertijd ging idealiseren: toen was het leven nog leuk.
Foley besteedt ook de nodige aandacht aan het leuk dat gepaard gaat met ironie. Ironie is een manier om jezelf niet helemaal prijs te geven, jezelf niet helemaal in iets te storten, een reserve in te bouwen. Foley geeft het voorbeeld van voetbalfans die uitbundig en fanatiek tekeer gaan, maar met ironie. Ze doen alsof ze de echte fan spelen: ‘Elk teken van supporterschap is gehuld in een dun laagje zelfspot’, citeert hij Tim Parks die een boek schreef over het seizoen dat hij de Italiaanse voetbalclub Hellas Verona volgde.
Leuk is water bij de wijn.
‘Leuk’ is een oeverloos onderwerp, maar Foley weet het goed binnen de perken te houden door zo concreet mogelijk te zijn in hoofdstukken over het leuk van dansen, humor, seks, vakantie, wedstrijd, politiek, spelen, zonde, hedonisme, verveling en rituelen. Vaak zingt een thema zich los van het leuk. Zoals de charmes van het vrijgezellenbestaan. Foley weet waar hij zijn literatuur moet halen en komt tevoorschijn met drie notoire vrijgezellen en individualisten op wier vrijgezellenbestaan het woord ‘leuk’ niet van toepassing is, maar die het wel hebben gebracht tot respectievelijk een groot dichter, een dito romanschrijver en filosoof: Baudelaire, Flaubert en Nietzsche. De eis dat het ‘leuk’ moet zijn kan funest zijn voor een ambitie. Leuk toelaten kan de ernst die iets vereist om zeep helpen. Leuk is water bij de wijn.
Foley maakt zich als individualist wel zorgen. Hij is bang dat het collectieve leuk zo vanzelfsprekend en dominant aan het worden is dat de leuk-heiden het loodje legt en als een solitaire zonderling zal worden beschouwd. De groepsdruk om iets leuk te vinden (je móet van voetbal houden, dat kan niet meer anders) wordt steeds sterker. Dit valt allemaal te leren uit dit ernstige (en leuke) boek.
Leuk hè? De filosofie van plezier maken van Michael Foley is uitgegeven door Atlas Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.