Van de zondag overleden Vlaamse schrijver, criticus en hoogleraar Paul de Wispelaere (1928) werd de laatste jaren niet veel vernomen. Maar dat doet niets af aan zijn betekenis voor de Nederlandse literatuur.
Toen Paul de Wispelaere in 1992 afscheid nam als hoogleraar in de moderne Nederlandse literatuur aan de Universiteit van Antwerpen werd hem gevraagd naar zijn ‘dubbelhartigheid’ als schrijver, criticus en academicus. De schrijver van romans als Een eiland worden (1963), Mijn levende schaduw (1965), Brieven uit Nergenshuizen (1986) wilde geen eenduidig etiket als academicus opgeplakt krijgen. Hij wilde ‘verscheidene, ook tegenstrijdige persoonlijkheden’ in zichzelf een kans geven. De spreekwoordelijke man uit één stuk was hem een gruwel.
‘Ambivalentie’ is dan ook een terugkerend begrip in het werk van De Wispelaere. Wanneer hij een plaats in de literatuur kreeg toegewezen plaatste hij daar steeds een kanttekening bij. Hij had altijd een nuance bij de hand. Werd hij in de jaren zestig en zeventig gezien als het Vlaamse gezicht van de autonomistische literatuurmethode van het Nederlandse tijdschrift Merlyn, dan wees hij er in zijn boek Het Perzisch tapijt (1966) op dat hij een groot voorstander was van nauwkeurig lezen, maar dat hij niet alleen met zijn vingertje las, maar met zijn hele persoon als criticus, mens en schrijver. Dat gebeurde ‘met een ondeelbare eenheid van borend verstand en bloed, van intelligentie, intuïtie, gevoel en zenuwen.’ De ‘structuur van het literaire werk’ was niet het enige dat er toe deed, zo zou hij in essaybundels als Met kritisch oog (1967), Facettenoog (1968), De broek van Sartre (1987) en Onder voorbehoud (2003) betogen.
Daar zat wel iets tegenstrijdigs in want ‘het Perzisch tapijt’ van de titel was een metafoor voor de roman die zich losgezongen had van de maker. Zoals men niet hoeft te weten wie het Perzisch tapijt heeft gemaakt, zo hoefde men niets van de schrijver te weten om een roman te kunnen begrijpen en genieten. Het Perzisch tapijt was nog niet verschenen of De Wispelaere werd de schrijver van bij uitstek autobiografische romans waar bij zelf vol doorheen scheen. Sterker nog: hij werd ook nog de essayist die het meeste schreef over de gecompliceerde verhouding tussen literatuur en werkelijkheid. Mijn levende schaduw was een roman over de onmogelijkheid van authenticiteit: als de schrijver ervan was De Wispelaere de regisseur van zijn verbeelde leven en dat regisseren liet hij op papier zien. Hij interpreteerde zijn ervaringen, gaf ze een gewenste glans, liet (misschien wel onbewust) het een en ander weg, maakte van zichzelf iemand bestaande uit fragmenten of vlocht er iets saillants doorheen dat het geheel wat meer deed vonken. Zo zou het verder gaan in Tuin en wereld (1979), En de liefste dingen nog verder (1998). In Mijn huis is nergens meer (1982) heeft de vertellende hoofdpersoon nog geen vier pagina’s geschreven of hij leest terug wat hij heeft geschreven en denkt: ‘is dit werkelijk zo gebeurd? Hoe hij zich ook inspande, wat hij voor zich zag was alleen het nostalgische tafereel van zijn tekst.’

Romantechnisch kent hij geen hindernissen en bereikt een opvallende nauwkeurigheid in zijn beschrijvingen, karakteriseringen, transparantie en beknoptheid.
De onmogelijkheid de ware authenticiteit te bereiken omdat de eigen motieven, verlangens en herinneringen van de autobiografische hoofdpersoon niet achterhaald kunnen worden zonder ze tot literatuur om te vormen, is geen rem op De Wispelaeres stilistische vermogens. Romantechnisch kent hij geen hindernissen en bereikt een opvallende nauwkeurigheid in zijn beschrijvingen, karakteriseringen, transparantie en beknoptheid. Stilistisch is er niets ambivalents aan De Wispelaere. Maar zijn personage is er een virtuoos in, zoals in Mijn huis is nergens meer. Wanneer hij zijn geliefde een haastige afscheidskus heeft gegeven staat er: ‘Naar huis lopend stelde ik me voor dat niets van die avond werkelijk had plaatsgevonden. Dat kon, want ik had het immers niet echt gewild en was er niet echt bij aanwezig geweest. En waarom was het dan toch gebeurd? De dingen gebeurden en iemand in mij werd erbij betrokken, maar ikzelf eigenlijk niet. Van een kleine afstand keek ik toe. Nog jaren en jaren zou deze toestand van gespletenheid voortduren.’
Bij het verschijnen in de reeks Privé-Domein van Het verkoolde alfabet, De Wispelaere’s dagboek uit de jaren 1990-1991, vond Jeroen Brouwers het tijd om de Wispelaere’s plaats in de literatuur te consolideren. Over de in 1992 vierenzestigjarige De Wispelaere schreef hij in de De Morgen: ‘In de langzamerhand tot as vervallende generatie waartoe De Wispelaere behoort, blijkt hijzelf de vonk te zijn, die na heel lang te hebben liggen smeulen eindelijk is opgevlakkerd tot vlam.’ Van de generatie die Brouwers bedoelt, geboren rond 1930, was wat hem betreft verder alleen Hugo Claus nog vonkende en waren schrijvers als Ward Ruyslink, Hugo Raes, Jos Vandeloo, Hubert Lampo en Weverbergh uitgedoofd. Voor Brouwers was De Wispelaere ‘een van de hoogst zeldzame critici die letterkundige commentaren schrijft met de allure van een scheppend taalkunstenaar. Vóór hem heeft Vlaanderen zo’n criticus nooit bezeten.’
Roman, essay, kritiek, dagboek: voor De Wispelaere waren het overlappende genres die hij door elkaar beoefende. Hij negeerde daarmee hij het Merlynistische dogma dat de genres niet door elkaar moesten gaan lopen. In Paul-Tegenpaul (1970) beoefende hij drie genres in één boek: het essay, het dagboek en de autobiografie. Omdat in het autobiografische deel veel ruimte werd ingeruimd voor erotiek vond de Merlynist J.J. Oversteegen in Literair Lustrum (1973) dat de aandacht voor wetenschappelijke zaken werd ‘overspoeld door de dagboeknotities, die meer aandacht voor de eigen persoon opeisen dan wij van hem gewend zijn en, moet ik bekennen, meer dan ik kan verteren.’ Waarmee De Wispelaere definitief uit de moederschoot van Merlyn werd verstoten. Voor de De Wispelaere was de criticus voortaan een schrijver, geen literair laborant.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.