Wanneer Friedrich Nietzsche als jongen met zijn moeder en zuster Elisabeth in Naumburg ging wandelen liep hij vijf passen voor hen uit. Dat was om hen te waarschuwen en te behoeden voor ‘gevaren’ als modder en regenplassen. Ook behoedde hij hen voor ‘monsters’ als paarden en honden.
Ongetwijfeld zal deze beschermende ijver ontstaan zijn ter vervanging van zijn vader, de dominee, die op vijfendertigjarige leeftijd overleed toen Nietzsche vijf was. Hij wilde al vroeg in de voetsporen van zijn vader treden, was goed in theologie en kreeg op twaalfjarige leeftijd een visioen van God dat hem deed besluiten de rest van zijn leven aan hem te wijden.
In zekere zin heeft Nietzsche woord gehouden. Het ging in zijn filosofie tot op het laatst van zijn gezonde leven over God, maar dan als iemand wiens invloed na zijn dood nog groot was. Het was Nietzsche die hem in De vrolijke wetenschap dood had verklaard.
‘Eens zal de herinnering aan iets ontzaglijks met mijn naam verbonden worden, – een crisis zoals er nog nooit een op aarde is geweest.’
Hoe uiterlijk vroom Nietzsche als jongen ook was, zijn diepste gedachten gingen al hun eigen gang. Zo vond hij het maar onlogisch dat de drie-eenheid bestond uit twee mensen en een heilige geest. Hij bedacht een logischer trio: God de Vader, God de Zoon en God de Duivel. Ook het kwaad en de duivel zouden Nietzsche zijn hele leven achtervolgen. Op twaalfjarige leeftijd schreef hij zijn eerste filosofische opstel: ‘Over de oorsprong van het kwaad.’
Zelfoverschatting in verontrustende vormen
De biografie van Nietzsche Ik ben dynamiet noemen, stuurt zijn leven misschien wat al te veel in een bepaalde richting, maar feit is dat hij zichzelf zo noemde in het begin van het hoofdstuk ‘Waarom ik een noodlot ben’ in zijn autobiografie Ecce homo. Het woord ‘dynamiet’ behoort tot het jaar 1888 waarin hij het over zijn ‘grote gezondheid’ en ‘mijn oogsttijd’ had, de tijd dat zijn vrienden met gefronste wenkbrauwen naar hem keken en vonden dat zijn zelfoverschatting verontrustende vormen begon aan te nemen, wat begin januari 1889 ook leidde tot zijn geestelijke instorting.
Maar het was tegelijk de tijd waarin hij uitzonderlijk ‘lucide’ was. Die staat van grote scherpzinnigheid ging gepaard met een griezelig lichtvoetige manier van schrijven waarin hij zichzelf profetische allures toedichtte; ‘Eens zal de herinnering aan iets ontzaglijks met mijn naam verbonden worden, – een crisis zoals er nog nooit een op aarde is geweest.’
Nietzsche verstuurde Also sprach Zarathustra met het verzoek de wijsheid in het boek geheim te houden omdat die te kostbaar is om zo maar verspreid te worden.
De biografie van Sue Prideaux zet deze hooggestemde Nietzsche met beide benen op de grond. Na Rudiger Safranski’s ‘Biografie van zijn denken’ verschijnt Nietzsche hier op ooghoogte, gezien in zijn dagelijks leven: hij doet boodschappen voor Cosima Wagner, kiest behang uit voor zijn kamer in Nice, vraagt om een kacheltje omdat hij het maar niet warm krijgt, wacht tien maanden op de eerste geschreven reactie op zijn eerste boek De geboorte van de tragedie.
Hij verstuurt Also sprach Zarathustra met het verzoek de wijsheid in het boek geheim te houden omdat die te kostbaar is om zo maar verspreid te worden. Ook krijgen we een Nietzsche te zien die dagen achtereen in een verduisterde kamer ligt met helse hoofdpijn. Hij zoekt voortdurend een beter klimaat voor zijn zwakke gezondheid, in Sils Maria, Genua, Nice of Turijn.
Quasi-religieuze decadentie
Het is aan de biografie van Sue Prideaux te zien dat over Nietzsche ontzaglijk veel biografisch materiaal is ontstaan. Brieven, dagboeken, autobiografieën en biografieën van mensen die hij gekend heeft zorgen ervoor dat Prideaux nu, dit alles combinerend en bij elkaar voegend, dicht op het dagelijks leven van Nietzsche komt te zitten. Er zijn bladzijden die lezen als een roman, terwijl elke regel gebaseerd is op een harde bron in de vorm van een brief of een persoonlijke herinnering.
Nietzsches bezoeken aan Richard en Cosima Wagner zijn van verschillende kanten gedocumenteerd, niet het minst door hemzelf in brieven, maar ook door de dagboeken en brieven van Cosima. We zitten er dicht op wanneer Nietzsche voor Cosima piano speelt en haar ‘in een staat van hallucinante extase’ brengt. Uit de beschrijving van huize Wagner blijkt dat Prideaux Cosima niet zo goed gezind is wanneer ze het heeft over ‘de betoverende klanken die door de geparfumeerde lucht van het huis’ golfden op kerstochtend.
Nietzsches bezoeken bij de Wagners (soms weken) waren zo onwerelds dat de werkelijke wereld ‘tot een geestverschijning’ werd. De relatie met de Wagners zou uitlopen op een ontgoocheling. Hij ging zich ergeren aan Wagners quasi-religieuze decadentie en zijn manipulatief vermogen het publiek in een verhoogde staat van emotionaliteit te brengen.
Nietzsches vriendschap en verliefdheid op de onconventionele Lou Salomé is niet minder gedocumenteerd. In een brief aan Peter Gast noemt hij haar ‘scherpzinnig als een adelaar en moedig als een leeuw, en toch nog een heel meisjesachtig kind.’ Ze was zijn ‘alter ego.’ We weten alles van die verhouding door haar brieven, zijn brieven, haar dagboek, de brieven van Paul Rée, Franz Overbeck en Peter Gast, de brieven van Malwida von Meysenbug, en de brieven van en aan zijn bemoeizuchtige zuster Elisabeth wanneer hij en Lou drie weken gaan wandelen in het Tautenburgse bos (‘Ich bin Deine unbescheidene Moralschwätzerei gründlich müde’).
Het leven van Nietzsche stond in het teken van de ‘vrije geest’ die hij wilde worden, verlost van het Christendom.
Ook hier ontbreken de huiselijke details niet: ‘Als ze terugkeerden in zijn kamer in de boerderij, wikkelde ze haar shawl om de lampenkap om het licht te dempen en het zachter voor zijn ogen te maken. Ze praatten tot middernacht met elkaar, en nog langer. Nietzsches pensionhouder werd er gek van, want hij moest opblijven om haar terug te begeleiden naar de pastorie. En de koeien moesten evengoed nog worden gemolken bij dageraad.’
Ketten-Krankheit
Het leven van Nietzsche stond in het teken van de ‘vrije geest’ die hij wilde worden, verlost van het Christendom waarin hij was opgevoed, los van de Duitse bekrompenheid, weg van het nationalisme (ook dat van Wagner), los van het antisemitisme om hem heen, weg van het romantische gezwijmel en van wat hij de decadente verzwakking van Europa noemde.
Om dit achter zich te laten moest hij van zijn ‘Ketten-Krankheit’ verlost worden, de emotionele keten die je ervan weerhoudt om ‘de weg te vervolgen waardoor je wordt wie je bent.’ Dit is, met het onderscheid van het dionysische en apollinische in de mens, misschien wel Nietzsches belangrijkste bijdrage aan de menselijke de psychologie.
De aan Pindarus’ Pythische ode ontleende regel ‘Word wat je bent na geleerd te hebben wat dat inhoudt’ is een aansporing om in jezelf te herkennen wat bij je hoort aan eigenschappen, verlangens en vermogens. En daar energie aan te ontlenen, en niet aan wat niet bij je past. Nietzsche was ook bekend met het gevaar dat er aan kleefde: zelfgenoegzaamheid, alleen doen wat bij je past en je makkelijk afgaat.
‘Het is moeilijk Malwida von Meysenbug niet te zien als de adorerende adjudant van sterke mannen, plooibaarder dan ze had willen geloven.’
Het is onvermijdelijk dat in deze biografie het werk er stiefmoederlijk afkomt. Prideaux doet wel haar best er zoveel mogelijk filosofie in te vlechten, maar het leven slokt het meeste aandacht op. De mindere aandacht voor het werk wordt overvloedig gecompenseerd door de sprankelende en tegelijk ongenaakbare manier waarop Prideaux mensen en situaties beschrijft.
Over een van Nietzsches beschermvrouwen, Malwida von Meysenbug, die zowel in Bayreuth als in het Italiaanse Sorrento salon hield, schrijft ze: ‘Malwida had in haar hart nog niets van de bloeddorstigheid van haar dagen als anarchiste verloren. Haar zachte blauwe ogen, waarom ze vaak werd geprezen, zagen nog steeds alleen wat ze wilde zien. Hoogverheven bijziend filterde die aspecten uit het menselijke gedrag die niet te verzoenen waren met haar idealisme. Het is moeilijk haar niet te zien als de adorerende adjudant van sterke mannen, plooibaarder dan ze had willen geloven: een bemiddelde “nuttige idioot” in de leninistische betekenis van het woord.’
Aristocratisch radicalisme
Het duurde lang voor de ideeën van Nietzsche door schrijvers en filosofen werden herkend als van grote originaliteit. In een tijd dat zelfs zijn oude vrienden sceptisch werden door de signalen van grootheidswaan, kreeg hij in 1887 uitgesproken enthousiaste reacties van de Deense criticus Georg Brandes. Die had in hem ‘de adem van een nieuwe en originele geest’ gevonden door het lezen van Menselijk, al te menselijk en De genealogie van de moraal.
Brandes bezorgde Nietzsche ook een samenvatting van zijn filosofie: hij noemde het ‘aristocratisch radicalisme’, doelend op Nietzsches overtuiging dat echte creativiteit en sublieme kunst alleen mogelijk waren door radicale ongelijkheid tussen mensen. Nietzsche dacht ook dat die sublieme kunst niet mogelijk was in een democratie. Dat is niet uitgekomen; er bleek genoeg vrije ruimte voor vrije geesten om zich tot op die hoogten uit te leven.
Sue Prideaux kan haar energieke biografie niet anders afsluiten dan met een ambivalente erkenning van Nietzsches betekenis en invloed: ja, hij heeft met zijn aristocratische geest signalen afgegeven die verkeerd konden worden uitgelegd. Maar hij heeft door zijn kritiek op de moraal ook voor dynamiet gezorgd en daarmee de weg ‘geopend voor stoutmoedige Argonauten van de geest zodat ze nieuwe werelden konden bereiken.’ Nietzsche als opvoeder.
Ik ben dynamiet. Het leven van Nietzsche door Sue Prideaux is vertaald door Peter Claessens en uitgegeven door De Arbeiderspers.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.