Van de briljante en schuchtere socioloog Joop Goudsblom verwacht je niet dat hij memoires zal schrijven. Toch heeft juist hij het gedaan. Maar het had iets systematischer gekund.
Als scholier in Krommenie kreeg de latere socioloog Joop Goudsblom te maken met een pestkop, George Nordemann. Die had niet alleen een echte nieuwe jongensfiets, terwijl Goudsblom een tweedehands grotemensenfiets met houten blokken op de trappers had, hij had ook een schare vriendjes die zich op een klassieke manier als satellieten om hem heen groepeerden. Goudsblom hoorde daar niet bij, die had te weinig branie en was te verlegen. Hij wilde er wel graag bij horen.
Op een dag lopen Nordemann en zijn vriendjes aan de overkant van de weg wanneer ze Goudsblom zien. Nordeman roept hem en hij holt blij verrast door deze aandacht naar de overkant. Wanneer hij daar is zegt Nordemann: ‘Als je was doorgelopen was je verder geweest’, en wendt zich van hem af. ‘Zijn kornuiten lachen zich krom.’
In het licht van de rest van het eerste deel van Goudsbloms Memoires 1932-1968 onder de titel Geleerd wordt Nordemann de figuur die ervoor zorgt dat Gloudsblom gaat zien wie hij is en niet is: hij heeft geen hopen vriendjes, hij is niet zelfverzekerd en is niet rijk (ook niet arm). Door het gevaar door Nordemann voor schut gezet te worden werd Goudsbom nog behoedzamer, ontwikkelde nog ‘iets meer aarzeling in het tegemoet treden van mensen, iets meer argwaan, iets meer geschutter.’ Dat werd zelfs zichtbaar in zijn motoriek.
Omdat hij er later zo vaak aan terugdracht noemt Goudsblom de ervaringen met Nordemann (die hem ook eens temidden van een groepje jongens ineens toevoegde: ‘Goudsblom je bent een lul’) ‘traumatisch’. Wat zich hier manifesteerde, realiseert Goudsblom zich nu, was macht. Gesteund door een groepje jongens om hem heen kon Nordemann zich alles permitteren. Hier deed zich het ‘groepscharisma’ voor waar Goudsblom als socioloog mee te maken kreeg. Menno ter Braak, de man door wie Goudsblom zich tien jaar later zal laten inspireren, werd tijdens zijn (afgebroken) ontgroening ook geconfronteerd met dit soort macht tegenover een eenling. Hij wist daarna voorgoed hoe het met de verhouding tussen de (machteloze) geest en macht zat. Goudsblom onderscheidde zich al snel als de betere leerling die de Nordemanns het intellectuele nakijken bezorgde.
Gesteund door een groepje jongens om hem heen kon Nordemann zich alles permitteren. Hier deed zich het ‘groepscharisma’ voor waar Goudsblom als socioloog mee te maken kreeg.
Echte memoires, een samenhangend verhaal waarin ook aan diepgaande zelfreflexie wordt gedaan, is Geleerd niet. Het zijn grotere of kleinere chronologische fragmenten en herinneringen van een jongen die als zoon van een onderwijzer het liefst een gewone jongen wil zijn, maar daarvoor te nieuwsgierig is, te goed kan leren en te verlegen is. Als herinneringen zijn ze vaak eendimensionaal geschreven, maar wel met duidelijke uitzonderingen. Zoals alles over de obsessieve verliefdheid als middelbare scholier op Wies. Het duurt eindeloos voor hij haar aanraakt. Wanneer het uiteindelijk gebeurt valt hij een leegte, ten prooi aan ‘wanhoop en verwarring’. In zijn dagboek probeert hij er achter te komen wat die omhelzing gedaan heeft: ‘ik meen de oorzaak van mijn verandering bespeurd te hebben. Al de tijd, dat ik met Wies ben omgegaan, heb ik haar vereerd als een heilige, iets onschendbaars, iets goddelijks. Ze was voor mij de bron van onvervulbare beloften, en ik heb nimmer getracht die bron te forceren. Tot die woensdagavond. Toen kon ik mezelf niet meer beheersen en een grote desillusie was mijn straf.’
Er zijn ook herinneringen bij van een Walter Benjamin-achtige allure, zoals die over het kopen van de truck met oplegger. Elke dag liep de jonge Goudsblom langs een etalage waarin een truck met oplegger stond. Hij had genoeg autotootjes, maar nog geen truck. Op een dag stapte hij de winkel binnen en zei dat hij de truck wilde kopen. Hij had geen geld bij zich, maar bij het noemen van zijn naam pakte de mevrouw de truck voor hem in. Trots liet hij hem thuis zien. Maar zijn moeder was niet blij, maar boos, misschien nog wel meer op die mevrouw. Een truck met oplegger heeft hij nooit meer gekregen.
Deze gebeurtenis is aanleiding om met behulp van de sociale psychologie te analyseren waarom hij dat speelgoed móest hebben. Hieruit, en uit andere beschreven voorvallen in de memoires, blijkt dat Goudsblom aanzienlijk assertiever is dan aan de schuchtere buitenkant blijkt. Goudsblom is duidelijk ‘inner directed’, wordt gestuurd door zijn eigen ideeën, de buitenwereld zit eerder in de weg, ook al wil hij dat niet. Hij wordt daarbij geholpen door beschermengelen die ervoor zorgen dat hij alle opstelwedstrijden, beurzen en reizen wint. Hij mag als scholier twee maanden naar Engeland en over zijn belevenissen uitvoerig schrijver in De Typhoon en De Zaanlander. Later wordt hij zonder te solliciteren assistant van professor Hollander, binnen een maand is hij daarna ook zomaar zelf hoogleraar.

Deze memoires kunnen niet voldoen om een compleet beeld van Goudsbloms ontwikkeling te krijgen. Hij laat het op cruciale momenten afweten. Norbert Elias is zo belangrijk in het leven en werk van Goudsblom dat aan hem in dit boek de nodige aandacht zou moeten worden besteed. Maar dat gebeurt niet. Goudsblom heeft het over zijn ontmoetingen met Elias op congressen en in Leicester waar Elias werkte, maar verder verwijst hij naar wat hij heeft geschreven in Over Elias. Herinneringen en anekdotes, samengesteld door Hans Israëls. Goudsbloms memoires bevatten de nodige ‘huiselijke’ herinneringen over familie, huizen, autorijden en poezen die soms tegen het triviale aan zijn. Toch wil het ook wel een intellectuele autobiografie zijn. Maar dan had er meer over de betekenis van Elias, Talcot Parsons en alle andere sociologische denkers in zijn leven en werk in moeten staan. Al was het alleen maar dat Elias van Goudsblom een socioloog heeft gemaakt, iemand die zich meer voor het kennen van het algemene dan voor het bijzondere inspant. Elias heeft hem geleidelijk weggetrokken van de strekking van zijn boek Nihilisme en cultuur (1960). Daarin kwam Goudsblom uiteindelijk uit op het bestaan van individuele autonomie als bron van persoonlijke waarden. Elias leidde hem weg van dit door hem negatief ‘homo clausus’ genoemde individu en hield hem voor dat mensen grondig van elkaar afhankelijk zijn. Dat leidde tot de ‘figuratiesociologie’ en de ‘interdependentie’ van mensen, de onderlinge afhankelijkheid. Door te spreken van ‘relatieve autonomie’ en van mensen die zich bevinden in een ‘sociale figuratie’ die altijd in beweging is, verwijderde Gouldsblom zich van het uniek opererende individu dat voor Nietzsche garant stond voor het scheppen van nieuwe waarden. Het ontstaan van de sociologie in Nederland, en Goudsbloms en Elias’ rol daarin, komt inhoudelijk in Balans van de sociologie beter uit de verf dan in Geleerd.
Er blijkt in de sociologie vaak sprake te zijn van te veel of te weinig systematiek. In Geleerd is de enige systematiek de chronologie. Dat is te weinig.
Door zijn vroege belangstelling voor het werk van Menno ter Braak en zijn vriendschappen met Jan Eijkelboom, Renate Rubinstien, Aad Nuis en Jan Emmens is Goudsblom wel een door de literatuur aangeraakte socioloog geworden, maar dan toch vooral door zijn stilistisch vaardigheden en zijn aforismen in Pasmunt en Reserves. Toen Goudsblom eind jaren zestig in Vrij Nederland de correspondentie tussen Ter Braak en Du Perron besprak was hij al duidelijk vooral een socioloog: hij vond hen (ten onrechte) wel erge literaten voor wie weinig buiten de literatuur van belang zou zijn geweest.
Er blijkt in de sociologie vaak sprake te zijn van te veel of te weinig systematiek. In Geleerd is de enige systematiek de chronologie. Dat is te weinig. Daardoor komt het boek als intellectuele memoires te kort en worden de echte grote kwesties van historische of intellectuele aard die Goudsblom in zijn boeken heeft behandeld, niet of te fragmentarisch aangesneden. Het is een geluk dat Goudsblom het zelf heeft over wie, terugkijkend, de grote afwezige is in zijn proefschrift Nihilisme en cultuur. Dat is Darwin. Die heeft in de negentiende eeuw het meest bijgedragen aan het ondermijnen van religieuze en morele zekerheden. De enige die daarop indertijd heeft gewezen was de bioloog Dick Hillenius. Het zijn zulke cruciale observaties in de geschiedenis van de ideeën die in het volgende deel systematischer aangesneden zouden kunnen worden. Dat zou deze op zichzelf al mooie en waardevolle herinneringen tot nog iets meer maken.
Geleerd. Memoires 1932-1968 door J. Goudsblom is uitgegeven door Van Oorschot.
Lees ook het interview met Joop Goudsblom over zijn memoires: ‘Er lijkt nu een keerpunt te zijn gekomen’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.