Het is niet verwonderlijk dat in een samenleving waarin de tegenstellingen steeds groter worden het begrip ‘empathie’ opduikt: je verplaatsen in de gedachtewereld van de ander. Jesse Klaver, de fractievoorzitter van GroenLinks, heeft een empathische samenleving voor ogen.
Wanneer de bioloog Frans de Waal het over empathie heeft bij chimpansees en bonobo’s levert dat intrigerende observaties op. Wanneer hij zegt dat wij mensen daar nog een voorbeeld aan kunnen nemen accepteren we dat met mild begrip, de mens kennende. Die kan tegenwoordig wel wat aansporing tot het tonen van empathie (je verplaaten in de gedachten- en gevoelswereld van anderen) gebruiken. Maar wanneer de Engelse cutuurhistoricus en mede-oprichter van The School of Life Roman Krznaric in zijn boek Empathie schrijft dat er een ‘empathierevolutie’ op komst is en dat er een empathiemuseum moet komen dat ‘een speelplaats’ is ‘waar mensen geestelijk kunnen samensmelten met anderen’, dan wil je nooit meer iets over ‘empathie’ horen. Krznaric wil ook dat we het niet meer over ‘introspectie’ hebben, maar over ‘uitrospectie’: we moeten minder naar binnen en meer naar buiten, naar ‘de ander’, kijken. Dit is een geval van taalverwoesting.
Uitrospectie: we moeten minder naar binnen en meer naar buiten, naar ‘de ander’, kijken. Dit is een geval van taalverwoesting.
Met empathie kan raar omgesprongen worden. De empathie van Krznaric stuit mij tegen de borst als klef en overdreven, die van De Waal behoort gewoon tot het repertoire van de betere menselijke eigenschappen. De een heeft er meer van dan de ander, maar de ander, mocht hij/zij willen, kan er volgens De Waal wel meer van kan krijgen: door zich er in te oefenen. Sinds het begin van de nieuwe eeuw is de werkelijkheid op wereldschaal verhard. Alles is op scherp komen te staan. Op alle mogelijke gebieden ontstonden onverzoenlijke tegenstellingen. Begrippen die in het woordenboek een sluimerend leven leidden, doken na 9/11 2001 vetgedrukt in de kranten op: terrorisme, radicalisme, fundamentalisme en extremisme – allemaal begrippen die niets gematigds hebben, maar zich aan de uiterste grens bevinden. Dat is dichtbij de afgrond. Het is daarom niet vreemd dat Frans de Waal op de vraag van welke eigenschap hij zou willen dat mensen er iets meer van hadden antwoordde: empathie.
Maar moet dat ook leiden tot een ‘empathische samenleving’, zoals Jesse Klaver wil in zijn gelijknamige boek? In De empathische samenleving behandelt hij zo ongeveer alle politieke hete hangijzers (veiligheid, klimaat, vluchtelingen, financiële crisis, Europa, globalisering) met de samenbindende gedachte dat de tegenstellingen moeten worden verzacht door je te verplaatsen in de ander, met elkaar in gesprek te blijven, door niet op je strepen te gaan staan, ‘verbinding’ te zoeken.

Voor die verbinding, het ‘wij-gevoel’, valt Klaver graag terug op een kenmerk van democratie: dat je bij besluitvorming nooit helemaal je zin krijgt, zeker in Nederland. Hij benadrukt dat we van de wij-zij tegenstelling af moeten. En dat onze identiteit, anders dan Halbe Zijlstra, Sybrand Buma en Geert Wilders denken, niet statisch is, maar veranderlijk: ‘er bestaat geen gestolde nationale identiteit.’ Frits Bolkestein was in de jaren negentig nog tegen het homohuwelijk. De man was in de jaren zeventig nog officieel het hoofd van het gezin.
Wanneer Klaver in de hel zit en zijn gesprekspartner in het paradijs kan van een gesprek niet veel terechtkomen.
Klaver beijvert zich in alles zijn samenleving zo empathisch mogelijk te laten zijn, waardoor je soms de indruk krijgt dat hij wel erg meebuigt, het ‘de ander’ wel erg naar de zin maakt uit angst aan ‘uitsluiting’ te doen. Nederland moet ‘een groot wij’ zijn, ‘dat insluit, niet uitsluit.’ Wanneer hij het over debat en ‘in gesprek blijven’ heeft, houdt hij het algemeen en wordt niet concreet. Dat gesprek kan voor Klaver heel aardig verlopen wanneer dat gevoerd wordt met een gematigde moslim, iemand die niet alles in de Koran zo letterlijk neemt. Zoals veel christenen de Bijbel niet overal zo letterlijk nemen. Maar wanneer dat gesprek gaat tussen de ongelovige Jesse Klaver en een orthodoxe moslim, dan zou het wel eens heel anders kunnen verlopen. Dan citeert de orthodoxe moslim misschien wel soera 18:102, waarin staat: ‘Wij hebben de hel voor de ongelovige als gastverblijf klaargemaakt.’ En voor de gelovigen staat er: daarvoor ‘zijn de tuinen van het paradijs als gastverblijf’ (18:107). Wanneer Klaver in de hel zit en zijn gesprekspartner in het paradijs kan van een gesprek dus niet veel terechtkomen.
Klaver wekt soms de indruk wel érg empathisch te zijn door zichzelf en zijn ideeën zwaar te relativeren om ruimte te maken voor ‘de ander.’ Maar van tijd tot tijd realiseert hij zich dat hij zichzelf niet helemaal moet weggeven. Dan benadrukt hij ‘geen pleidooi voor cultuurrelativisme’ te houden, ‘want inleven en medeleven maakt ook duidelijk wat voor ons heilig is.’ Dat aspect, dat er ‘voor ons’ ook dingen ‘heilig zijn’, raakt door alle empathie in het boek wat op de achtergrond. Maar het is niet helemaal afwezig. Zoals wanneer hij schrijft dat we het omschrijven van een Nederlandse identiteit niet aan rechts moeten overlaten. En aan het eind schrijft Klaver: ‘Alleen als we zelfbewust zijn over waar wij voor staan, kunnen we openstaan voor de ander.’
Deze zin is wat mij betreft de kern van De empathische samenleving, ook al zorgt dat voor een enigszins paradoxale positie. Wanneer we ons van onszelf bewustzijn wil dat zeggen: enigszins bewust van zelfverworven standpunten, cultuur, geschiedenis, ideeën, gevoeligheden, mentaliteit. Dat zijn geen harde verworvenheden, maar werkzaam, elastisch, ondogmatisch. Het is deze basis die het mogelijk maakt om ‘open te staan’, genereus en nieuwsgierig naar anderen te zijn. Een samenleving die doordrenkt is van de empathie zou mij niets lijken, maar de paradox van De zelfbewuste empathische samenleving komt in de buurt.
De empathische samenleving door Jesse Klaver is uitgegeven door De Bezige Bij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.