In vergelijking met de dieren staat de mens er niet rooskleurig op. Ook al gaan we niet altijd goed met dieren om, ze zijn onze onschuldige zelf. Het zijn biologen als Frans de Waal die dieren bovendien tot fascinerende wezens maken die meer kunnen dan wij denken.

Aesopus vertelt in een van zijn fabels over een kraai die half dood van de dorst een kruik vindt waarin water zit. Maar het is niet genoeg om er met zijn snavel bij te kunnen. Wat te doen? De kraai komt op het idee er een steentje in de laten vallen, en nog een. Er volgen nog meer steentjes, tot het water voldoende gestegen is om er bij te kunnen om zijn dorst te lessen.

Dit zou een tweeduizend jaar oude fabel gebleven zijn als deze prestatie niet was herhaald in een laboratorium met roeken en wipsnavelkraaien. Ze kregen een verticale buis voor zich gevuld met water. Daarop dreef een worm waar ze net niet bij konden. Ze gebruikten de naast de buis liggende steentjes om het water te laten stijgen en zo de worm te kunnen verschalken.

Dit voorbeeld komt uit het nieuwe boek van de bioloog Frans de Waal: Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? Zo slim zijn we inmiddels, al heeft het lang geduurd voor we het volmondig toegaven. Eeuwenlang hebben we van dieren mensen gemaakt in fabels en verhalen. Om ze niet al te vreemd te laten zijn, om ze een beetje op ons te laten lijken, denk maar aan de als een mens zo listige Reinaert de Vos. We hebben ze dingen aangeleerd om ze een beetje menselijk te laten zijn. Dieren menselijke eigenschappen toedichten gebeurt nog steeds, vooral in kinderboeken, maar biologen als Frans de Waal willen al geruime tijd dat dieren worden gezien zoals ze zich zelf zien. Ze proberen de vraag te beantwoorden die Thomas Nagel in 1974 stelde: ‘Hoe is het om een vleermuis te zijn?’

De vraag van Nagel kwam ook al niet uit de lucht vallen. Die was al gesteld door de Duitse bioloog Jakob von Uexküll in het begin van de vorige eeuw. Elk organisme, zei hij, neemt zijn omgeving op zijn eigen manier waar. Die ‘egocentrische, subjectieve wereld’ noemde hij de Umwelt van het organisme: ‘Er zijn dieren die ultraviolet licht zien, terwijl andere in een geurenwereld leven, of onder de grond op de tast hun weg vinden, zoals de stermol. Sommige dieren zitten op de takken van een eik, andere leven onder de bast van diezelfde eik, terwijl een vossengezin een hol graaft onder de wortels. Ieder neemt de boom anders waar.’

De Waal vertelt dat hij ‘begon te denken als een vogel’ toen hij als student twee kauwen grootbracht. Als een echte ouder voedde hij ze met angst en vreze op, tot en met het vliegen en het landen. ‘Zodra ze ervaren vliegers werden genoot ik van het speelse tuimelen in de wind alsof ik met ze meevloog. Ik ging de Umwelt van mijn vogels binnen, hoe gebrekkig ook.’ Thomas Nagel had zijn vraag over de vleermuis niet kunnen stellen als hij niet had geweten dat het specifiek is voor vleermuizen dat ze ‘kijken met hun oren.’ Ze oriënteren zich vooral door middel van echolocatie, door het luisteren naar de weerkaatsing van het geluid.

Frans de Waal, 2016. Foto: Piet den Blanken/HH

De Waal wil dat we de scala naturae, de ladder van de natuur van Aristoteles, verlaten. Daarop zien we God op de hoogste troon zitten, gevolgd door de engelen, de mensen en de andere zoogdieren, vogels en de vissen, waarna we verder afdalen naar de insecten en de weekdieren. Dit veronderstelt een straffe hiërarchie tussen mens en dier. De Waal wil die vervangen door te denken in evolutionaire continuïteit, waardoor de mens één van de soorten wordt en niet de hoogste. De ladder wordt dan vervangen door een struik met vele takken. Er komt dan vanzelf aandacht voor wat het soortspecifieke gedrag. De mens als toetssteen nemen is volgens De Waal achterhaald. Om de intelligentie van een eekhoorn te testen is het oneerlijk hem, alsof hij een mens is, te vragen tot tien te tellen als hij nooit in zijn leven tot tien hoeft te tellen. Er kan beter gevraagd worden naar zijn vaardigheid in het terugvinden van de vele plaatsen waar hij zijn nootjes voor de winter heeft verstopt. Het is onzin om te vragen of chimpansees gezichten van mensen herkennen als het niet hun belang is. Ze blijken wel hun hele familie, vrienden, kennissen en vijanden te herkennen. Dieren weten vaak alleen wat ze moeten weten.

De Waal wil aantonen dat dieren denken, alleen doen ze dat niet op de manier van mensen. Hij gaat voorzichtig te werk. Het is zijn bedoeling om de evolutionaire cognitie van elke soort bloot te leggen. Vroeger werden dieren beschouwd als ‘slaven van hun instincten’, volgens De Waal zijn ze ’architecten van hun eigen lot.’

In welke mate is bij een soort sprake van het gebruiken of maken van gereedschap (Betty de kraai die een haakje buigt aan een ijzeren draad om iets lekkers te kunnen ophalen uit een buis)? In hoeverre gaan ze sociale relaties aan of gaan ze taktisch te werk (de oude chimpansee Yeroen die zich aansluit bij een jong alfamannetje omdat die hem kan beschermen). In hoeverre kunnen ze plannen? Kunnen ze schaars voedsel delen en kunnen ze samenwerken, zoals je bij chimpansees vaak ziet?

Er zal toch nooit een soort Turingtest mogelijk zijn waarbij een zinnig gesprek ontstaat tussen een aap en een mens.

Elke soort heeft, zoals De Waal schrijft, ‘een apart cognitief verhaal te vertellen.’ Dat dieren doorgaans niet kunnen praten vindt hij geen bezwaar. Anders dan de biologen in de jaren zestig en zeventig kijkt hij er niet naar uit dat bepaalde apen het kunnen leren. Er zal toch nooit een soort Turingtest mogelijk zijn waarbij een zinnig gesprek ontstaat tussen een aap en een mens. De Waal staat te kijken van wat Alex de papegaai van zijn collega Irene Pepperberg allemaal kan met woorden, maar hij zelf zit hij ‘niet te wachten op wat mijn dieren te zeggen hebben over zichzelf.’ Hij neemt het wittgensteinse standpunt in: ‘Als een leeuw kon praten, dan zouden we hem nog niet kunnen begrijpen.’ De Waal is opgelucht dat hij werkt met ‘studieobjecten die niet praten. Ik prijs me volmaakt gelukkig dat ik dieren observeer.’ Dat dieren geen taal hebben wil niet zeggen dat ze niet denken. Om te denken heb je geen taal nodig, zei de Jean Piaget al: ‘Cognitie staat los van de taal.’ Over al die niet talige kennis van dieren vertelt De Waal op een erudiete en professionele manier, zonder in jargon te vervallen. Zijn we slim genoeg is een boek waarachter de kennis en de ervaring van een heel leven schuilgaat.

Hij is opgelucht dat zijn dieren niet praten, omdat hij weinig vertrouwen heeft in wat mensen zeggen als ze praten.

Als motto voor zijn boek koos De Waal deze uitspraak van Darwin: ‘Hoe groot het verschil in geest tussen de mens en de hogere dieren ook is, het is ongetwijfeld een verschil in gradatie en niet in aard.’ Dat de mens hierdoor een dier onder de dieren wordt is een uitstekende ontwikkeling, maar we moeten de overeenkomsten tussen dieren en mensen ook weer niet overdrijven. Dieren staan op een heel andere manier in de wereld. Het is waar dat de mens geen al te goede pers heeft, gezien het onheil dat hij aanricht, maar dieren kunnen zich gelukkig prijzen dat ze niet in situaties terecht komen waar mensen regelmatig in verzeilen. In vergelijking met de dieren, van wie hij de sociale vaardigheden ‘indrukwekkend’ vindt, lijkt De Waal niet erg onder de indruk van de mens en zijn prestaties. Hij is opgelucht dat zijn dieren niet praten, omdat hij weinig vertrouwen heeft in wat mensen zeggen als ze praten: ‘wie zegt dat wat mensen ons vertellen over zichzelf echte emoties en drijfveren betreft?’ Volgens De Waal ‘liegen mensen de hele tijd.’ De Waals sympathie ligt niet bij de mensen, maar bij de dieren.

Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn?, door Frans de Waal is uitgegeven door Atlas Contact.