De dichter Johan Andreas dèr Mouw, die zich Adwaita noemde, was een eigenzinnig man. Daar kon je niet alle kanten mee op zonder dat hij zich zachtaardig recalcitrant verzette. Hij had diverse eigenschappen die niet met elkaar rijmden, maar juist met elkaar overhoop lagen. Zo kon de bewondering voor iemand samengaan met de felste kritiek. Degene die het betrof wist dan niet hoe hij het had.

Voordat hij rond zijn vijftigste jaar als dichter ontbrandde voerde Dèr Mouw filosofische polemieken met Nederlands bekendste hegeliaanse filosoof Bolland. Die schreef zinnen die ‘achter elkaar aan sukkelen als kamelen’, in plaats van zich voort te bewegen als paarden ‘met dansende veerkracht.’ Maar die kamelen droegen wel ‘goud’ met zich mee. Bolland zorgde met zijn gebrek aan ‘taalfinesse’ voor begripsverwarring, goochelde met woorden en de werkelijkheid.

Dèr Mouw was een meester in ambivalentie zodat lof en blaam elkaar opvolgden: Bollands ‘afgrijselijke, onheldere stijl’ zorgde er voor dat zijn ‘waarheidsliefde en vreesloze eerlijkheid’ bijna dreigden onder te gaan in zijn gebrek aan subtiliteit. Met dezelfde ambivalentie had Dèr Mouw het over Hegel. Dat was misschien een ‘verwaande systematicus’ die dacht dat met hem de wereldontwikkeling ophield, maar hij was ook degene met een trotse ‘eenheidsvisie’ wat Dèr Mouw, met zijn gespleten geest vóór zijn door eenheid beheerste dichterlijke ontbranding, aansprak.

Dèr Mouws polemische temperament liep regelmatig vooruit op een weloverwogen oordeel. Vandaar de groteske Gymnasium-affaire in 1904 die onverbrekelijk met het leven van Dèr Mouw verbonden is, ook weer vanwege de tegenstrijdigheden die daarin optraden. Als leraar klassieke talen aan het Doetinchems Gymnasium kwam Dèr Mouw in conflict met rector Karel Schwartz.

Die verweet hij op hoge toon dat hij zwakke leerlingen van goede huize voortrok door ze inzage te geven in examenopgaven. De sfeer rond het Gymnasium was in die tijd al danig verziekt door het teruglopen van leerlingen, door de beroerde salarissen en ‘dat de examens niet meer altijd even serieus genomen werden.’ Der Mouw maakte er een klasse-kwestie van, maar die werd vermengd met een ambivalente afkeer van Schwartz’ persoon.

In zijn biografie van Dér Mouw Alleen in een wervelende wereld schrijft Lucien Custers dat Dèr Mouw Schwartz in een brochure over de affaire typeert als ‘een laffe man.’ Hij was ook van een ‘berekenende slimheid’ en bezat ‘een ongewoon talent om medelijden op te wekken.’ Maar daarna heeft hij het over Schwartz’ ‘fascinerende vriendelijkheid’ en ‘fonkelende geestigheid’, kwalificaties die ontstaan moeten zijn in de tijd dat Schwartz en Dèr Mouw nog wellevend intellectueel wedijverden.

Op handen gedragen

Zijn betrokkenheid bij zijn leerlingen was zo groot dat de volwassenen om hem heen zich afvroegen of het niet te ver ging, maar de leerlingen zelf droegen hem op handen. Hij kleedde zich als een zwerver, inclusief pluizige baard. Er leefden heel wat oordelen en vooroordelen rond Dèr Mouw in Doetinchem.

Als classicus, filosoof, wiskundige en musicus stapelde hij lange tijd kennis en inzicht, maar kreeg tegelijk een steeds pessimistischer visie op het bestaan.

Dèr Mouw is een uitzonderlijk voorbeeld van een denker en dichter die werd bezeten door tegenstellingen en tegenstrijdigheden. Als classicus, filosoof, wiskundige en musicus stapelde hij lange tijd kennis en inzicht, maar kreeg tegelijk een steeds pessimistischer visie op het bestaan: ‘de smart, die de mensen leden was onevenredig veel groter dan het geluk, dat ze genoten.’ Hij was een scherpe geest die ‘het zogenaamde gezond verstand’ beschouwde als een combinatie van domheid en arrogantie.

Verstandig zijn stond voor hem gelijk aan kleinburgerlijkheid. Hij had een virtuoos, precies en logisch taalgevoel. Hij kon zelfs opgaan in ‘de heerlijke gratie die een mathematicus kan brengen in zijn voordracht.’ Vandaar dat hij zich ergerde aan Bolland die ‘het diamanten net van begrippen kon weven in zinnen waaraan glaskralen rinkelen uit een kermiskraam.’

En straks poffertjes!

Wat Dèr Mouw als filosoof schreef, zoals zijn boek over Bolland en Hegel Absoluut idealisme, is een combinatie van zuivere kennistheorie (wat kunnen we weten, wat kunnen kennen?) en alledaagse familiariteit, filosofische haarkloverij en broodnuchterheid. De combinatie is steeds weer verrassend. Dan kunnen er ineens jeugdherinneringen opduiken ‘toen je nog geloofde in de wijszorgende liefde van onzen Vader, die in de hemelen is. (-) En straks poffertjes! En één diep gevoel van stille veiligheid, van zalige dankbaarheid. En je ging die avond naar bed, vol God en poffertjes. En je werd ouder, en zag de troon van God vergruizeld door de kritiek, en de engeltjes verdampten als morgennevel.’

De ingewikkelde filosofie wordt er niet minder door, hoewel gerelativeerd. Dèr Mouw verdiepte zich in het neokantianisme, solipsisme, idealisme, het ‘onbedachtzaam realisme’ en uiteindelijk commiteerde hij zich met het ‘transcendentaal idealisme’ van Eduard von Hartmann. Maar het leidde uiteindelijk tot niets: de tegenstelling die Dèr Mouw voelde tussen het ik (van zijn gelukkige jeugd) en de wereld werd er niet door opgeheven. Het isolement dat hij na die tamelijk gelukkige jeugd was gaan voelen verdween niet. Er leefde in Der Mouw daardoor een honger naar het volmaakte, naar de volstrekte eenheid die de tegenstelling zou opheffen.

Een bijna complete biografie

Lucien Custers heeft met Alleen in een wervelende wereld het boek geschreven dat het dichtst bij een complete biografie van Dèr Mouw komt. Hij waakt er voor Dèr Mouw te versimpelen en ontvouwt geleidelijk aan de vele kanten van zijn persoonlijkheid. Van het boek gaat tijdens het lezen de suggestie uit dat alles zo ongeveer bekend is over Dèr Mouw, maar in werkelijkheid wemelt het van de witte plekken. De keren dat Custers moet schrijven dat iets ‘niet helemaal duidelijk wordt’, niet ‘met zekerheid valt te zeggen’, in ‘het ongewisse blijft’ dan wel ‘onduidelijk blijft’ zijn niet te tellen.

1913 was het jaar dat Der Mouw, na een grote filosofische en emotionele crisis, zijn beroemd geworden 120 sonnetten begon te schrijven.

Dat Der Mouw, hoewel getrouwd, al dan niet gematigd praktiserend homoseksueel was, wordt wel duidelijk, maar de finesses blijven achterwege. Eén verliefdheid die niet beantwoord werd, die met de jonge Victor van Vriesland, ging gepaard met een stroom aan brieven (‘Mijn schat, mijn ivoren aapje’). Die zouden vernietigd zijn geweest, ware het niet dat Van Vriesland een compromis bedacht: delen die niet voor vreemde ogen geschikt werden geacht maakte hij onleesbaar. Er is een brief uit 1914 bij van tachtig kantjes. Van Vriesland bleef wel bevriend met Dèr Mouw, en werd zelfs verantwoordelijk voor zijn nalatenschap. In de brieven gaat het nogal eens over iets dat ‘het andere’ wordt genoemd. Omdat Dèr Mouw soms gewoon een tijdje vanuit Den Haag alleen de hort op ging in Amsterdam, wordt vermoed dat hij zich daar in excessen en perversiteiten heeft begeven.

Net als Blaise Pascal

1913 was het jaar dat Der Mouw, na een grote filosofische en emotionele crisis, zijn beroemd geworden 120 sonnetten begon te schrijven. Ze zouden pas in 1918, tegen het einde van zijn leven, gepubliceerd worden. Hij had zich al lang in de Indische filosofie verdiept en ook over de Upanishads lezingen gegeven. Zijn belangstelling daarvoor ging terug tot de tijd dat hij in Leiden Sanskriet studeerde. Lange tijd beheerste het rationalisme van de kennistheorie Dèr Mouws denken. Maar hij ontwikkelde een steeds grotere hang naar de totale afwezigheid van dat rationalisme. Zijn gevoel van isolement werd door het rationalisme niet opgeheven, hij liep er dood mee. Er moest iets gebeuren.

‘God, ik en wereld zijn een en dezelfde, Brahman is alles en alles is Brahman.’

Dèr Mouw deed iets dat lijkt op wat Blaise Pascal deed met God: om van zijn onzekerheid af te zijn gokte Pascal op het bestaan van God. Dèr Mouw maakte op zijn beurt een sprong en verklaarde Brahman uit de Upanishads tot degene die voor hem de tegenstellingen ophief en de eenheid van al het bestaande vertegenwoordigde: ‘Brahman is het Goddelijke Wezen waarvan het heelal de zelfontvouwing is, maar alles in dat heelal, in de eerste plaats de mens, is tegelijkertijd als verschijningsvorm van Brahman zelf ook goddelijk, Brahman. God, ik en wereld zijn een en dezelfde, Brahman is alles en alles is Brahman.’

Deze beslissing van Dèr Mouw werkte als een verlossing, het was als een tweede geboorte voor hem. Hij nam afscheid van zijn eerste leven: ‘De tafel ligt vol opgeslagen boeken:/Mijn leven heb ‘k vermorst met wijsheid-zoeken’, staat in het gedicht ‘T is laat al in de nacht. Doodstil is ‘t huis.’ Een geluk voor ons is dat Dèr Mouw over zoiets ongrijpbaars als Brahman in heldere gedichten kan schrijven, zonder dat je het idee hebt dat het niet voor jou is bedoeld:

‘K zat, jong, graag in mijn pereboom te deinen:
In de afgeknotte top had ik een plank
Getimmerd, en gevlochten, rank voor rank,
Klimop tot rugleun en veil’ge gordijnen.

(…)

‘K lach om wie zegt, dat ik mijn plicht niet doe;
En, wachtend, schommel ik op rijm en maat:
Nooit heb ik zo, als nu, mijn plicht gedaan.

Je moet een mystieke drang hebben je microwereld steeds samen te zien met de kosmos, de eeuwige rust, met het verstrijken van de tijd, het vervagen van heden, verleden en toekomst en de bezielde natuur. Het is een bewuste, tot een besef geworden projectie van gevoelens in de grotere eenheid van het bestaan.

Wat niet wil zeggen dat leven in de niet-verloste wereld van de tegenstellingen en tegenstrijdigheden minder zou zijn. Het opheffen van de dualismen en paradoxen kan gepaard gaan met het verlies van de creatieve spanning die wordt veroorzaakt door vruchtbare verschillen. Tegenstellingen, al dan niet pijnlijk, zijn er niet altijd om op te heffen, maar ook om te laten bestaan als manifestaties van wat mensen bedenken en voortbrengen. Van de wedijver van natuur en cultuur, wetenschap en kunst, denken en gevoel, goed en kwaad leert elke pool iets: het goede leert van het kwaad, de kunst van de wetenschap, de cultuur van de natuur. Los hebben ze allemaal hun eigen allure, maar tegenover elkaar staand worden ze door elkaar op ideeën gebracht. Zoeken naar harmonie is onweerstaanbaar, maar disharmonie wekt leven.

Dèr Mouw dacht lang dat zijn leven op een vie manquée zou uitlopen. Tot hij zijn sonnetten ging schrijven:

En ‘k voel verwaarloosd me en teleurgesteld,
Als ‘k niet, letter na letter, heb gespeld,
Voordat ‘k naar bed toe ga, een zonnebrief.

Alleen in wervelende wereld. Het leven van Johan Andreas dèr Mouw (1863-1919) door Lucien Custers is uitgegeven door Vantilt.