In het tweede deel van Hanny Michaelis’ oorlogsdagboek 1942-1945 wordt duidelijk dat het verloren jaren voor haar zullen worden, terwijl ze juist zo wereldveroverend voor de wereld klaar stond.
Na een kleine tweeduizend pagina’s dagboek herinnert Hanny Michaelis zich ineens het onderwerp van haar eindexamenopstel. Dat was ‘Zelfkennis en zelfcritiek’. Haar oorlogsdagboek is als een praktische demonstratie van die zelfkennis en zelfkritiek te beschouwen. Lenteloos voorjaar en het tweede deel De wereld waar ik buiten sta zijn geschreven door een verbluffend makkelijk en ‘compleet’ over zichzelf schrijvende puber. Dit is observatie, verslaglegging, inleving, ontvankelijkheid, emoties, verliefdheden en intelligente zelfbespiegeling bij elkaar.
Michaelis’ dagboek is een zuiver product van de Forum-generatie, de literair-intellectuele stroming van Menno ter Braak , E. du Perron, H. Marsman en S. Vestdijk waarin alles om de eerlijke en kritische persoonlijkheid draaide. Du Perron, Marsman, Ter Braak: het is haar ‘sfeer’ schrijft ze. Zelfkennis en kritiek, daar ging het om. Michaelis is als het begaafdste lid van de nieuwe generatie te beschouwen: het dagboek begint in 1940 op haar zeventiende en wordt, tussen de verliefdheden door, beheerst door geduchte vroegwijze bespiegelingen over zichzelf en anderen. ‘Zelfkennis en zelfcritiek’ was één van de zes onderwerpen waaruit ze kon kiezen. Michaelis dacht dat het onderwerp speciaal voor haar was bedacht door haar leraar Nederlands, Dick Binnendijk. Hij moet volgens haar gedacht hebben ‘dat ik alleen daarover een goed opstel zou kunnen maken.’

Leven op de toppen van emotie
De prachtige ironie is dat Michaelis verliefd was op Binnendijk, maar dat Binnendijk nu juist niet tot de Forum-club behoorde. Hij was in het begin van de jaren dertig de aanstichter van de vermaarde vorm of vent-discussie door zijn inleiding bij de bundel Prisma, zijn bloemlezing uit de Nederlandse poëzie. Binnendijk koos voor de vorm en niet voor de vent zoals de groep van Forum. De ironie neemt ontroerende vormen aan wanneer Michaelis tijdens haar onderduik op verschillende adressen de hele oorlog door op afstand verliefd blijft op Binnendijk. De gedachte aan hem is een permanent lichtpunt. Hij beheerst vijf jaar haar verlangens. Na de oorlog trouwt Michaelis met Gerard Reve (1949), scheidt van hem en gaat werken op de afdeling Kunstzaken van de Gemeente Amsterdam. Hoofd van Kunstzaken is dan Dick Binnendijk.
Er is plaats voor nog meer ironie. In het begin van de oorlog werd Michaelis op haar onderduikadres bij Jeanne van Schaik-Willing aan de Leidsekade (naast het Lido) ook verliefd op Anthonie Donker, pseudoniem van Nico Donkersloot, hoogleraar in de Nederlandse letterkunde en redacteur van het tijdschrift De Stem van Dirk Coster en van Critisch Bulletin, allebei vertegenwoordigers van wat door de Forum-club en door Hanny Michaelis zelf het ‘halfzachte humanisme’ werd genoemd. Michaelis schrijft uitdrukkelijk dat ze niet verliefd is op de literator en dichter Anthonie Donker, maar op de persoon Nico Donkersloot. Met zijn werk heeft ze niets.
Het aandeel verliefdheid neemt in het dagboek veel ruimte in beslag en kan wel eens vermoeiend worden, maar laat ook zien hoe Michaelis dagelijks op de toppen van haar emoties leefde. Die verliefdheden (die beperkt bleven tot haar dromen en fantasieën) waren ook een compensatie voor de situatie waarin ze verkeerde: haar rol als onderduikster in een vreemd gezin, de gedachte aan de deportatie van haar ouders. Als dekmantel was ze ‘hulp in de huishouding.’ Niet alleen als dekmantel, ook in werkelijkheid. Ze deed net als het officiële dienstmeisje al het huishoudelijke werk. Ze had daardoor een onduidelijke positie. Ze hoorde er wel en niet bij, mocht wel en niet bij bezoek aanwezig zijn. Ze hadden wel en niet met haar te doen, de kinderen wisten niet of ze haar wel of niet als een gelijke moesten zien. De zelfbewuste intelligente gymnasiaste Michaelis had ‘alles’ gelezen (Gorter, Bordewijk, Van Schendel, Slauerhoff, Du Perron, Vestdijk, Achterberg, Thomas Mann, Dos Passos, Goethe, Heine, Wilde, Dostojevski, Rilke, Hofmannsthal, Werfel, Huxley, Gide), maar kampte met een minderwaardigheidscomplex. Het is onduidelijk waar dat vandaan gekomen mag zijn (haar vader was een bekend en gewaardeerd pianist). Zelf speelde ze superieur piano, ook voor de gezinnen waar ze verbleef.
Ze wordt heen en weer geslingerd door ‘hemels optimisme en hels pessimisme’. Maar diep in haar verborgen bevindt zich haar overtuiging dat ze in de wieg gelegd is voor ‘een groot geluk.’
De grafiek van Michaelis wisselende stemmingen bestaat uit louter uit pieken en dalen. De kleinste dingen kunnen voor neerslachtigheid zorgen of juist een dag goed maken. Ze reageert seismisch, is ‘doodongelukkig’, ‘half blind van ellende’, voelt zich ‘verlaten’ of ‘vervreemd’. Afgewisseld door gelukzalige momenten als ze kan lezen, piano kan spelen, kan kletsen, of haar dagboek bij kan houden. Dagelijks doen zich kleine wrijvingen voor met het dienstmeisje, met mevrouw, meneer of de kinderen, steeds weer afgewisseld met hartelijkheid en gezelligheid. Ze moet zich herhaaldelijk ‘in de vereiste bochten van nederigheid kronkelen.’ Ze voelt zich vaak een Assepoester. Van de weeromstuit is ze verguld met een complimentje dat ze zo goed sokken kan stoppen. Soms denkt een van de gasten dat ze haar een fooi moeten geven. Ze beklaagt haar lot, maar is niet minder ontroerd door de generositeit van de mensen die haar onderdak geven en beschermen. Ze wordt heen en weer geslingerd door ‘hemels optimisme en hels pessimisme.’ Maar diep in haar verborgen bevindt zich haar overtuiging dat ze in de wieg gelegd is voor ‘een groot geluk.’ Elk moment van de dag kan ze panisch gegrepen worden door herinneringen aan haar geliefde ouders, van wie ze alleen weet dat ze naar Westerbork zijn gestuurd. Na de oorlog hoorde ze pas dat ze vrijwel meteen na aankomst in het concentratiekamp zijn vergast.
De échte werkelijkheid
De grote kracht van Michaelis’ dagboek is de afwisseling van huiselijke belevenissen en bespiegelingen. Het boek had eenderde dunner kunnen zijn vanwege de onvermijdelijke herhalingen (vooral als het gaat over wrijvingen en verliefdheden). Steeds wanneer ze aan het bespiegelen slaat over literatuur, muziek en filosofie wint het dagboek aan betekenis. Dan krijgt alles een diepere laag. Ze geeft onbekommerd haar menig over de boeken die ze gelezen heeft. Ze vindt zichzelf zwaar op de hand en kijkt jaloers naar jongeren die zich om weinig bekommeren. Ze is in de bloei van haar leven, maar kan niet actief aan haar ontwikkeling werken. Haar ‘kostbare jeugd’ gaat er ‘vruchteloos, doelloos, vreugdeloos’ aan. Ze raakt haar ‘laatste restje zorgeloze luchthartigheid en jeugdige overmoed’ kwijt. Het peil van haar lectuur ‘zakt’ omdat ze niet alles kan krijgen wat ze wil. Ze leest noodgedwongen tweederangs romannetjes. Het is ‘een tijd van afstomping.’ Ze is een nuchtere atheïste, maar luistert geboeid naar preken als de dominee niet te drammerig is. Ze weet precies wanneer hij begint te zwammen.
Door zo direct over zichzelf in haar dagboek te schrijven gebeurt waar ze het in haar eindexamenopstel over moet hebben gehad: ze leert zichzelf kennen. Leven is een dagelijkse oefening in zelfbeheersing. Ze moet voortdurend een houding vinden om te kunnen omgaan met wat er op haar afkomt. Tegen die dagelijkse werkelijkheid verweert ze zich door op te gaan in wat ze leest, in de muziek en in de kunst. Daarin schuilt voor haar de echte werkelijkheid. Die is onthullender, scherper, gaat dieper en is waarachtiger dan de werkelijkheid om haar heen, hoe realistisch ook. Die wordt beheerst door de ‘platvloerse strijd om zelfbehoud.’ Wat anderen de ‘schijnwerkelijkheid’ van romans als die Vestdijk noemen openbaart voor haar juist ‘verrassend en geniaal de ware werkelijkheid.’
De meer dan vier jaar dat Michaelis zat ondergedoken was een permanente worsteling tussen haar rol als hulp in de huishouding en haar gevoel van eigenwaarde. Ze was op een leeftijd dat ze gezien wilde worden als wie ze echt was: het meisje dat een dichter aan het worden is en dat meer ziet en voelt dan anderen. En het meisje dat op het gymnasium een opstel schreef dat zo goed was dat haar Engelse leraar niet wilde geloven dat ze het zelf had geschreven (over De profundis van Oscar Wilde). Dick Binnendijk moest er aan te pas komen om de leraar te overtuigen.

Altijd het bittere bijsmaakje
De andere worsteling was die met haar gevoel en zelfkritische verstand. Haar makkelijk ontvlambare verliefde gevoelens moesten voortdurend door haar verstand in bedwang gehouden worden. Haar gevoel dreigde haar zelfstandigheid steeds te ondermijnen: ’Blijkbaar is zelfs het meest critisch aangelegde meisje niet bestand tegen de betovering die er van mannenkracht uitgaat,’ schrijft ze. Haar verliefdheden (door de jaren heen vooral in gedachten op Eldert, Eef, Thijs, Wout, Joris, Nico) brengen geen veranderingen in een overtuiging die ze al als zeventienjarige kreeg toen Binnendijk in de klas naar aanleiding van Gorters Mei ‘uiterst fijngevoelige’ opmerkingen maakte over de liefde in het algemeen en de erotische in het bijzonder: ‘Ze hebben zich zo diep in me geworteld, dat ze de basis zijn geworden voor mijn begrip van de volmaakte en volkomen liefde: het in elkaar opgaan, het zich in de ander verliezen door zich in de ander te hervinden, zowel geestelijk als lichamelijk.’ Het heeft iets troostends dat ze de hele oorlog verliefd op Binnendijk is geweest, en dat ze na de oorlog zo dicht in zijn buurt is gaan werken.
Het gevaar van deze twee delen van bij elkaar tweeduizend pagina’s is dat ze misschien nooit helemaal gelezen worden. Daarvoor bevat het tweede deel te veel van hetzelfde. Er zou iets te zeggen zijn voor een meer gecondenseerde editie waarin Michaelis’ evocatie van het onderduikleven gecombineerd zou worden met haar bespiegelingen. De dichter, de verliefde, de zichzelf kennende en kritische Michaelis zouden dan beter tot hun recht komen.
Het ‘ademloze, jonge geluksgevoel, die gewaarwording van wereldveroverende jeugd’ dat Hanny Michaelis aan de vooravond van de oorlog had, ziet zij in haar dagboek geleidelijk ‘voorgoed genekt’ worden, schrijft ze in april ‘44. Natuurlijk, ze zal wel weer geluk kennen, denkt ze, ‘maar het is nooit meer zonder meer geluk, het heeft altijd het bittere bijsmaakje van ontgoocheling en scepticisme.’
De wereld waar ik buiten sta. Oorlogsdagboek 1942-1945 door Hanny Michaelis, bezorgd door Nop Maas, is uitgegeven door Van Oorschot. Deel een over de jaren 1940-1941, Lenteloos voorjaar, verscheen vorig jaar.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.