Het was een geval van directe herkenning toen Menno ter Braak La Jeunesse d’un Clerc las, het boek uit 1936 waarin de Franse essayist Julien Benda beschreef hoe de jeugd van deze klerk (onafhankelijke intellectueel) eruit had gezien. Ter Braak had zelf in 1933 zijn Politicus zonder partij gepubliceerd met een hoofdstuk dat een vergelijkbare ontwikkeling beschreef: zijn ‘Geschiedenis ener intelligentie.’

Ter Braak en Benda waren verwante geesten die er allebei waarde aan hechtten te beschrijven hoe ze tot hun eerste ideeën kwamen: wat hen vormde, van wie ze afscheid namen, aan wie ze zich optrokken, wie ze gingen mijden. ‘Er zijn niet al te veel boeken, die zo van bladzijde tot bladzijde boeien als deze verantwoording van een ontwikkeling,’ schreef Ter Braak.

Cruciaal in de ontwikkeling van Julien Benda was de Dreyfusaffaire rond 1900, waarin hij het met anderen opnam voor de Joods-Franse officier die onterecht werd beschuldigd een spion van Duitsland te zijn.

Bovendien was Benda de schrijver van een boek dat perfect aansloot bij Ter Braaks ontwikkeling tot politicus zonder partij: in Le Trahison des Clercs uit 1927 had Benda beschreven hoe Franse, Duitse en Italiaanse intellectuelen en schrijvers woordvoerders werden van nationalistische, autoritaire en anti-democratische politieke bewegingen. Dat was precies waar Ter Braak (en zijn vriend E. du Perron) ook mee te maken kreeg in het begin van de jaren dertig door de opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland en Nederland.

Dreyfus

Cruciaal in de ontwikkeling van Julien Benda was de Dreyfusaffaire rond 1900, waarin hij het met anderen opnam voor de Joods-Franse officier die onterecht werd beschuldigd een spion van Duitsland te zijn. Cruciaal voor Ter Braaks ontwikkeling was het aan de macht komen van Hitler in 1933. Du Perron stelde Ter Braak voor dat hij Le Trahison des Clercs zou vertalen, maar daar kwam het wegens tijdgebrek niet van.

Dat het boek bijna negentig jaar later als Het verraad van de intellectuelen toch nog vertaald is, moet alles te maken hebben met de onmiskenbare actuele kanten die het heeft, voornamelijk door de terugkeer van nationalisme en xenofobie. Wat toen afkeer van ‘internationalisme’ werd genoemd, is nu afkeer van Europa en globalisering.

Schrijvers als Maurice Barrès en Charles Maurras waren overtuigde rechtse intellectuelen die samenkwamen in bewegingen als de Action Française. Zij maakten zich sterk voor het kapitalisme, de standenmaatschappij, het recht van de sterkste, antisemitisme, militarisme, het primaat van de staatsmacht, vóór het volk, tegen het individu (‘het is moreel juist jezelf niet los te willen zien van je volk,’ schreef Barrès). Voor de verdediging van Dreyfus werd de Union des intellectuels pour la verité opgericht, voor de verdediging van de democratie ontstond door Ter Braak en anderen het Comité van Waakzaamheid van Intellectuelen.

Het gebruik van het intellect was alleen eervol als er concreet voordeel mee te behalen viel.

Het ‘verraad van intellectuelen’ is een begrip geworden dat betrekking had op het verraden van de democratie in de jaren twintig en dertig en de keuze voor een autoritaire, nationalistische en rechtse politiek. Maar Benda zag het ook wat ruimer. Het verraad had ook betrekking op de negatie van al het belangeloze denken. Dat werd zelfs ‘verachtelijk’ gevonden.

Denken om het denken

De verraders waren ‘realisten’ die alles beschouwden in het licht van het nut dat iets had, liefst voor de Franse natie. Het gebruik van het intellect was alleen eervol als er concreet voordeel mee te behalen viel. Uit die utilitaristische geest kwam de oprichting voort van een ‘Europese en wereldwijde Intellectuele Federatie onder bescherming van ons triomferende Frankrijk, hoeder van de beschaving.’

Dit in alles doorgevoerde realisme zorgde ervoor dat Benda op zijn beurt wel erg veel nadruk ging leggen op een belangeloze manier van denken, niet alleen in politieke zin. Naar analogie van l’art pour l’art ontstond bij Benda het denken om het denken, denken niet ten behoeve van enig doel of nut. Een soort droog denken, dat was het echte denken.

Met een medestander als Ernest Renan, die het de ergst mogelijke blasfemie vond ‘om enkel vanwege haar vruchten van een godheid als de wetenschap te houden’, vond Benda dat de intellectuele activiteit niet diende te worden gewaardeerd vanwege haar praktische resultaten. Net als de esthetische activiteit vindt de intellectuele activiteit de voldoening in zichzelf.

De mensheid heeft tweeduizend jaar het slechte gedaan, maar houdt het idee van het bestaan van het goede toch in ere. ‘Het goede’ bestaat, ergens.

Op zijn beurt vond Maurice Barrès dat een ‘kritische geest’ als zodanig niet kon bestaan: die heeft altijd een specifiek belang op het oog. Objectiviteit kan ook niet bestaan. ‘Geestelijke vrijheid’ stelt evenmin iets voor als zij niet ten dienste staat van actie en denken. Hoe vrij is die geest dan nog?

Waarheid

Julien Benda is onmiskenbaar een Platoonse geest voor wie ideële grootheden bestaan die men als voorbeeld en leidraad moet nemen. Ze zweven boven ons. Benda geeft het voorbeeld van ‘het goede.’ De mensheid heeft tweeduizend jaar het slechte gedaan, maar houdt het idee van het bestaan van het goede toch in ere. ‘Het goede’ bestaat, ergens.

Hetzelfde met ‘intellectuele onafhankelijkheid.’ Hoe moeilijk intellectuele onafhankelijkheid in de praktijk ook te realiseren is, het moet als na te streven ideaal intact blijven, anders wordt al het denken fataal gebonden aan belangen. Dan wordt er nooit met een onbevangen blik naar iets gekeken. Benda’s tegenstanders bestonden uit één en al belang: de natie, het leger, het volk, het instinct, de standen, de winst.

Door Benda’s polemische toon denk je niet meteen dat hij een rationalist is in de geest van Descartes en Spinoza. Maar hij heeft dan ook uitgesproken irrationalisten als tegenstander die het uitlokken. Die denken met hun instinct, met hun gevoel, intuïtie en ‘politieke drift’. Ze hebben niets met de waarheid. Ook al is de waarheid een berucht lastig begrip, tegenover waarheidontkenners als Maurras c.s. wordt het ineens heel eenvoudig.

Wanneer Maurras, de schrijver van L’avenir de l’intelligence, zijn kerk voor hem laat denken, zoals hij als gelovige schrijft, dan is er sprake van rooms belang en is de waarheid van Spinoza ver weg. Hij dankt de kerk dat zij de afgelopen eeuwen het intellect heeft beschermd ‘tegen zijn eigen dwalingen.’ De zucht naar waarheid noemt hij ‘een primitieve, barbaarse bezigheid.’

Zo mag het van Barrès niet waar zijn dat het toeval een grote rol speelt in de geschiedenis. De geschiedenis verloopt niet aan de hand van het toeval, maar volgens Gods plan. De historicus die dat ontkent noemt hij ‘immoreel’. Volgens Barrès ‘moet het vaderland altijd gelijk krijgen, zelfs als het ongelijk heeft.’

Ontworteld

Een belangrijk thema in Het verraad van de intellectuelen is Benda’s antwoord op het verwijt een ‘ontwortelde’ te zijn, een ‘déraciné’, omdat hij zich een Europeaan voelt, een internationalist, een universalist en iemand die de zaken vaak graag vanuit het perspectief van de eeuwigheid bekijkt.

Het universele staat bij Benda tegenover het specifieke: zijn tegenstanders (afgezien van Barrès en Maurras, ook schrijvers als Gabriele d’Annunzio, Georges Sorel, Rudyard Kipling, de pragmatist William James) verheerlijken het specifieke: het eigen vaderland, de eigen taal, het eigen leger, eigen discipline, eigen moraal, eigen klasse, eigen sterkte. Het is je reinste oikofilie.

Op de vage achtergrond van dit polemische boek bevinden zich de waarden waar Benda zelf aan hecht. Je moet Benda’s koele humanisme min of meer tussen de regels lezen. Het lijkt erop dat hij met zijn nadruk op de onafhankelijkheid van de intellectueel zichzelf aan geen enkele maatschappelijke, artistieke of politieke zaak bindt, maar dat is niet zo.

Benda kreeg van Jean-Paul Sartre wel het verwijt dat zijn klerk alleen kon ‘wauwelen over de waarden van de eeuwigheid,’ maar hij bemoeide en engageerde zich in zijn meer dan dertig boeken met alles. Hoeveel kritiek hij ook had op het historisch materialisme in de Sovjet-Unie, hij had in heel algemene zin sympathie voor het ‘communisme.’ Hij was tegen staatsmacht, economische uitbuiting, voor de bescherming van de armen en verdrukten en tegen ‘het ressentiment van de massa’.

De menselijke natuur zou eeuwig barbaars blijven, zodat ze altijd een toestand zal scheppen die, schrijft Benda, ‘nodig is om hun dierbare instituties in stand te houden.’

Net als nu werd in de wereld van Benda grof gepolariseerd. Ook nu is alles verhard. Benda’s tegenstanders geloofden allemaal dat de menselijke natuur een vast gegeven is. De menselijke natuur is zoals zij is en zal altijd zo zijn, dat wil zeggen: ‘een asociaal, bloeddorstig wezen dat altijd behoefte zal houden aan dwingende regimes en militaire instituties.’

De menselijke natuur zou eeuwig barbaars blijven, zodat ze altijd een toestand zal scheppen die, schrijft Benda, ‘nodig is om hun dierbare instituties in stand te houden.’ Zulke observaties maken dat Het verraad van de intellectuelen zijn urgentie heeft behouden: je bent voortdurend aan het vergelijken met nu.

Het verraad van de intellectuelen door Julien Benda is vertaald door Eva Wissenburg en met een inleiding van Thijs Kleinpaste uitgegeven door Amsterdam University Press.