Het is niet de slechtste vluchtroute als je ernstig verlegen zit om een aansprekende vergelijking om iets duidelijk te maken: Humpty Dumpty. Die is in het gelijknamige hoofdstuk in Alice in Wonderland als een menselijk ei op zijn muurtje met Alice aan het bekvechten. Op een gegeven moment roept hij ‘Gloria!’ Alice begrijpt niet wat hij daarmee bedoelt. ‘Ik bedoelde,’ zegt Humpty Dumpty, ‘daar heb je nou een mooi dodelijk argument!’ ‘Maar “gloria” betekent geen “mooi dodelijk argument”, werpt Alice tegen. ‘Als ik een woord gebrúík,’ zegt Humpty Dumpty op nogal honende toon, ‘betekent het gewoon wat ik wil dat het betekent – niet meer of minder.’

De eerste gekleurde jongen

De Ghanees-Engelse filosoof Kwame Anthony Appiah roept Humpty Dumpty te hulp om duidelijk te maken dat niet iedereen zomaar elke identiteit aan kan nemen die hij wil, zoals Humpty Dumpty niet zomaar elk woord de betekenis kan geven die hem zint, ook al waant hij zich ‘de baas’ van zijn woorden. Je kunt niet zomaar zeggen dat de Amerikaanse schrijfster Toni Morrison wit is. Dan zorg je voor hopeloze verwarring. Morrisons identiteit wordt maar voor een deel bepaald door haar donkere kleur. Ze is ook schrijfster, professor, moeder, Amerikaanse.

Ook al verdedigt Appiah de stelling dat woorden niet zomaar alles kunnen betekenen, als het om identiteit gaat wil hij zo soepel mogelijk zijn. Morrison hoeft haar identiteit niet alleen aan haar kleur te ontlenen, en zeker niet meer dan aan haar andere eigenschappen en kwaliteiten. Ook al heeft Appiah zelf een kleur, hij is vóór alles een kosmopoliet.

De psychologische betekenis van het hebben van een identiteit bagatelliseert hij niet (hij kent zijn Rosamond in George Eliots Middlemarch, die bijna haar besef van identiteit kwijtraakt wanneer haar minnaar zich aan iemand anders verslingert), maar tegenover identiteit als sociale categorie staat hij sceptisch.

Maar natuurlijk herken ik je, zei hij: ‘Jij was de eerste gekleurde jongen van de school!’

Ook al erkent hij dat mensen een neiging tot groepsvorming hebben (‘an innate clannishness’), alles wat mensen willen is vrij zijn: of ze bij een klasse willen behoren, een land, een etnische groep, een geslacht, een provincie, een seksuele voorkeur, een stad, een religie, of bij helemaal niets, dat is allemaal open, al zal de ene categorie dwingender lonken dan de ander.

Appiah zelf heeft een familiegeschiedenis met een hoog labyrintgehalte: een zwarte Ghanese vader met een illustere voorgeschiedenis, een witte moeder, opgegroeid in het Engelse Dorset waar hij zich op school totaal niet bewust was van zijn kleur. Toen hij jaren later op de school terugkwam, zei hij tegen het hoofd van de school dat hij hem wel niet meer zou herkennen. Maar natuurlijk herken ik je, zei hij: ‘Jij was de eerste gekleurde jongen van de school!’

Country, Color, Class, Culture

Appiah draait er in zijn boek The Lies that Bind niet omheen: alle identiteiten die we ons aanmeten, zijn om een of andere reden bedacht, zitten niet biologisch of anderszins in ons, maar zijn uit de omstandigheden en ideeën van de mensen voortgekomen. In de achttiende eeuw verantwoordde men de slavernij met een racistische leugen: dat het een heel ander soort mensen was. In de negentiende eeuw bedacht men het nationalisme om mensen bij elkaar te houden.

Bij de ondertitel van zijn boek (Rethinking Identity) noemt Appiah de vijf categorieën waaraan mensen een identiteit ontlenen, allemaal beginnend met een c: Creed, Country, Color, Class, Culture. Ze zijn voor hem geen van alle monolitische begrippen, maar al doende ontstaan en bedacht, en dus veranderlijk en flexibel.

Over ‘Creed’ (geloof) zegt Appiah bijna wegwuivend zorgeloos dat het gebruikelijk is om het geloof als een verzameling onveranderlijke dogma’s (‘a set of immutable beliefs’) te beschouwen, maar dat is helemaal niet nodig: je moet het geloof zien als een aan verandering onderhevige praktijk. Geloof is geen zelfstandig naamwoord, maar een werkwoord. Het is geen ding, maar een activiteit. En activiteiten hebben de eigenschap te veranderen.

Klasse en cultuur zijn allebei bij uitstek categorieën die tamelijk dwingend op iedereen inwerken.

Op de dezelfde losse manier heeft hij het over ‘Country’, het land of de natie. Men hoeft helemaal niet te kiezen tussen tussen patriottisme en globalisme: waarom zou je niet een dubbele loyaliteit kunnen hebben, niet op een zelfbewuste manier ambivalent kunnen zijn en zowel de zegeningen van een vertrouwde omgeving willen hebben, als de opwindende vergezichten van een globalistisch perspectief?

Met ‘Color’ is het iets ingewikkelder, omdat mensen zelf vaak helemaal niet met hun kleur bezig zijn, maar er wel door hun omgeving aan worden herinnerd, zoals je zag bij de leraar van Appiah. Klasse en cultuur zijn allebei bij uitstek categorieën die tamelijk dwingend op iedereen inwerken.

Appiah hecht niet aan het idee van ‘de westerse beschaving’ om een identiteit aan op te hangen. Dat is hem een veel te vastgeroest idee waarin de negatieve kanten helemaal niet voorkomen. Als kosmopoliet zoekt hij eerst de overeenkomsten tussen mensen, en pas daarna de verschillen.

Hij onderschrijft de uitspraak van de Romeinse toneelschrijver Terentius: ‘Ik ben een mens, niets menselijks is mij vreemd.’ Waarmee gezegd is dat voor hem de mens en het menselijke primair zijn en de rest secundair of minder. Al, zegt hij, moeten we ook weer niet in de val van ‘the liberal fantasy’ vallen en denken dat identiteiten niet ook dwingende verleiders kunnen zijn.

Bronbeeld: SMU Libraries Digital Collections, National Library of Ireland and the Commons, Wikimedia Commons
Chronische polarisatie

Dat is Francis Fukuyama zich ook scherp bewust. In Identity, zijn boek over identiteit, is hij een voorstander van nationale identiteiten die ruim genoeg zijn om veel mensen te kunnen omvatten, maar ook weer klein genoeg om mensen het gevoel te geven dat ze bij elkaar horen. Fukuyama is voor identiteiten, maar tegen identiteitspolitiek. We leven volgens Fukuyama in een tijd waarin mensen zich op grote schaal miskend voelen, niet recht gedaan aan hun innerlijke zelf: dat gevoel is ‘gebaseerd op een universele menselijke behoefte aan een besef van eigenwaarde en bevestiging van onze innerlijke waardigheid’.

Dat gevoel van eigenwaarde is verdwenen omdat de waarden geen overkoepelende kracht meer hebben, maar zijn gekrompen tot waarden van groepen. Iedereen lijkt tot een minderheid te willen behoren. Fukuyama betreurt het dat links in Amerika de werkende klasse te veel heeft genegeerd en daardoor ruimte maakte om door rechts geannexeerd te worden.

Links heeft zich te veel gericht op ‘identity groups’, allerlei soorten minderheden, van Hispanics tot transgenders. Populistisch rechts voelt zich niet minder achtergesteld en leeft zijn identiteit uit in geweld, nationalisme en racisme. De middenklasse is langzaam aan het verdwijnen en ziet haar zelfrespect verkruimelen. De nadruk op identiteit heeft voor chronische polarisatie tussen al die groepen gezorgd.

Het roofkapitalisme wordt als gewoon beschouwd, de vakbonden zijn in geen velden of wegen te bekennen. Bestaan ze nog wel?

De aandacht voor identiteit is volgens Fukuyama funest geweest voor het besef dat de laatste dertig jaar de sociaal-economische ongelijkheid alleen maar is toegenomen. Bij het ongebreidelde kapitalisme, dat ervoor heeft gezorgd dat een afgrond is ontstaan tussen de kleine groep rijken en de rest van Amerika, worden nog nauwelijks vragen gesteld, laat staan dat men iets probeert te doen aan die groteske ongelijkheid. De protesten tegen Trumps beleid in dit opzicht halen niets uit.

De motor van de politiek is niet de sociaal-economische verbetering van de positie van de lagere en middenklasse, maar wordt beheerst door de identiteitspolitiek. Het roofkapitalisme wordt als gewoon beschouwd, de vakbonden zijn in geen velden of wegen te bekennen. Bestaan ze nog wel?

Fukuyama heeft het over een ‘moderne identiteit’. Die is flexibel en veranderlijk. Burgers van moderne samenlevingen hebben meer identiteiten, aangepast aan de omstandigheden. Die veelzijdige identiteit ontstaat tijdens het werk, in de omgang met vrienden, door geloof, cultuur en politiek. Zo’n persoonlijke, ‘inner sense of identity’, kan een vruchtbaar verschil maken. Ze schept ook de ruimte voor een bredere identiteit die iedereen kan omvatten en is gebaseerd op de waarden en aspiraties van ‘the country’s founding principles’.

Hoeveel ze ook verschillen, Appiah en Fukuyama willen allebei twee dingen tegelijk. Ze zijn ambivalent: ze willen een flexibele, verlichte, persoonlijke identiteit, en één die veel mensen op een ontspannen manier bij elkaar houdt.